Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:119

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
SXM201900390
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Geschil overwerk of schemawerk. Verrekening lening. Kosten tewerkstellingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN


Zaaknummer: SXM201900390

Beschikking d.d. 23 juli 2019

inzake

[de werknemer],
wonende in Sint Maarten,
verzoeker,

hierna: de werknemer,
gemachtigde: mr. C.M. MARICA,


tegen

[de werkgever],
gevestigd op Sint Maarten,
verweerster,

hierna: de werkgever,
gemachtigde: mr. Z.J.A. BARY.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2019,

  2. brief met bijlagen namens de werkgever, ontvangen op 10 juni 2019,

  3. ter zitting namens de werkgever overgelegd bewijsstuk,

  4. pleitnota van de werknemer,

  5. pleitnota van de werkgever.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juni 2019, in aanwezigheid van partijen en gemachtigden. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

1.3.

Vandaag wordt uitspraak gedaan.

2 De feiten

2.1.

De werkgever exploiteert een beveiligingsbedrijf op Sint Maarten.

2.2.

De werknemer is vanaf 18 april 2016 tot augustus 2018 in loondienst werkzaam geweest voor de werkgever. De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden geëindigd.

2.3.

Voor de overeengekomen werkzaamheden was het noodzakelijk dat de overheid aan de werknemer, afkomstig uit Suriname, een tewerkstellingsvergunning toekende. Dat is gebeurd.

2.4.

Artikel 5 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“The employee will work hours as scheduled by the company. The employee may be required from time to time to work overtime. In case of necessity overtime compensation shall be compensated by the hourly rate. There is no obligation towards the employee to maintain any amount of hours per month and scheduling is solely based on the discretion of the employer.”

2.5.

Bij brief van 27 februari 2019 heeft de werknemer aan de werkgever geschreven dat hij recht heeft op loon voor verricht overwerk en niet uitbetaalde vakantiedagen. De werkgever krijgt de tijd tot uiterlijk 14 maart 2019 om dit in orde te brengen.

3 Het geschil

3.1.

In de pleitnota van de werknemer is de eisvermindering/ -vermeerdering opgenomen. De werknemer verzoekt het gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren uitspraak, de volgende beslissingen te nemen:

  1. [de werkgever] te veroordelen om aan [de werknemer] zijn achterstallig salaris, althans overwerkvergoeding vanaf mei 2016 tot augustus 2018 en vakantievergoeding zijnde totaal Nafl. 15.738.99, en de maaltijdvergoeding ad Nafl. 5.715,= te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50% en wettelijke rente vanaf 27 februari 2019,

  2. [de werkgever] te veroordelen aan [de werknemer] te vergoeden 4 niet genoten vakantiedagen,

  3. [de werkgever] te veroordelen om aan [de werknemer] te betalen een bedrag van USD 2.700,= voor door [de werkgever] van [de werknemer] afgetrokken betalingen voor de werkvergunningen van [de werknemer],

  4. [de werkgever] te veroordelen om aan [de werknemer] buitengerechtelijke kosten inclusief accountantskosten ex artikel 6:96 BW van USD 2.030,= te betalen,

  5. [de werkgever] voorts te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

De werkgever concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de werknemer, met veroordeling van de werknemer in de proceskosten. Als de vordering toch deels toewijsbaar zou zijn dan moeten de proceskosten worden gecompenseerd omdat de vordering voorbarig aanhangig is gemaakt.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het gerecht hierna in, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

De werknemer voert aan dat de werkgever in zijn vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De reden daarvoor is dat de werkgever wel binnen de door de werknemer gestelde sommatietermijn heeft gereageerd, namelijk per e-mail van 14 maart 2019. Dit verweer gaat niet op, zegt de werknemer, omdat het gebruikte e-mailadres niet klopt. Door de werkgever is nagelaten uit te leggen dat het mailadres wèl klopt. Daarom moet het Gerecht er van uitgaan dat de e-mail nooit door de advocaat van de werknemer is ontvangen en treft dit verweer geen doel.

4.2.

Bij het verzoekschrift zijn salarisstroken en berekeningen alsmede een brief van een boekhouder gevoegd. Het is allemaal goed te begrijpen. Het is dus niet zo, zoals de werkgever stelt, dat er gepuzzeld moet worden om de vorderingen te kunnen begrijpen. Ook daarin is dus geen grond gelegen om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.

4.3.

Evenmin is er reden om tot niet-ontvankelijkheid te besluiten omdat de werknemer te lang heeft stil gezeten. De arbeidsovereenkomst is geëindigd in augustus 2018 en de sommatiebrief dateert van 27 februari 2019. De werkgever voert aan dat hij hierdoor in de verdediging is geschaad. Het Gerecht acht deze termijn niet te lang, ook omdat de Arbeidsregeling in artikelen 29 en 30 voorschrijft dat de werkgever een personeelsregister respectievelijk overwerkregister moet bijhouden. Op grond daarvan moeten de in deze procedure aan de orde gestelde geschilpunten voor de werkgever goed te beantwoorden zijn omdat hij gehouden is een en ander te registreren. Er is dus geen sprake van misbruik van recht door de werknemer door het aanvangen van deze procedure.

Vermeerdering van eis

4.4.

Er is sprake van een vermindering van eis, maar ook van een vermeerdering. Die ziet alleen op hogere kosten werkvergunning dan in het verzoekschrift gevorderd. De inhoudelijke discussie is hetzelfde. Ook is gebleken dat de werkgever zich tegen deze vordering inhoudelijk kon verweren. Daarom houdt het bezwaar tegen de eisvermeerdering geen stand.

De discussie over de overuren

4.5.

