Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:143

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
24-02-2020
Zaaknummer
SXM201801223
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Detentiesituatie komt neer op een “wrede, onmenselijke of vernederende behandeling” als bedoeld in artikel 3 Staatsregeling Sint Maarten. Schending van grondrecht van de gedetineerde die blijvende gezondheidsschade heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201801223

Vonnis d.d. 29 oktober 2019

inzake

[de gedetomeerde], in zijn hoedanigheid van curator in de curatele van RAMON [DE GEDETINEERDE],

wonende in Sint Maarten,

eiser,

gemachtigde: mr. B. BROOKS,


tegen

de openbare rechtspersoon HET LAND SINT MAARTEN,

zetelende in Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.A. KRAAIJEVELD.

Eiser wordt aangeduid als de curator. De curandus als [de gedetineerde] en gedaagde als “het Land”.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties (ontvangen op 14 september 2018),

  2. conclusie van antwoord met producties,

  3. conclusie van repliek tevens eisvermeerdering met producties,

  4. conclusie van dupliek.

1.2.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van dit Gerecht van 26 april 2017 is de curatele over [de gedetineerde] uitgesproken en is de curator als zodanig benoemd. [de gedetineerde] heeft een minderjarige zoon waarvoor hij onderhoudsplichtig is.

2.2.

Onderdeel van het Land is de Pointe Blanche gevangenis (hierna: de gevangenis). In 2017 was [de gedetineerde] (geboren op 14 februari 1991) hier gedetineerd. Hij verbleef op de zwaar bewaakte afdeling.

2.3.

Uit een krantenbericht van 31 januari 2017 over een doorzoeking door de politie, met ondersteuning van mariniers, in de gevangenis: “(…) The search started at approximately 07.30 a.m. and lasted until 05.00 p.m. During the intense search numerous cellular phones, self-made weapons, drugs and a firearm were found. The weapon was confiscated and a further investigation is on the way to determine as to how this weapon got into the prison. (…)”

2.4.

Op 14 februari 2017 is [de gedetineerde] in de gevangenis aangevallen door een mede-gedetineerde; [de medegedetineerde]. [de gedetineerde] heeft hierdoor zwaar en blijvend letsel opgelopen. Uit de strafrechtelijke aangifte van [de gedetineerde] van 21 augustus 2017 tegen [de mede-gedetineerde] (wegens poging moord en mishandeling) blijkt van het volgende. In de ochtenduren was een andere gedetineerde, ……, bezig het haar van [de gedetineerde] te vlechten (“platting my hair”). [de gedetineerde] werd in zijn rug aangevallen door [de mede-gedetineerde] zonder enige aanleiding en volkomen onverwacht. Hij stak [de gedetineerde] meerdere malen met een steekwapen (ijspriem of dolk); ook in zijn hoofd. Een andere gedetineerde kwam tussen beiden waarna [de mede-gedetineerde] stopte.

2.5.

Na eerste behandeling in het Sint Maartense ziekenhuis is [de gedetineerde] uitgevlogen naar Santo Domingo voor specialistische behandeling. Hij werd daar bewaakt door een bewapende Sint Maartense politieagent. Tijdens een groot deel van de behandeling en het verblijf in dat ziekenhuis moest hij handboeien dragen. Deze politieagent is een ambtenaar van het Land.

2.6.

De samenvatting van het door toedoen van [de mede-gedetineerde] opgelopen letsel uit een medische rapportage van 25 april 2018:

“Traumatic subarachnoid hemorrhage 14 February 2017, pneumatization brain tissue, subdural hematoma, bleeding brainstem, bleeding sinus and nose. Infratentorial hydrocephalus for which treatment with ventricular peritoneal drainage. Left sides weakness and ataxia right side. Balance dysfunction. Cognitive dysfunction, limited education.”

2.7.

