Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:17

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
11-04-2019
Zaaknummer
SXM201600520 (AR 2016/75)
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Schadevergoeding wegens niet betaling geldsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201600520 (AR 2016/75)

Vonnis d.d. 22 januari 2019

inzake

[eiseres],

wonende te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. R. BERGMAN,

tegen

HET LAND SINT MAARTEN,

wonende te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.F. GIBSON jr.,

1 Het procesverloop

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties van 14 juni 2016,

  2. conclusie van antwoord met producties,

  3. akte houdende overleggen productie van eiseres,

  4. conclusie van repliek tevens aktewijziging van eis met producties van eiseres,

  5. akte houdende wijziging van eis,

  6. conclusie van dupliek,

  7. pleitnota namens eiseres,

  8. pleitnota namens gedaagde.

1.2.

Er is op verzoek van partijen schriftelijk gepleit.

1.3.

De uitspraak wordt vandaag gedaan.

2 De feiten

2.1.

Eiseres heeft een gedeelte van haar vordering op gedaagde verkocht aan A. B.V., (hierna: A), die een factoring bedrijf exploiteert, verkocht.

2.2.

Partijen zijn verwikkeld geweest in meerdere LAR procedures. Zo is op 5 juni 2012 door dit Gerecht uitspraak gedaan in de zaak met nummer Lar 117/2011. Beslist is dat het beroep van eiseres gegrond is, de beschikking wordt vernietigd en gedaagde binnen drie maanden een nieuwe beschikking dient te geven. Op 28 augustus 2012 heeft gedaagde, meer specifiek zijn Minister van TEZVT, een nieuw besluit genomen en het verzoek om schadevergoeding van eiseres wederom afgewezen. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld (Lar 084/12).

2.3.

Bij brief van 31 januari 2013 berichten twee ministers, te weten de Minister van TEZVT en de Minister van Financiën, het volgende aan een medewerker van de Landsadvocaat:

“ref: Settlement between eiseres- and Government of St. Maarten

Dear Sir,

I, hereby inform you that in December 2012 a meeting was convened between my person as Minister of TEZT, Minister of Finance, Roland Tuitt and [D] of eiseres. The meeting was to discuss a settlement of a court case against government of St. Maarten prior to 10-10-10 which was in the amount of 1.250 million US Dollars. In the meeting, a settlement was reached in the amount of $1 million US Dollars which will be paid in terms. The first payment will be in amount of $400,000.00 and the balance will be paid in installments of $100,000.00 US Dollars per month. This settlement was reached in order to avoid further pursuance of court cases that have a high possibility of resulting in favorable judgment on behalf of [eiseres].

I hope to have informed you sufficiently and looking forward to having the contract expedited.”

2.4.

Deze brief is ondertekend door de Minister TEZVT en de Minister van Financiën.

2.5.

Bij brief van 1 februari 2013 aan de beide ministers bevestigt eiseres dat zij een schikking heeft bereikt met gedaagde. In deze brief komen onder andere de volgende passages voor:

“I hereby confirm that on December 7, 2012 we finally reached a settlement agreement. I am glad that after 3 years of struggle inside and outside the court trying to reach an agreement that both Ministers also realize that court would not be beneficial for anyone concerned. Specially taking into consideration that Country St. Maarten will benefit of our DVB-T. We also went ahead and agree to return 4 out of 6 additional rf channels under the condition stated below. Showing our good will we preferred to discount the $250.000.00 and agree to the $1.000.000.00 instead of prolonging by helping understand the justification with the chance of once again going to court.

We agree to the following;

● The government is to pay [eiseres]-CABLE $ 1.000.000.00. of which $400.000.00 to be paid as down payment the moment the paperwork is done which is expected not more than 10 working days from the 7th. The balance of $600.000.00 is to be paid in terms of $100.000.00 per month.”

2.6.

Bij e-mail van 12 februari 2013 bericht het Ministerie van Financiën het volgende aan de directeur van eiseres:

“Part of the proposed arrangement with [eiseres] is the use of a channel for DECOM. Could you perhaps send us a copy of a usage and/or lease agreement which you would typically use with regard to the use of one or more of your channels? Such an agreement should be included with the draft settlement agreement. As your company no doubt has ample experience with this subject matter, in order to speed the process up, we would like to see if we could perhaps make use of your typical contract in this regard as a template.”

2.7.

