Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:16

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
11-04-2019
Zaaknummer
SXM201800008 (AR 2018/5)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Goederenrecht. Verkrijgende of bevrijdende verjaring van strook grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201800008 (AR 2018/5)

Vonnis d.d. 5 februari 2019

inzake

1 A

2. B,

beiden wonende in Sint Maarten,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

gemachtigden: mrs. H.S. KOCKX en S.D.M. ROSEBURG,


tegen

Yvonne Elisabeth Theodora [C],

wonende in Sint Maarten,

gedaagde sub 1 in conventie,

gemachtigde: mr. C. VAN HEES,

en

[D] REAL ESTATE N.V.,

gevestigd te Aruba,

gedaagde sub 2 in conventie en eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. C. VAN HEES.

Partijen zullen hierna [AB], [C] en [D] genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het Gerecht heeft in deze zaak op 14 november 2018 een tussenvonnis gewezen, waarnaar het Gerecht verwijst.

1.2.

Op 27 november 2018 heeft een gerechtelijke plaatsopneming met aansluitend een comparitie van partijen plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gehouden.

1.3.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

D] is de pensioenvennootschap van [C].

2.2. [

AB] c.s. hebben op 13 september 2014 het perceel met meetbriefnummer ../2013 in eigendom verkregen. Het naastgelegen perceel meetbriefnummer ../1972 is sinds 13 maart 1990 eigendom van [D] en in gebruik bij [C]. Beide percelen bevinden zich aan de …… te Sint Maarten.

2.3. [

D] heeft ten behoeve van de woning die op het perceel [...]/1972 staat, een generator doen plaatsen. In de loop der jaren is er is een betonnen huisje om de generator gebouwd met een betonnen trap naar de oprit op het perceel.

2.4.

Bij brief d.d. 11 juli 2016 gericht aan de zoon van [C], hebben [AB] c.s. het volgende geschreven:

“With reference to our past discussions concerning the generator housing constructed on our property located at ….– Mbr. …/1973, we have come to no other recourse but to ask your removal of such. Reasons for this request are:

  1. Production of noise and exhaust pollution

  2. Aesthetics of dwelling to be built

  3. Foreseeable decline of rental of property due to privacy deprivation

  4. Adequate spacing available on your property for re-location

(..)”

2.5.

Bij emailbericht van 18 augustus 2016 heeft [C] als “Property owner” het verzoek van [AB] c.s. afgewezen en zich ten aanzien van het stuk grond waarop het generatorhuisje zich bevindt, beroepen op (verkrijgende) verjaring. Verder heeft [C] een schikkingsvoorstel gedaan.

2.6. [

AB] c.s. hebben het Kadaster verzocht metingen te verrichten op hun perceel. De bevindingen van het Kadaster zijn vastgelegd in een situatieschets d.d. 3 augustus 2017. Daaruit blijkt dat het generatorhuisje buiten de erfgrens van perceel [...]/1972 is gebouwd en op het perceel 46/2013 staat.

2.7.

Bij brief d.d. 5 mei 2017, bezorgd op 16 mei 2017, hebben [AB] c.s. [C] gesommeerd tot verwijdering van het generatorhuisje.

3 Het geschil

3.1. [

AB] c.s. vorderen, na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad,

“ 1. Voor rechte te verklaren dat gedaagden [C] en [D] een onrechtmatige daad hebben gepleegd door inbreuk te maken op eisers eigendomsrecht.

2. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen, waarbij voldoening door een der gedaagden de andere bevrijdt, om binnen 48 uur, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn na betekening van dit vonnis, op eigen kosten het generatorhuis, met inbegrip van eventuele verankering en alle overige bestanddelen en voorwerpen die aan hen toebehoren, van het perceel te verwijderen, zulks op straffe van het verbeuren van een dwangsom van NAF 500.= per dag of gedeelte dat gedaagden de bovenstaande verplichtingen niet of niet geheel nakomen, met een maximum van NAF 50.000.=;

3. Eisers te machtigen om, indien gedaagden niet vrijwillig aan de veroordeling onder 2 voldoet, de inbreuk van gedaagden op hun eigendomsrecht zelf te doen opheffen door het generator huis, met in begrip van eventuele verankering en alle overige bestanddelen en voorwerpen die aan gedaagden toebehoren te verwijderen, met veroordeling van gedaagden tot betaling van de daaraan verbonden kosten aan eisers, des de een betalend de ander bevrijdend;

4. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.”

3.2. [

C] en [D] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [AB] c.s. in hun vorderingen, althans afwijzing daarvan, met beslissing over de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3.3. [

D] vordert voorts:

“III. Te verklaren voor recht dat het gedeelte van 26 m2 dat zich op het perceel met meetbriefnummer [...]/2013 krachtens verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring in eigendom toebehoort aan [D];

IV. Dat het door uw Gerecht te wijzen vonnis krachtens artikel 3:17 BWA in de daartoe bestemde openbare registers kan worden ingeschreven;

V. [AB] te veroordelen in de kosten van de procedure. ”

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In de zaak tegen [C]

4.1. [

C] is niet de eigenaar van het perceel [...]/1972 en het generatorhuisje. Dit hebben [AB] c.s. reeds in hun inleidende verzoekschrift vermeld. [AB] c.s. hebben dan ook de verkeerde procespartij in rechte betrokken en zijn niet-ontvankelijk in hun vorderingen jegens [C]. Dit zal bij eindvonnis worden beslist en [AB] c.s. worden dan in de proceskosten van [C] veroordeeld

In de zaak tegen [D]

4.2. [

D] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de “wijziging van eis” van [AB] c.s. inhoudende dat de oorspronkelijk alleen tegen [C] ingestelde vorderingen tevens jegens [D] als eigenaar van het perceel [...]/1972 worden ingesteld. [D] heeft ook een reconventionele vordering tegen [AB] c.s. ingediend. Het Gerecht zal daarom hierna de vorderingen van [AB] c.s. en [D] over en weer beoordelen.

