Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:140

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
SXM201400019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Afwikkeling van verblijvensbeding na overlijden van de samenwoners.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2020/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201400019

Vonnis d.d. 15 oktober 2019

inzake

[de gezamenlijke erfgenamen van A]

wonende in Nederland en in Sint Maarten,

eisers in conventie,

gedaagden in reconventie,

gemachtigde: de heer E.I. Maduro

tegen

[B] (tijdens de procedure overleden), waarvan de erfgenamen zijn:

[…],

wonende in Nederland en in Sint Maarten,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. R.A. GROENEVELDT.

1 Het procesverloop

1.1.

Na het tussenvonnis van 6 oktober 2015 hebben de volgende proceshandelingen plaatsgevonden:

  • -

    akte van 4 september 2018 met producties van gedaagde,

  • -

    akte van 27 november 2018 met producties van gedaagde,

  • -

    vonnis van 14 februari 2019 waarin een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    comparitie van partijen 14 maart 2019,

  • -

    akte van eisers,

  • -

    akte van gedaagde,

  • -

    comparitie van partijen van 29 augustus 2019.

1.2.

De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd op de comparities.

1.3.

Aan het einde van de comparitie heeft de rechter gezegd dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2 De beoordeling van de ontvankelijkheid

2.1.

In het tussenvonnis van 6 oktober 2015 heeft het Gerecht aan partijen in overweging gegeven zekerheid te verkrijgen of alle belanghebbenden bij de vorderingen, die deels zien op een boedelverdeling, in deze procedure zijn betrokken.

2.2.

De heer [aa], die niet in deze procedure is betrokken maar wel erfgenaam is, heeft een schriftelijke verklaring opgesteld waarin is vermeld dat hij de nalatenschap verwerpt. Ook schrijft hij dat hij met deze procedure niets te maken wil hebben. Dat is voor partijen en ook voor het Gerecht voldoende om vast te stellen dat [aa] in voldoende mate is geïnformeerd over deze procedure en dus niet hoeft te worden opgeroepen als partij. Naar partijen mededelen heeft [aa] kinderen. Partijen verwezen eenstemmig naar artikel 4:874 BW (oud) dat hier van toepassing is. Daarin staat dat niemand voor een levende persoon bij plaatsvervulling kan optreden. Het Gerecht heeft geen reden aan te nemen dat dit artikel hier niet van toepassing is en zal daar dus van uitgaan.

2.3.

Er was ook twijfel of [aaa] wel echt door de heer Maduro werd vertegenwoordigd. Op de eerste comparitie werd afgesproken dat hem zou worden gevraagd dat per e-mail te bevestigen. Dat bleek niet te zijn gedaan. Artikel 52 lid 3 Advocatenlandsverordening schrijft voor dat de rechter een volmacht niet mag verlangen. Dat betekent dat het Gerecht ervan uit moet gaan dat [aaa] aan de heer Maduro heeft verzocht om als zijn procesgemachtigde op te treden.

2.4.

Op 1 mei 2017 is gedaagde overleden. Zij heeft drie erfgenamen, te weten [….]. Deze erfgenamen hebben via mr. Groenevelt te kennen gegeven de procedure te willen voortzetten.

2.5.

Voor het Gerecht staat hiermee vast dat alle belanghebbenden deel uitmaken van de procedure. Dat betekent dat het Gerecht nu toekomt aan de inhoudelijke beoordeling.

3 Het geschil

3.1.

In conventie wordt gevorderd dat het Gerecht, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de volgende beslissingen neemt:

  1. Voor recht te verklaren dat eisers de enige erfgenamen zijn van wijlen [A], die op St. Maarten op 30 maart 2014 is overleden en derhalve ook de enigen zijn aan wie zijn nalatenschap toekomt cq de enige rechthebbenden van diens nalatenschap zijn.

  2. Voor recht te verklaren dat eisers voor de onverdeelde helft eigenaren zijn van het onder 2 (moet zijn: 4, GEA), dezer beschreven onroerend goed;

  3. Voor recht te verklaren dat (moet zijn: gedaagde, GEA) door zijn (moet zijn: haar, GEA) helft van de hypotheekschuld niet te betalen zich schuldig heeft gemaakt aan wanprestatie en aan eiseres de helft van hetgeen hun erflater aan hypotheekschuld heeft voldaan, aan eisers verschuldigd is,

  4. De tussen wijlen [A] sedert 15 mei 1998 en thans tussen eisers bestaande vrije gemeenschap van (mede)eigendom van het perceel grond groot 415 m2 en daarop gebouwde woonhuis, gelegen op St. Maarten aan de …. te Retreat Estate in het district van Cul-de-Sac, nader beschreven in meetbrief no. … van 1998, te ontbinden;

  5. Te bepalen dat:

1. Het gehele recht van eigendom van het onder 1 (moet zijn: d, GEA) van het petitum beschreven onroerend goed aan eisers in eigendom toebehoort, althans toe te scheiden;

2. het door gedaagde aan eiseres verschuldigde bedrag, deel van het hypothecaire geldlening, in mindering wordt (zal worden) gebracht op gedaagdes eigendomsdeel (voor de waarde van US$ 108.750,-) in genoemd onroerend goed;

3. dat in geval er sprake is of zal zijn, degene die overbedeeld is, de ander zal dienen te vergoeden.