Door diverse instanties zijn in de loop van de jaren rapporten geschreven over de gevangenis. Door die rapporten staat vast dat de gevangenis bij lange na niet voldoet aan de eisen die aan een penitentiaire inrichting mogen worden gesteld. Op vrijwel alle gebieden scoort de gevangenis onvoldoende. Dat blijkt uit vele rapporten door de jaren heen van de Raad voor de Rechtshandhaving. Zo schrijft de Raad voor de Rechtshandhaving (ingesteld bij de Rijkswet van 7 juli 2010) in zijn rapport van april 2017 onder andere:

“De Raad is genoodzaakt te concluderen dat het ernstig is gesteld met de algehele interne veiligheid binnen de gevangenis. Dit geldt op het gebied van zowel de preventie en beheersing van calamiteiten als op de gebieden agressiebeheersing en drugsontmoediging, waarbij bij het laatstgenoemde nog wel enige actie wordt ondernomen. De combinatie van gebrek aan visie en beleid, niet werkend materieel, onvoorbereid en tekort aan werkzaam en toezichthoudend personeel, de aanwezigheid van onder meer (zelfgemaakte) (vuur)wapens en niet structurele inzet van het middel cel inspecties zorgt voor een gespannen en onhoudbare situatie binnen de gevangenis en is van directe invloed op de veiligheid van een ieder die zich binnen de gevangenismuren bevindt. Op het moment kan de veiligheid van bezoekers, personeel en gedetineerden niet gegarandeerd worden, wat volgens de Raad een onhoudbare en kwetsbare situatie is. De Raad vreest voor ernstige incidenten met onomkeerbare gevolgen en benadrukt dat deze situatie niet langer kan en mag voortduren. De Raad spoort de daarvoor verantwoordelijken dan ook aan om de handen ineens te slaan en ervoor te zorgen dat de veiligheid in de gevangenis van Sint Maarten op de kortst mogelijke termijn naar een acceptabel niveau getild wordt. De Raad kijkt uit naar de resultaten daarvan.”

2.8.

In 2014 werd een gedetineerde in de gevangenis gestoken en ernstig verwond. Op 31 augustus 2016 werd een andere gedetineerde door een mede-gedetineerde doodgeschoten in de gevangenis.

2.9.

Uit een rapport van de gevangenis van 20 maart 2016 blijkt dat [de gedetineerde] op die dag, samen met [de mede-gedetineerde] en de gedetineerde Jansell, een andere gedetineerde, genaamd ……, heeft aangevallen. Twee aanvallers gebruikten hun blote handen, “... while inmate J… [de gedetineerde] used a long black piece of metal to smash inmate ….’s head” In een andere rapportage van dezelfde dag wordt het wapen aangeduid als een “grote nagemaakte hakmes”.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de volgende beslissingen neemt:

  1. voor recht te verklaren dat het Land jegens [de gedetineerde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd,

  2. voor recht te verklaren dat het Land aansprakelijk is voor de door [de gedetineerde] geleden schade als gevolg van de steekpartij,

  3. het Land te veroordelen aan de curator te betalen de door [de gedetineerde] geleden schade naar redelijkheid en billijkheid en nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  4. het Land te veroordelen tot betaling van een voorschot van NAf. 250.000,00,

  5. het Land te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Het Land verzoekt het Gerecht om de curator in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze aan hem te ontzeggen, met veroordeling van de curator in de proceskosten.

3.3.

Op de argumenten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bezwaar tegen de eisvermeerdering

4.1.

Door het Land wordt bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. In plaats van alleen een verklaring voor recht zoals vermeld onder a van 3.1. wordt nu ook de verklaring van recht onder b toegevoegd. Niet wordt uitgelegd waarom dat nodig is zodat de curator daarbij onvoldoende belang heeft.

4.2.

Het Gerecht overweegt dat er wèl enige uitleg wordt gegeven door de curator. Met de vordering onder b. beoogt de curator het causale verband en de toerekenbaarheid van de onrechtmatigheid aan het Land in een verklaring voor recht te laten vastleggen. Dat is toegestaan. Nu het om hetzelfde feitencomplex en dezelfde juridische argumenten gaat wordt geoordeeld dat het Land in zijn verdediging niet kan zijn geschaad zodat het bezwaar tegen de eisvermeerdering geen doel treft.

Twee schadefeiten

4.3.

Uit de processtukken namens de curator wordt duidelijk dat er schade wordt gevorderd wegens twee schade toebrengende feiten. Veruit het belangrijkste is de steekpartij in de gevangenis (en daar ziet de verklaring voor recht onder b. met name op). Het andere feit gaat erom dat [de gedetineerde] tijdens zijn (langdurige) verblijf in het ziekenhuis handboeien om had die te strak zaten. Bovendien was het omdoen van de handboeien niet nodig omdat hij door het opgelopen letsel toch aan zijn ziekenhuisbed was gekluisterd. Hierdoor heeft hij onnodig geleden en is er extra gezondheidsschade veroorzaakt. Het Gerecht gaat eerst in op de steekpartij.