Bij e-mail van 13 februari 2013 verstrekt eiseres de hoofdlijnen van een dergelijk contract met de mededeling dat dit een enkele pagina tekst zal zijn.

2.8.

Op 14, 15, 18 februari 2013, 6 maart 2013 en 22 april 2013 heeft eiseres aan …. (hierna: [A]), dat een factoringbedrijf is, gedeeltes van haar vordering uit hoofde van nadeelcompensatie op gedaagde verkocht. Bij exploten van de deurwaarder zijn de daartoe strekkende overeenkomsten aan gedaagde betekend, voor het eerst op 12 maart 2013.

2.9.

Het “Beslisblad van de Ministerraad” d.d. 21 juni 2013 luidt ten aanzien van agendapunt 10 als volgt:

“Onderwerp: Paying [eiseres] a settlement amount in lieu of a court case

(…)

Besluit: Aangehouden. De overwegingen van Minister Tuitt en het juridisch advies van JZW d.d. 29 mei 2013 zal nader worden bezien alvorens zal worden overgegaan tot finale besluitvorming.

Uitvoering: Minister AZ + secretaris

Cc. Minister FIN.”

2.10.

Op 25 juli 2013 heeft er een vergadering plaatsgevonden tussen eiseres en gedaagde.

2.11.

Op 5 september 2013 heeft gedaagde NAf 400.000,00 aan eiseres betaald in mindering op het overeengekomen bedrag van US $ 1.000.000,00. Eiseres heeft dit doorbetaald aan [A]. Uiteindelijk is, veel later dan voorzien, het restant ook betaald door gedaagde.

2.12.

Bij brief van 27 februari 2015 heeft [A] gedaagde gesommeerd om aan haar te betalen NAf 965.000,00.

2.13.

Op 5 april 2016 heeft het Gerecht in de zaak tussen [A] als eiseres en gedaagde Sint Maarten als gedaagde een vonnis gewezen (AR 2015/47, ECLI:NL:OGEAM:2016:21). In dat vonnis zijn de vorderingen tot betaling van NAf. 965.000,00 aan hoofdsom toegewezen. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

3 Het geschil

3.1.

Na twee eiswijzigingen vordert eiseres dat het Gerecht, bij uitvoerbaar te verklaren vonnis, de volgende beslissingen neemt:

a. gedaagde te veroordelen wegens “vervallen korting” aan eiseres te betalen US $ 250.000,00;

b. primair: gedaagde te veroordelen wegens “als schade wegens gemaakte kosten als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van gedaagde” aan eiseres te betalen NAf. 359.652,00;

subsidiair: gedaagde te veroordelen tot het voldoen van de geleden schade, als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van gedaagde, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

waarbij alle bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na 13 februari 2015, althans 14 juni 2016, en 15% buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2.

Gedaagde verzoekt eiseres om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de vorderingen van eiseres af te wijzen, althans haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van eiseres in de processtukken.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De “vervallen korting” van US $ 250.000, 00

4.1.

Kort en zakelijk weergegeven voert eiseres hierover het volgende aan. Het schikkingsbedrag van $ 1.000.000 is tot stand gekomen nadat eiseres $ 250.000 is gezakt, met als voorwaarde dat het schikkingsbedrag binnen acht weken na overeenstemming zou worden betaald. Dat is echter niet gebeurd zodat gedaagde alsnog deze $ 250.000 aan eiseres moet betalen. Eiseres documenteert dit standpunt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, met enkele onderhandse verklaringen waaronder van de voormalige Minister van Financiën die betrokken was bij deze onderhandelingen.

4.2.

Door gedaagde worden de nodige argumenten aangevoerd. Zo zegt zij dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en, voor zover deze wel tot stand zijn gekomen, de afspraken daarin nietig zijn.

4.3.

Wat betreft de nietigheid geldt dat deze argumentatie van gedaagde in het vonnis van 5 april 2016 is beoordeeld door het Gerecht in de zaak tussen [A] en gedaagde. Omdat de argumentatie van gedaagde precies hetzelfde is moet het Gerecht beoordelen of tussen eiseres en gedaagde in de onderhavige procedure dit vonnis gezag van gewijsde heeft. Als dat zo is immers dan moet het Gerecht volstaan met naar dit vonnis te verwijzen. Op grond van artikel 70a Rv geldt dat eiseres zich kan beroepen op het gezag van gewijsde van dit eerdere vonnis. Daarin staat immers dat onder partijen ook wordt verstaan de rechtverkrijgenden onder bijzondere titel. Dit betekent dat het Gerecht gehouden is uit te gaan van de dragende overwegingen en beslissingen in het vonnis van 5 april 2016 waarmee is gegeven dat er geen sprake is van nietige afspraken tussen eiseres en gedaagde.