Gedaagde zal veroordelen in de kosten van deze procedure, de Griffierecht inbegrepen.”

3.2.

In reconventie wordt gevorderd dat het Gerecht, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis als volgt wordt beslist:

“gedaagden zijnde de rechtsgeldige erfgenamen van wijlen [A], te veroordelen om medewerking te verlenen aan de juridische levering aan [B] van de helft van het onroerend goed gelegen in het district Cul-de-Sac, te Retreat Estate aan de …., nog staande op naam van de overleden [A], met benoeming van een onzijdig persoon om eisers te vertegenwoordigen bij de juridische overdracht, voor het geval dat eisers na betekening van het in deze te wijzen vonnis alsnog weigeren gevolg te geven aan de inhoud van het vonnis, dan wel bij de aangewezen notaris te verschijnen doch alsnog weigeren hun medewerking te verlenen; kosten rechtens.”

3.3.

Ieder van partijen verzoekt het Gerecht om de vordering van de andere partij af te wijzen, met veroordeling in de proceskosten.

4 De feiten

4.1. [

A], is op 30 maart 2014 overleden. Op 1 mei 2017 is [B], overleden.

4.2.

Op naam van beide overledenen staat sinds 26 mei 1998, ieder voor de onverdeelde helft, de eigendom van de onroerende zaak (SXM CDS …..), met het onder 3 van dit vonnis vermelde adres, in het kadaster ingeschreven Uit het kadastraal uittreksel blijkt dat op deze onroerende zaak een hypotheekrecht is gevestigd ten gunste van de Centrale Hypotheek Bank N.V. Dit hypotheekrecht is door hen beiden aan de bank gegeven.

4.3.

Met betrekking tot deze onroerende zaak is door [A] een opstalverzekering afgesloten. [A] heeft de hypotheekbank gemachtigd om de verschuldigde betalingen van zijn rekening af te schrijven.

4.4.

Op 11 juni 1997 is tussen [A] en [B] een notariële akte verleden. Dit betreft een samenlevingsovereenkomst.

4.5.

In de considerans staat: “De komparanten verklaarden dat tussen hen een zeer relatie (GEA: sec!) bestaat in het kader waarvan zij met elkander sinds negentienhonderd acht en tachtig (GEA: 1988), samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren en dat zij de vermogensrechtelijke gevolgen van de tussen hen bestaande relatie willen regelen als volgt: (…)

Artikel 10:

  1. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning in onverdeelde mede-eigendom wordt verkregen en de contraprestatie voor meer dan het breukdeel dat correspondeert met het deel waarvoor hij of zij gerechtigd is in het goed uit het vermogen van deze partij afkomstig is, ontstaat voor het meerdere een vordering op de andere partij, welke vordering eerst opeisbaar is bij vervreemding van de woning of zoveel eerder als de samenleving wordt beëindigd. De vordering zal geen rente dragen.

  2. Indien ter financiering van de woning een geldlening wordt aangegaan, wordt de rente, voor zover deze het voordeel verbonden aan de fiscale aftrekbaarheid te boven gaat, gerekend te behoren tot de kosten van de huishouding.

Artikel 16:

  1. In geval een der partijen komt te overlijden verblijven alle gemeenschappelijke goederen, met uitzondering van die welke door erfopvolging of schenking zijn verkregen, aan de langstlevende van hen zonder dat deze deswege tot enige vergoeding is gehouden. Dit beding wordt gemaakt ter voldoening aan een dringende verplichting (over en weer) van moraal en fatsoen.

  2. Partijen verlenen elkaar over en weer een recht van overneming ten aanzien van de door hen ten tijde van het overlijden gezamenlijk bewoonde woning, voor het geval deze op het moment van overlijden tot het privé-vermogen van een der partijen behoort. Het recht vervalt indien het niet is uitgeoefend binnen zes maanden na het overlijden; gedurende die periode bestaat een woonrecht als bedoeld in artikel 14 (…) Het recht van overneming geldt niet indien de samenleving voor het overlijden reeds was verbroken.”