De argumentatie van partijen

4.4.

Kort en zakelijk weergegeven voert de curator het volgende aan. Het Land heeft jarenlang stilgezeten en heeft nagelaten de nodige maatregelen op het gebied van de veiligheid van de gevangenis te nemen. Ondanks rapporten en rechtszaken verbetert de situatie in de gevangenis niet. Sinds 10/10/10 is er een groot tekort aan personeel in de gevangenis. Ten onrechte wordt er niet gefouilleerd voordat gedetineerden tot de gemeenschappelijke ruimte worden toegelaten. Het zou heel goed kunnen zijn dat het steekwapen in de gevangenis van loszittende bouwmaterialen is gemaakt. Door dit alles heeft het Land een gevaarzettende situatie gecreëerd. Hierdoor kon de steekpartij plaatsvinden. Naar aanleiding van het verweer van het Land stelt de curator dat wel degelijk het grondrecht op leven is geschonden; er is immers sprake van een poging tot moord in een gevangenis. Zie ook artikel 6 Staatsregeling waarin de onaantastbaarheid van een ieders lichaam is gewaarborgd. De curator stelt dat sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad.

4.5.

Kort en zakelijk weergegeven verweert het Land zich als volgt. In een gevangenis dient sprake te zijn van minimale beperking. Gedetineerden mogen niet aan meer beperkingen worden onderworpen dan nodig is voor hun detentie. Daarom kan er geen sprake zijn van een verplichting tot afscheiding van gedetineerden. Als er redenen zouden zijn om aan te nemen dat [de mede-gedetineerde] [de gedetineerde] naar het leven zou staan dan zou de directie daarop actie hebben ondernomen, maar gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. Integendeel zelfs, uit zijn aangifte blijkt dat [de gedetineerde] [de mede-gedetineerde] als een vriend beschouwde en ook voor hem de aanval volkomen onverwacht was. Zie ook het incident uit 2016 waaruit blijkt dat [de gedetineerde] en [de mede-gedetineerde], met een andere gedetineerde, gezamenlijk een ander aanvielen. Niet vergeten moet worden dat de Sint Maartense gevangenis niet kan worden vergeleken met Nederlandse penitentiaire inrichtingen waar meerdere veiligheidsregimes gelden. In de gevangenis zijn er maar vier regimes waardoor afsplitsing niet goed mogelijk is, mede door de verschillende conflicten tussen bendes. Er was geen aanwijzing dat [de gedetineerde] in het algemeen gevaar liep en evenmin dat [de mede-gedetineerde] hem naar het leven stond. Dat is al voldoende om de vordering van de curator af te wijzen. Vanwege de eerdere gewelddadige incidenten was het gerechtvaardigd om [de gedetineerde] (en overigens ook [de mede-gedetineerde]) te plaatsen onder het zwaarst mogelijke veiligheidsregime. Er is geen aanwijzing dat er een wapen naar binnen is gesmokkeld. Het Land erkent dat de situatie in de gevangenis zeer te wensen overlaat maar dit steekincident had in elke gevangenis kunnen gebeuren. Er is geen causaal verband tussen de onvolkomenheden van de gevangenis en de schade van [de gedetineerde]. Tot slot geldt dat [de gedetineerde] in het ziekenhuis de MRSA bacterie heeft opgelopen. Zijn gezondheidsschade is hierdoor verergerd maar daar is het Land dus niet voor aansprakelijk. Bij dupliek voert het Land aan dat de curator eigenlijk niet meer aanvoert dan dat het Land een onrechtmatige daad pleegt door gedetineerden onder te brengen in de gevangenis. Het Land nam de nodige maatregelen om de veiligheid te bevorderen; zie de doorzoekingen van de cellen. Het Land betwist dat dat het steekwapen uit de wapening van het beton van de gevangenis afkomstig is.

De inhoudelijke beoordeling

4.6.