4.4.

Ook het verweer dat geen schikkingsovereenkomst tot stand is gekomen strandt vanwege het gezag van gewijsde. In het vonnis uit 2016 immers wordt uitvoerig gemotiveerd dat wel degelijk een “schikkingsovereenkomst” tussen partijen tot stand is gekomen. Daarvan moet het Gerecht dus uitgaan.

4.5.

In het vonnis uit 2016 is niet geoordeeld over de vraag of de korting van $ 250.000 al dan niet een contractuele voorwaarde is. Als er op tijd wordt betaald dan treedt de voorwaarde niet in werking, aldus eiseres. Als er niet op tijd wordt betaald dan heeft dit geen implicaties voor de hoogte van het schikkingsbedrag, aldus gedaagde. Het Gerecht overweegt dat eiseres in haar brief van 1 februari 2013 zelf spreekt van een “discount" omdat zij haar goede wil liet zien. In deze brief is geen koppeling te zien tussen het niet tijdig betalen door gedaagde en de $ 250.000 die in dat geval verschuldigd zou zijn. Evenmin heeft eiseres aangedrongen op vastlegging van deze “oneigenlijke boete” in de zin van artikel 6:91 BW. Dat lag wel in de lijn der verwachting als eiseres tijdige betaling van het schikkingsbedrag zo belangrijk had gevonden. Onder deze omstandigheden moet het Gerecht het ervoor houden dat geen sprake is van een contractuele voorwaarde, maar van een korting op het schikkingsbedrag, ongeacht de omstandigheid of gedaagde dit tijdig zou betalen of niet. Door eiseres wordt aangevoerd dat haar directeur en (onder andere) de voormalig Minister van Financiën als getuigen zouden kunnen worden gehoord. Het Gerecht gaat aan dit bewijsaanbod echter voorbij. Duidelijk is namelijk dat in de brief van eiseres van 1 februari 2013, zoals gezegd, niet de verbinding tussen tijdige betaling en de $ 250.000 wordt gelegd. Gelet op deze omstandigheid had van eiseres mogen worden verwacht dat zij uitlegt hoe het kan dat in die brief de link niet wordt gelegd en wat de getuigen over het hoe en waarom daarvan mogelijk zouden kunnen verklaren. Zij doet dit niet (en het blijkt ook niet uit de onderhandse schriftelijke verklaring van de voormalig Minister), dan wel onvoldoende, zodat zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht en dus het Gerecht niet kan toekomen aan een bewijsopdracht. De vordering onder a van eiseres wordt dus afgewezen.

“schade wegens gemaakte kosten als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van gedaagde”

4.6.

Kort en zakelijk weergegeven voert eiseres aan dat zij, vanwege de niet tijdige nakoming door gedaagde van de vaststellingsovereenkomst (te late en onvolledige betaling), alternatieve mogelijkheden heeft moeten zoeken om niet in de financiële problemen te geraken. Daarom is zij genoodzaakt geworden haar vordering aan [A] te verkopen. Zij biedt bewijs door het horen van getuigen aan van drie punten, te weten haar liquiditeitskrapte in februari 2013, het informeren van vertegenwoordigers van gedaagde daarover en de noodzaak om de vordering hierdoor te cederen. Het bedrag van NAf. 359.652,00 is de tegenprestatie die eiseres aan [A] heeft betaald als “collection premium”.

4.7.

Door gedaagde worden deze stellingen gemotiveerd bestreden.

4.8.