5 De standpunten van partijen

5.1.

Kort en zakelijk weergegeven motiveren eisers in conventie/verweerders in reconventie, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, hun vorderingen en verweren als volgt. Zij stellen dat [B] nooit haar deel van de verschuldigde hypotheek- en verzekeringspenningen heeft betaald. Van de hypothecaire betalingen wordt een uitgebreid overzicht overgelegd. Alleen [A] heeft die betaald. Gedaagden zijn de helft daarvan dus nog aan de boedel van [A] verschuldigd. Gevraagd om dit te regelen heeft [B] in 2014 gezegd dat de woning op grond van de samenlevingsovereenkomst haar eigendom is. Volgens eisers hebben [A]en [B] echter nooit samengewoond en dus geen uitvoering gegeven aan de samenlevingsovereenkomst. Zij heeft op een ander adres op Sint Maarten en ook voor lange tijd in Nederland gewoond. Dus is er nooit een gezamenlijke huishouding geweest. De laatste 10 jaar van zijn leven had [A] een intieme relatie met een andere vrouw. De woning is in 2011 getaxeerd op USD 217.500,00. Bij repliek in conventie worden enkele getuigenverklaringen in het geding gebracht waaruit volgt dat [A] en [B] nooit hebben samengewoond. Eisers in conventie doen een beroep op de laatste volzin van artikel 16 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst. Wat betreft de door gedaagden in conventie aangevoerde betalingen uit 2012 en 2013 geldt dat deze betalingen betrekking hebben op de kleinzoon van [B] die [A] graag mocht.

5.2.

Kort en zakelijk weergegeven motiveren gedaagden in conventie/eisers in reconventie, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, hun vorderingen en verweren als volgt. [B] heeft wel haar gedeelte van de hypotheekpenningen betaald. [B] en [A] hebben de woning gezamenlijk gebouwd. Er is geen sprake van een schuld van [B] aan [A]. De woning valt niet in de nalatenschap van [A], zoals eisers in conventie kennelijk denken. Op grond artikel 16 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst is deze toegescheiden aan [B]. [B] en [A] hebben wel degelijk samengewoond. Zie de considerans van de samenlevingsovereenkomst. Overigens is het inderdaad zo dat eisers in conventie de enige erfgenamen van [A] zijn. Bij dupliek in conventie wordt aangevoerd dat in 2012 en 2013 door [A] regelmatig geld is overgemaakt aan [B] om te illustreren dat er toen nog een affectieve band was. De samenlevingsovereenkomst zet geen sanctie op het niet samenwonen op hetzelfde adres en op het niet betalen van de helft van de hypotheekpenningen. Eisers in conventie moeten aantonen dat er niet is samengewoond en dat [B] niet heeft meebetaald aan de hypothecaire lasten. Niet lid 2 maar lid 1 van artikel 16 is van belang. De getuigenverklaringen zijn subjectief en stroken niet met de feiten.

6 De beoordeling

6.1.

Het Gerecht zal eerst ingaan op vordering sub a in conventie. Gelet op hetgeen hiervoor over de ontvankelijkheid is overwogen geldt dat voor recht kan worden verklaard dat eisers de enige erfgenamen zijn van [A]. Gedaagden in conventie merken hierover op dat zij dit niet betwisten zodat eisers in conventie bij deze vordering geen belang hebben. Het Gerecht ziet echter geen bezwaar in toewijzing van deze vordering. Daarbij plaatst het Gerecht de kanttekening dat deze vaststelling uitsluitend geldt tussen de bij dit vonnis betrokken partijen.

6.2.

De overige vorderingen hebben te maken met de kwestie van het verblijvensbeding. Daarover wordt het volgende overwogen. Door eisers in conventie wordt geen beroep gedaan op enig wilsgebrek aan de kant van [A] zodat sprake is van een rechtsgeldig tot stand gekomen samenlevingsovereenkomst. Ook artikel 16 (het verblijvensbeding) is dus van toepassing.

6.3.

Door eisers in conventie wordt een beroep gedaan op (de laatste volzin van) artikel 16 lid 2. Overwogen wordt dat dit beroep niet opgaat omdat in lid 2 wordt gesproken over de gezamenlijk bewoonde woning die tot het privé-vermogen van een van de partijen behoort. Daarvan is echter geen sprake; beide partijen zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning. Verder geldt dat eisers in conventie zelf stellen dat van een samenwoning nooit sprake is geweest. De noodzakelijke voorwaarde in dit artikel is dus niet vervuld, zodat eisers in conventie daarop geen beroep kunnen doen.

6.4.