Door het Land is opgemerkt dat deze zaak onder de reikwijde van artikel 2 EVRM valt. Echter, het Gerecht moet aandacht geven aan artikel 3 van de Staatsregeling (“Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing”). Blijkens de Memorie van Toelichting op de Staatsregeling is dit artikel vooral opgenomen in de Staatsregeling omdat uit rapporten bleek dat het met de gevangenissen in de voormalige Antillen slecht was gesteld. Dit artikel heeft als bestaansrecht ervoor te zorgen dat het Land ingescherpt krijgt dat dit grondrecht van gedetineerden niet mag worden geschonden. Het geeft gedetineerden het recht om het Land aan te spreken op een dergelijke schending. Dit grondwettelijk vastgestelde grondrecht is dus de norm waaraan het Gerecht het optreden van het Land primair moet toetsen. Deze norm is van belang om vast te stellen of het Land onrechtmatig jegens [de gedetineerde] heeft gehandeld.

4.7.

Door een overheidsorgaan, te weten de Raad voor de Rechtshandhaving, is vastgesteld dat de gevangenis voor gedetineerden gevaarlijk is (zie 2.7. van dit vonnis). Die onveilige situatie erkent het Land ook met zoveel woorden. Dus moet het Gerecht beoordelen of deze onveilige penitentiaire situatie jegens [de gedetineerde] als gedetineerde een schending van artikel 3 Staatsregeling oplevert.

4.8.

Het Gerecht overweegt dat het hebben en onderhouden van een gevangenis een basisverplichting voor het Land is die voortvloeit uit zijn eigen regelgeving, te weten artikel 30 van de Staatsregeling en de Landsverordening Beginselen Gevangeniswezen. Dit artikel 30 waarborgt dat gedetineerden moeten worden behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid, inherent aan de menselijke persoon. Daarvoor moeten voldoende geld, personeel en middelen worden vrijgemaakt. Op het Land rust dus de verplichting om een veilige gevangenis neer te zetten en te handhaven. Duidelijk is echter dat het Land dit niet voor elkaar heeft gekregen en de onder de vaststaande feiten opgesomde incidenten maken dat overduidelijk. Er is sprake van een patroon van geweld in de gevangenis dat slachtoffers blijft maken. Daarmee is de schending van artikel 3 Staatsregeling gegeven.

4.9.

De gedetineerden in de Point Blanche gevangenis leven onder gevaarlijke omstandigheden en het Land weet dat al vele jaren maar slaagt er niet in dat ten goede te keren. Daarmee heeft het Land een situatie in het leven geroepen die neerkomt op een wrede en onmenselijke bestraffing. Hierdoor schiet het Land tekort in zijn zorgplicht jegens gedetineerden die na een rechterlijke beslissing worden ondergebracht in de gevangenis. Dat is onrechtmatig jegens [de gedetineerde].

4.10.

Het Gerecht is zich ervan bewust dat het met dit oordeel in zekere mate abstraheert van de feiten en omstandigheden rondom de aanval door [de mede-gedetineerde] op [de gedetineerde]. Het Gerecht vindt het niet zo belangrijk of het steekwapen een dolk is of een stuk ijzer uit de betonwapening. Relevanter is dat [de mede-gedetineerde] daarover de beschikking had en dit als aanvalswapen gebruikte zonder dat de gevangenis dit wist te voorkomen, ondanks de doorzoeking die twee weken daarvoor had plaatsgevonden. Het argument van het Land dat gedetineerden zo min mogelijk beperkingen in de gevangenis moeten ondervinden gaat niet op. Er is sprake van een patroon van geweld zodat er voor het Land juist aanleiding was om gedetineerden wel te scheiden van elkaar en regelmatig te fouilleren. Voorts geldt dat het wellicht mogelijk is dat in elke gevangenis een dergelijk incident zich kan voordoen, zoals het Land stelt, maar tegen de achtergrond van het geweldspatroon en de vele rapporten over de onveiligheid van de gevangenis gaat dit argument niet op. Verder is aan het Land zonder meer te verwijten dat het alle rapporten van de Raad voor de Rechtshandhaving jarenlang categorisch in de wind heeft geslagen en geen structurele verbeteringen in de gevangenis heeft doorgevoerd. Het argument van het Land dat de gevangenis niet te vergelijken is met Nederlandse penitentiaire inrichtingen overtuigt evenmin. Dat is immers geen reden om niet op te treden tegen het patroon van grof geweld onder de gedetineerden in de gevangenis. Tot slot geldt dat de omstandigheid dat [de gedetineerde] zelf een keer een aanval op een andere gedetineerde heeft uitgevoerd evenmin afdoet aan de aansprakelijkheid van het Land. Een dergelijke aanval maakt onderdeel uit van het hiervoor genoemde geweldspatroon en de structurele onveiligheid in de gevangenis.

