Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:14

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
SXM201801490 / KG00301/2018
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht. Ontslag op staande voet in kort geding nietig geacht. Strijd met gelijkheidsbeginsel. Onveilige werksfeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201801490 / KG00301/2018

Datum: 18 januari 2019

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

VICEISZA-VLAUN, Carol

wonende te Sint Maarten,

eiseres,

hierna: de werknemer,

gemachtigde: de advocaten mr. S.R. BOMMEL en mr. C. MARICA,

tegen

de naamloze vennootschap [DE WERKGEVER] N.V. ,

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

hierna: de werkgever,

gemachtigde: de advocaat mr. W. ten VEEN

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties van 28 november 2018,

  2. extra producties van de werknemer,

  3. producties van de werkgever,

  4. pleitnota van de werknemer,

  5. pleitnota van de werkgever.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2018. Partijen zijn verschenen, de werknemer bijgestaan door mr. Bommel. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd. Na afloop spraken partijen af om schikkingsoverleg te voeren. Dat heeft niet tot resultaat geleid.

1.3.

Vandaag wordt uitspraak gedaan.

2 De feiten

2.1.

De werknemer, geboren op 24 februari 1967, is op 15 oktober 2007 in loondienst van de werkgever getreden. Haar functie is Credit Administration Officer. Haar salaris bedraagt NAf. 11.319,00 per maand.

2.2.

Op 23 oktober 2018 wordt de werknemer door de werknemer geschorst, met behoud van loon.

2.3.

Op 29 oktober 2018 wordt de werknemer op staande voet ontslagen door de werkgever. De relevante passages uit de ontslagbrief van die datum luiden als volgt:

“On October 21, 2018 we received (by intermediary of our lawyer) various documents from the counterparty related to the court case of [de werkgever] versus Mrs. [de andere werknemer] and much to our surprise we were confronted with two productions by the counterparty containing two strings of emails (dated July 25, 2018 time 2:31 PM and July 25, 2018 time 3:40 PM) which you forwarded to the lawyer of Mrs. [de andere werknemer], Mrs. Bommel. These emails contained internal correspondence of [de werkgever] from former employees [twee voormalige werknemers], which were sent to the Human Resources Department.

(…)

This action cannot be categorized as anything less than a serious breach of confidence and a deliberate malicious attempt to inflict damage to your employer. You have infracted against the following internal policies:

  1. Confidentiality declaration (see attached),

  2. Code of conduct. Article 1.2.1. Dealing with confidential information (see attached)

  3. Information Technology Security Policy article 4.1.5. sub 12 (see attached).

All the afore-mentioned policies expicitly prohibit the distribution and/or sharing of internal information with third parties. Furthermore, the emails in question were sent during office hours, which is a clear indication that you lack any kind of respect nor empathy for your employer. The above-mentioned finding is very disturbing as (i) we cannot accept that you have deliberately shared internal information with third parties apparently in an attempt to undermine the legal position of [de werkgever] in a court case against an employee and besides that (ii) you lied to the employer. We hereby inform you that we are left with no other option than to terminate the labour agreement between you and [de werkgever] with immediate effect based on the above mentioned urgent cause (in Dutch: ‘dringende reden’).”

2.4.

Bij brief van 12 november 2018 heeft de werknemer de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen en zich beschikbaar gesteld voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden. Hierop is de werkgever niet ingegaan.

3 De vorderingen en de verweren

3.1.

De werknemer vordert dat het Gerecht, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de volgende beslissingen neemt:

  1. de werkgever te veroordelen om het achterstallig salaris vanaf 29 oktober 2018 tot einde dienstverband te betalen, te verhogen met de wettelijke rente en de wettelijke verhogingen,

  2. de werkgever in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, te veroordelen alsmede de wettelijke rente daarover.

3.2.

De werkgever verzoekt het Gerecht om de vorderingen van de werknemer af te wijzen en haar te veroordelen in de proceskosten.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

4 De beoordeling

Het spoedeisend belang

4.1.

Het spoedeisend belang is met de aard van de vordering (loondoorbetaling na ontslag op staande voet) gegeven.

Het toetsingskader

4.2.