Daarom moet het Gerecht beoordelen of de vorderingen van eisers in conventie kunnen worden gebaseerd op artikel 16 lid 1 omdat het Gerecht de argumentatie van hen ook zo interpreteert dat daarop een beroep wordt gedaan. Gelet op de verweren van gedaagden in conventie is duidelijk dat zij dit ook zo hebben begrepen zodat zij niet in hun verdediging zijn geschaad.

6.5.

Artikel 16 lid 1 is helder. Als een van partijen vooroverlijdt dan is de andere partij gerechtigd tot de gemeenschappelijke goederen zonder dat enige vergoeding daarvoor is verschuldigd. Dit betekent in principe dat [B] als langstlevende dus eigenaar is geworden van de woning zonder dat zij daarvoor aan eisers in conventie, als erfgenamen van [A], een vergoeding hoeft te betalen. Voor zover gedaagden in conventie stellen dat [B] wanprestatie heeft gepleegd door niet samen te wonen overweegt het Gerecht dat dit niet opgaat. Ook hier geldt immers dat eisers in conventie stellen dat [B] en [A] nooit hebben samengewoond maar dat beiden daarvan kennelijk nooit een punt hebben gemaakt. Omdat de samenlevingsovereenkomst in 1997 is ondertekend en [A] in 2014 is overleden wordt overwogen dat eisers in conventie gehouden zijn aan de positie die [A] ten opzichte van [B] heeft ingenomen; er is nooit samengewoond, wel een woning op beider naam gekocht, een gezamenlijke hypotheek afgesloten, en altijd heeft de samenlevingsovereenkomst voortbestaan. Mogelijk waren er bij [A] en [B] andere, niet op de gedachte van samenleving gebaseerde, overwegingen om de samenlevingsovereenkomst aan te gaan en zich zo ten opzichte van elkaar te gedragen. In de processtukken wordt daarover geen inzicht gegeven.

6.6.

Het Gerecht is het eens met eisers in conventie dat is komen vast te staan dat het altijd [A] is geweest die de hypotheek- en verzekeringspenningen heeft betaald. Dat heeft hij ruimschoots aangetoond door de overgelegde financiële bescheiden waartegenover gedaagden in conventie alleen zeggen dat ook [B] heeft betaald. Daarmee hebben zij echter onvoldoende voldaan aan hun stelplicht. Dat doet echter niet af aan het in de vorige alinea overwogene.

6.7.

Het Gerecht onderzoekt of de samenlevingsovereenkomst andere aanknopingspunten heeft voor een verrekening en komt uit op artikel 10 lid 1, zoals onder de vaststaande feiten weergegeven. Dat artikel kan echter niet worden toegepast omdat de mogelijke vordering van [A] wegens de door hem betaalde hypotheek- en verzekeringspenningen eerst opeisbaar is bij vervreemding van de woning. Duidelijk is dat de woning niet is overgedragen aan een ander. De andere mogelijkheid “zoveel eerder als de samenleving wordt beëindigd” gaat, tegen de achtergrond van hetgeen onder 6.6. is overwogen, niet op.

6.8.

Dit betekent dat de vorderingen c, d en e in conventie worden afgewezen. [B] geldt krachtens het verblijvensbeding als eigenaar van de gehele woning en hoeft daarvoor geen vergoeding aan eisers in conventie te betalen.

6.9.

Dit oordeel houdt ook in dat de vordering in reconventie kan worden toegewezen.

6.10.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partijen worden eisers in conventie/gedaagden in reconventie in de proceskosten veroordeeld.

7 De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in conventie:

verklaart voor recht dat eisers de enige erfgenamen zijn van wijlen [A], die op Sint Maarten op 30 maart 2014 is overleden en derhalve ook de enigen zijn aan wie zijn nalatenschap toekomt c.q. de enige rechthebbenden van diens nalatenschap zijn;

rechtdoende in reconventie:

veroordeelt gedaagden om hun medewerking te verlenen aan de juridische levering aan eisers in reconventie van de helft van het onroerend goed gelegen in het district Cul-de-Sac, te Retreat Estate aan de ……., nog staande op naam van de overleden [A], met benoeming van een onzijdig persoon om gedaagden in reconventie te vertegenwoordigen bij de juridische overdracht, voor het geval dat zij na betekening van het in deze te wijzen vonnis alsnog weigeren gevolg te geven aan de inhoud van het vonnis, dan wel bij de aangewezen notaris te verschijnen doch alsnog weigeren hun medewerking te verlenen;

rechtdoende in conventie en in reconventie:

veroordeelt eisers in conventie / gedaagden in reconventie in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden in conventie / eisers in reconventie begroot op nihil aan verschotten en op NAf. 6.000,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 15 oktober 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.