4.11.

Het Gerecht oordeelt dan ook dat het Land jegens [de gedetineerde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat het voor de schade als gevolg van de steekpartij aansprakelijk is. Daarmee is niet gelijk gezegd dat het Land de volledige schade van [de gedetineerde] als gevolg van de steekpartij moet vergoeden. Het Gerecht zal de zaak verwijzen naar de schadestaat procedure waarin partijen alle mogelijke argumenten op grond van artikel 6:95 e.v. BW aan de rechter kunnen voorleggen. Dat geldt ook voor de kwestie van de door [de gedetineerde] in het ziekenhuis kennelijk opgelopen MRSA bacterie. Daarover onthoudt het Gerecht zich nu van enig oordeel.

4.12.

Omdat het duidelijk is dat [de gedetineerde] flinke immateriële en materiële schade heeft ondervonden door de steekpartij is het gewenst dat aan hem een voorschot onder algemene titel wordt toegekend. Het Gerecht ziet aanleiding dit voorschot naar redelijkheid te begroten op NAf. 100.000,00 en zal het Land tot betaling daarvan veroordelen.

Het aanlaten van de handboeien tijdens het ziekenhuisverblijf

4.13.

Kort en zakelijk weergegeven voert [de gedetineerde] aan dat vanaf 15 februari 2017 tot 21 maart 2017 hij in zijn ziekbed de handboeien om had. Dat was onnodig omdat hij verlamd was en nergens heen kon. Het leidde tot frustratie bij hem en bij zijn moeder die hem al die tijd bijstond. Uiteindelijk zijn op verzoek van de artsen de handboeien verwijderd. Door de handboeien is de genezing belemmerd en heeft hij onnodige pijn ondervonden. Foto’s van de inkepingen die de handboeien in zijn polsen hebben gemaakt zijn door de curator overgelegd.

4.14.

Kort en zakelijk weergegeven voert het Land bij antwoord aan dat er geen bewijs is van het onrechtmatige boeien. Subsidiair stelt het Land dat de te strakke handboeien niet in causaal verband staan tot “het ernstige lichamelijke letsel”. Bij repliek wordt aangevoerd dat, meer subsidiair, het Gerecht de immateriële schade maar moet begroten want: “Het Land heeft er belang bij om van deze procedure af te zijn.”(alinea 18). Er is geen reden om deze deelvordering te verwijzen naar de schadestaat procedure.

4.15.

Het Gerecht overweegt dat niet dan wel onvoldoende is weersproken dat het handhaven van de handboeien niet nodig was. [de gedetineerde] was immers verlamd en er was dus geen sprake van ontsnappingsgevaar. Duidelijk is ook dat de handboeien gedurende langer dan een maand zijn gebruikt. Uit de foto’s blijkt duidelijk dat er hierdoor wonden zijn ontstaan. Evident is dan ook dat [de gedetineerde] onnodig pijn heeft geleden gedurende langere tijd zonder enige noodzaak. Dat is onrechtmatig van het Land. Onvoldoende is komen vast te staan dat hierdoor blijvende gezondheidsschade is ontstaan. Het Gerecht vindt deze gang van zaken voldoende ernstig om een bedrag aan smartengeld vast te stellen. Dat bedrag wordt vastgesteld op NAf 180,00 per dag. Dat komt dus neer op NAf. 6.120,00, te vermeerderen met de wettelijke rente indien dit niet binnen 14 dagen na heden aan de curator is uitbetaald.

Proceskosten

4.16.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij moet het Land in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht:

verklaart voor recht dat het Land aansprakelijk is voor de door [de gedetineerde] geleden schade als gevolg van de steekpartij op grond van onrechtmatige overheidsdaad,

veroordeelt het Land om aan de curator te betalen de door [de gedetineerde] als gevolg van de steekpartij ondervonden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen op grond van de wet,

veroordeelt het Land om aan de curator als voorschot onder algemene titel te betalen NAf. 100.000,00 betreffende de steekpartij,

veroordeelt het Land om aan de curator te betalen NAf. 6.120,00 aan smartengeld voor het onnodige gebruik van de handboeien, met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na heden tot de dag van algehele voldoening,

veroordeelt het Land in de proceskosten, aan de zijde van de curator begroot op nihil aan griffierechten, NAf. 240,50 aan oproepingkosten en op NAf. 6.000,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 29 oktober 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.