Bij de vraag of sprake is van een dringende reden, dienen alle omstandigheden van het geval, bezien in hun verband en samenhang, te worden afgewogen. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld in de afweging worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zal hebben. Ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (HR 20 april 2012, LJN:BV9532). Van belang is verder dat het de werkgever is die moet stellen en bewijzen dat sprake is van een dringende reden.

De beoordeling van de dringende reden

4.3.

Naar voorlopig oordeel geldt dat geen sprake is van een dringende reden die maakt dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daartoe overweegt het Gerecht dat er geen sprake van is dat de werknemer vertrouwelijke bankinformatie, betreffende cliënten of financiële zaken, naar buiten heeft gebracht. Wat de werknemer wel heeft gedaan, overigens met toestemming van de ex-werknemers, is hun brieven aan de afdeling personeelszaken aan mr. Bommel toe te zenden. Aan de werkgever kan worden toegegeven dat dit onder normale omstandigheden minder wenselijk is maar het is onvoldoende ernstig om als dringende reden te gelden. Het Gerecht neemt bovendien in aanmerking dat uit deze brieven, en overigens ook uit het dossier van [de andere werknemer], blijkt van behoorlijk ernstige verwijten van de werknemers aan het management van de werkgever op Sint Maarten. Dat heeft er toe geleid dat werknemers klachtbrieven hebben gestuurd, zoals die door de werknemer aan mr. Bommel zijn toegezonden. Ook hebben werknemers zelf het initiatief genomen hun arbeidsovereenkomsten met de werkgever te beëindigen omdat zij zich niet veilig voelden in hun werkomgeving. Onder deze omstandigheden kan worden gezegd dat werknemers gerechtigd zijn gezamenlijk op te trekken tegen de door hen ervaren onveilige werkomstandigheden door hun klachtbrieven te delen.

4.4.

Verder is van belang dat de werknemer een onberispelijk dienstverband van circa 11 jaar heeft zonder ook maar enige waarschuwing wegens disfunctioneren van de werkgever te hebben ontvangen. Deze omstandigheden bij elkaar genomen leiden het Gerecht tot het voorlopig oordeel dat de werkgever had moeten volstaan met een andere sanctie, zoals een schriftelijke waarschuwing of berisping. Daarbij is ook van belang dat sprake is van een oudere werknemer met eenzijdige werkervaring die op Sint Maarten moeilijk weer aan de slag zal kunnen komen.

4.5.

Ook is het Gerecht van oordeel dat de bank het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden bij dit ontslag op staande voet. [de andere werknemer] heeft in de loop van haar eveneens langdurige dienstverband maar liefst 17 schriftelijke waarschuwingen ontvangen en de werkgever heeft haar een ontbindingsvergoeding voorgesteld met een C-factor van ongeveer 1,1. Dit terwijl [de andere werknemer] waarschuwingen heeft gekregen, onder andere met betrekking tot mutaties van financiële aard die, naar voorlopig oordeel, zowel qua hoeveelheid als qua ernst een stuk zwaarder zouden moeten wegen dan het doorzenden van twee klachtbrieven van collega’s aan mr. Bommel. De werknemer wordt zonder enige financiële voorziening ontslagen, nog wel op staande voet.

4.6.

Dit betekent dat de vorderingen van de werknemer in dit kort geding worden toegewezen. De wettelijke verhogingen worden gematigd tot maximaal 10%.

Proceskosten

4.7.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt de werkgever in de proceskosten veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht:

veroordeelt de werkgever om aan de werknemer te betalen het achterstallig loon vanaf 29 oktober 2018, en het toekomstig loon, tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te verhogen met de tot 10% gemaximeerde wettelijke verhogingen en de wettelijke rente over de loontermijnen, vanaf de data van hun opeisbaarheid tot de dag van algehele vergoeding,

veroordeelt de werkgever in de proceskosten, aan de zijde van de werknemer begroot op NAf. 450,00 aan griffierecht, NAf. 249,50 aan oproepingskosten en NAf. 1.000,00 aan salaris gemachtigde, alsmede in de nakosten en bepaalt dat over de proceskosten en nakosten de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 14 dagen nadat zij opeisbaar zijn geworden tot aan de dag van algehele voldoening,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 18 januari 2019.