Ter zitting bleken partijen het eens met de volgende vaststellingen van de rechter:

- de werknemer heeft grotendeels werkweken van 6 dagen van 12 uur gewerkt (72 uur per week),

- de overzichten van de gewerkte uren die door de boekhouder van de werknemer zijn opgesteld (aan de pleitnota gehecht) kloppen qua aantallen.

4.6.

Omdat de werknemer structureel 72 uur per week werkt is sprake van strijd met artikel 8 lid 1 van de Arbeidsregeling. Daarin staat de arbeidsduur ten hoogste 40 uur per week mag zijn. Als er sprake is van schemawerk maximaal 45 uur per week. In beide gevallen echter is het duidelijk dat de werkgever zwaar in overtreding van de Arbeidsregeling is.

4.7.

Het Gerecht is het niet eens met het argument van de werkgever dat de werknemer schemawerk verricht in de zin van artikel 2 onder e. van de Arbeidsregeling. Vanwege de ter zitting gedane vaststelling immers werkte de werknemer als beveiliger 12 uur per dag 6 dagen in de week. Door dit vanaf het begin af aan te doen en dat structureel vol te houden geldt dit als de overeengekomen arbeidsduur, waartegen artikel 5 van de arbeidsovereenkomst zich overigens niet verzet. Dat brengt met zich dat, gezien artikelen 14 en 15 van de Arbeidsregeling, de door de boekhouder van de werknemer berekende bedragen, waartegen verder niet inhoudelijk verweer is gevoerd, toewijsbaar zijn.

4.8.

Daarover zal het Gerecht de gebruikelijke 10% aan wettelijke verhogingen toewijzen. Het Gerecht ziet geen aanleiding af te wijken van zijn beleid om meer toe te wijzen dan dit bedrag.

De maaltijdvergoeding

4.9.

De maaltijdvergoeding van artikel 16 lid 2 Arbeidsregeling is ook toewijsbaar vanwege de in strijd met de Arbeidsregeling gewerkte uren. Daarover is geen wettelijke verhoging verschuldigd omdat dit geen loon is in de zin van artikel 7A:1614q BW; het is niet de prestatie die tegenover het werk staat maar een onkostenvergoeding.

De vakantiedagen

4.10.

Wat betreft de 4 niet genoten vakantiedagen geldt dat op grond van artikel 14 Vakantieregeling de werkgever een register moet bijhouden van de opgenomen vakantiedagen. Daaruit zou precies moet blijken wanneer er vakantiedagen zijn opgenomen. Dat register wordt echter niet overgelegd zodat het Gerecht moet uitgaan van de argumenten van de werknemer.

De kosten voor de werkvergunningen

4.11.

De werknemer voert aan dat de werkgever loon heeft ingehouden om de kosten van de tewerkstellingsvergunning te betalen. Dat mag niet want de werkgever moet die kosten betalen. De werkgever voert aan dat die inhoudingen betrekking hebben op een lening. Dat wordt door de werknemer echter betwist en door de werkgever verder niet onderbouwd (waarom een lening, welk totaal bedrag, welke afspraken over terugbetaling, wat voor rente, waarom niet schriftelijk vastgelegd, waar zijn de kwitanties van de werknemer voor ontvangst?) zodat het Gerecht deze stellingname onvoldoende onderbouwt acht en daaraan voorbij gaat. Op grond van de Landsverordening Arbeid Vreemdelingen is het uitsluitend de werkgever die een dergelijke vergunning kan aanvragen. Duidelijk is dat de werkgever dat heeft gedaan. Nu de werkgever in gebreke blijft aan te tonen waar de inhoudingen op het salaris dan wèl op zien moet het Gerecht ervan uitgaan dat die inderdaad gaan over de kosten van de tewerkstellingsvergunning. Nu de werknemer daarvoor geen toestemming heeft gegeven moeten deze inhoudingen alsnog aan de werknemer worden betaald. De werknemer formuleert dit in zijn vorderingen als betalingen voor de vergunningen maar feitelijk is het ten onrechte niet uitbetaald loon. Daarover worden de wettelijke verhogingen niet gevorderd zodat het Gerecht deze niet kan toewijzen.

De buitengerechtelijke kosten

4.12.

Duidelijk is dat de boekhouder van de werknemer de nodige berekeningen heeft gemaakt. Er is een kwitantie waaruit volgt dat de werknemer USD 280,00 aan de boekhouder heeft betaald. Echter, die berekening is niet gedeeld met de werkgever voorafgaande aan deze procedure zodat zij niet buitengerechtelijk zijn. Voor de enkele sommatiebrief namens de werknemer ziet het Gerecht aanleiding om USD 200,00 toe te wijzen. Voor het overige wordt deze vordering dus afgewezen.

De wettelijke rente

4.13.

Voor de goede orde wordt overwogen dat de wettelijke rente alleen wordt gevorderd over vordering a en niet over de andere vorderingen. Meer wettelijke rente kan het Gerecht dus ook niet toewijzen.

De proceskosten

4.14.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt de werkgever in de proceskosten veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht:

veroordeelt de werkgever om aan de werknemer te betalen:

loon van bruto NAf. 15.738,99, te verhogen met de wettelijke verhogingen, gemaximeerd op 10%, vanaf de data van de respectievelijke vervaldata van de loonbedragen plus op gelijke wijze de wettelijke rente hierover,

maaltijdvergoeding van NAf. 5.715,00, te verhogen met de wettelijke rente hierover,

de bruto-vergoeding voor 4 niet genoten vakantiedagen,

de “afgetrokken betalingen voor de werkvergunningen” van USD 2.700,00,

veroordeelt de werkgever in de proceskosten, aan de kant van de werknemer begroot op NAf. 249,50 aan oproepingskosten, NAf. 50,00 aan griffierecht en op NAf. 1.500,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 23 juli 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.