Het Gerecht overweegt dat eiseres schadevergoeding vordert als gevolg van de niet nakoming door gedaagde betreffende de tijdige betaling van het schikkingsbedrag. Daarop is dus artikel 6:119 BW van toepassing. Dat bepaalt immers dwingend dat, als sprake is van vertraging in de voldoening van een geldsom, de schadevergoeding bestaat uit wettelijke rente. Door partijen wordt hier in de processtukken geen aandacht aan geschonken, maar het Gerecht moet met deze wettelijke regeling natuurlijk wel rekening houden, temeer nu deze regeling dwingendrechtelijk van aard is. Ook door de Hoge Raad is in meerdere arresten vastgesteld dat schade als gevolg van de niet tijdige betaling van een afgesproken geldbedrag is beperkt tot de wettelijke rente. Zie bijvoorbeeld HR 11 februari 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA4777), HR 14 januari 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR2760) en HR 10 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:214). Reeds hierom moeten de vorderingen van eiseres op dit punt worden afgewezen.

4.9.

Omdat beide partijen op dit punt niet zijn ingegaan moet het Gerecht zich afvragen of zij niet in de gelegenheid moeten worden gesteld zich hierover uit te laten omdat anders sprake zou zijn van een zogenaamde verrassingsbeslissing. Deze afweging die het Gerecht heeft gemaakt leidt echter niet tot het oordeel dat sprake is van een verrassingsbeslissing. De vordering ziet op schadevergoeding wegens niet tijdige betaling van het overeengekomen bedrag en het Gerecht moet dus wel de dwingendrechtelijke regel van artikel 6:119 BW toepassen, zeker gelet op de wetsconforme uitleg die de Hoge Raad daaraan heeft gegeven. Het Gerecht mag verwachten dat partijen en gemachtigden deze regel kennen.

4.10.

Hiermee is gegeven dat ook de subsidiaire vordering moet worden afgewezen. Er is immers geen reden om de schade-staat vordering toe te wijzen nu duidelijk is dat eiseres niet meer toegewezen kan krijgen dan de wettelijke rente. Om deze reden hoeft het Gerecht ook niet het processuele bezwaar van gedaagde tegen de eisvermeerdering, voor zover het betreft de verwijzing naar de schadestaatprocedure, te beoordelen. Dat is niet meer nodig.

Wettelijke rente

4.11.

Bij verzoekschrift vorderde eiseres nog het resterende bedrag van $ 250.000 dat gedaagde niet tijdig had betaald. Daarna heeft zij deze eis verminderd omdat op 27 oktober 2017 hierover een vaststellingsovereenkomst is gesloten (zie akte houdende wijziging van eis van 20 februari 2018). Dit betekent dat het Gerecht ervan moet uitgaan dat over dit bedrag niet langer de wettelijke rente wordt gevorderd.

4.12.

Het (tweede) bedrag van $ 250.000 ziet op de kwestie van de korting. Daarvan is in dit vonnis geoordeeld dat dit bedrag door gedaagde niet is verschuldigd, zodat ook de wettelijke rente hierover niet kan worden gegeven.

4.13.

Ook wordt de wettelijke rente gevorderd over het bedrag van NAf. 359.652,00 aan kosten van factoring. Daarover is ook geoordeeld dat dit niet toewijsbaar is. Uit de motivering op dit punt is duidelijk geworden dat de wettelijke rente over de te late betalingen wel kan worden toegewezen.

4.14.

Echter, het Gerecht is gebonden aan de vorderingen zoals die zijn ingesteld bij het verzoekschrift en de latere akte eiswijziging (zie artikel 48b Rv). Daarin wordt enkel gevorderd de wettelijke rente over de drie specifieke bedragen en niet de wettelijke rente als gevolg van de niet nakoming door gedaagde van de schikkingsovereenkomst. Daarom kan het Gerecht niet de wettelijke rente toewijzen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.15.

Het vorenstaande brengt met zich dat de buitengerechtelijke incassokosten ook niet zijn verschuldigd. Er wordt immers geen bedrag aan hoofdsom toegewezen zodat eventuele buitengerechtelijke kosten onterecht zouden zijn gemaakt.

Proceskosten

4.16.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij moet eiseres in de proceskosten worden veroordeeld. Het Gerecht zal geen rekening kunnen houden met de $ 250.000 waarmee de vordering is verminderd omdat eiseres daarover stelt een vaststellingsovereenkomst met gedaagde te hebben gesloten, zonder uit te leggen wat dat voor repercussies voor de proceskosten moet hebben. Daarom moet het Gerecht ervan uitgaan dat de proceskosten betreffende deze deelvordering deel uitmaken van de schikkingsovereenkomst.

5 De beslissing

Het Gerecht:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde begroot op NAf. 12.000 aan salaris gemachtigde en verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is op 22 januari 2019 ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier uitgesproken.