4.3.

Niet in geschil is dat, naar huidige inzichten van het kadaster, het generatorhuisje op het perceel van [AB] c.s. is gebouwd. In beginsel handelt [D] onrechtmatig jegens [AB] c.s. door inbreuk te maken op hun eigendomsrecht en dient [D] het generatorhuisje met toebehoren te verwijderen. Ten verwere heeft [D] evenwel betoogd dat zij door (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring eigenaar is geworden van de grond die zich onder het generatorhuisje bevindt.

4.4.

Op grond van art. 3:99 lid 1 BW verkrijgt de partij die de onroerende zaak tien jaar lang onafgebroken te goeder trouw heeft bezeten, het eigendomsrecht op de grond. Art. 3:105 lid 1 BW bepaalt dat degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De bepaling berust op het beginsel dat na een zeker tijdsverloop het recht zich bij de feiten dient aan te sluiten en strekt ter bevordering van de rechtszekerheid. De in art. 3:105 BW bedoelde verjaringstermijn bedraagt in beginsel twintig jaar (art. 3:306 BW). De termijn van verjaring van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt, aldus art. 3:314 lid 2 BW.

4.5.

Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (art. 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (art. 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet derhalve zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (Parl. Gesch. Boek 3, p. 434, HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743, NJ 2016/78). Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW). Nodig is dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar, tegen wie de vordering loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn, zodat deze tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen.

4.6.

Naar het oordeel van het Gerecht is voldoende komen vast te staan dat [D] de feitelijke macht over de grond onder het generatorhuisje is gaan uitoefenen, door het plaatsen van een generator en het daaromheen bouwen van een betonnen gebouw waartoe uitsluitend toegang wordt verschaft vanaf de oprit van het perceel van [D]. Niet weersproken is dat het generatorhuisje ten dienste staat van de woning op het perceel van [D] en dat alleen [D], althans de gebruiker van het perceel van [D], toegang tot het generatorhuisje heeft. [D] heeft gesteld dat zij aan de rechtsvoorgangers van [AB] c.s. het gebruik van de generator heeft aangeboden. Zij heeft zich daarmee naar het oordeel van het Gerecht gedragen als bezitter. [D] was immers degene die besliste over het gebruik van het generatorhuisje. Dat [AB] c.s. en hun rechtsvoorganger/verkoper mevrouw [E] daar geen gebruik van hebben gemaakt, doet aan het voorgaande niet af. Op grond van deze machtsuitoefening hebben [AB] c.s. althans hun rechtsvoorgangers niet anders kunnen begrijpen dan dat [D] pretendeerde rechthebbende van het generatorhuisje en de daaronder gelegen grond te zijn. De omstandigheid dat mevrouw [E] niet op de hoogte was van de inbezitneming vanwege de dichte begroeiing, doet aan het voorgaande niet af. Niet noodzakelijk is dat de rechthebbende daadwerkelijk kennis heeft genomen van de bezitsdaden, voldoende is dat deze voor hem kenbaar waren (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309).

4.7.

Het is evenwel aan [D], die zich op de verjaring van de rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand beroept, om te stellen en - bij voldoende gemotiveerde betwisting - te bewijzen wanneer de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen (zie rov. 4.4).

4.8. [

D] heeft in dit verband wel gesteld dat de generator in 1995 is geplaatst, maar heeft dat tegenover het verweer van [AB] c.s. niet voldoende onderbouwd. Evenmin heeft [D] toegelicht wanneer het betonnen huisje met trap om de generator is gebouwd. Het Gerecht zal [D] in de gelegenheid stellen alsnog schriftelijk bewijs van het voorgaande in het geding te brengen en/of een gespecificeerd aanbod voor getuigenbewijs te doen

4.9.

Het Gerecht overweegt voorts dat ingevolge het bepaalde in artikel 3:118 lid 2 BW, de aanwezigheid van goede trouw wordt verondersteld en dat het aan [AB] c.s. is om het tegendeel te bewijzen (anders dan [AB] c.s. lijken te veronderstellen). Van [AB] c.s. mag daarom worden verwacht dat zij hun stelling dat geen sprake is van goede trouw, althans dat sprake is van kwade trouw aan de zijde van [D] zowel feitelijk als juridisch deugdelijk onderbouwen. [AB] c.s. zullen daartoe eveneens in de gelegenheid worden gesteld, ook zoveel mogelijk door het overleggen van schriftelijk bewijs en/of een gespecificeerd aanbod voor getuigenbewijs te doen

4.10.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Dit leidt tot de volgende uitkomst.

5 De beslissing

Het Gerecht:

stelt [D] en [AB] c.s. in de gelegenheid gelijktijdig een akte te nemen als in rov. 4.7 en 4.8 respectievelijk 4.9 bedoeld en verwijst de zaak daarvoor naar de rol van 5 maart 2019 (P1). Partijen mogen over en weer gelijktijdig bij akte reageren, op een termijn van vier weken, eveneens P1;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 5 februari 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.