Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:116

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
100.00364/19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

3 en 11 Opiumlandsverordening 1960. Gevangenisstraf (50 maanden) voor cocaïnetransport buiten het grondgebied Sint Maarten. Bevoegdheid Gerecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 100.00364/19

Uitspraak: 23 oktober 2019

Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [datum] te [plaats],

adres: zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans alhier gedetineerd.

Waar het in deze zaak om gaat

Op 50 zeemijlen ten westen van de Saba bank signaleert de kustwacht een go-fast boat met drie opvarenden. Aan boord bevindt zich ook een grote hoeveelheid cocaïne.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2019. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.D.M. Roseburg, advocaat te Sint Maarten.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Abatha heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht bewezen zal verklaren dat verdachte samen met anderen opzettelijk een grote hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad, en dat hij daarvoor zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft onbevoegdheid van het Gerecht, dan wel (gedeeltelijke) vrijspraak bepleit.

Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Formele voorvragen

Op het moment waarop de verdachte werd staande gehouden bevond hij zich op ongeveer 50 zeemijlen ten westen van de Saba bank.

De vraag is of het Gerecht bevoegd is om te oordelen over een incident dat zich zo ver buiten het grondgebied van Sint Maarten heeft voorgedaan. Het antwoord op die vraag luidt bevestigend. De juridische basis voor de uitbreiding van het toepassingsbereik van de Opiumlandsverordening en voor de rechtsmacht van het Gerecht kan worden gevonden in de Rijkswet van 20 februari 2010 (Stb. 2010, 167), dat in artikel 2 bepaalt:

“ De strafwetten van de landen van het Koninkrijk zijn toepasselijk op ieder die zich in het Caribisch gebied (…) buiten de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba schuldig maakt aan een van de feiten die (…) overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het (…) Verdrag van de Verenigde Naties inzake de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1990, 94) in hun strafwet hebben strafbaar gesteld, wanneer:

a. het strafbare feit wordt begaan in de aansluitende zone van het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied;

b. het strafbare feit wordt begaan aan boord van een vaartuig zonder nationaliteit of een daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van het internationale recht, dat zich zeewaarts van de territoriale zee van enige staat bevindt; (…)”

Aan de orde is een strafbaar feit dat is begaan in de aansluitende zone van het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied, dan wel aan boord van een vaartuig zonder nationaliteit dat zich zeewaarts van de territoriale zee van enige staat bevindt.

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Beoordeling van de tenlastelegging

Op 10 juli 2019 omstreeks 03:42u heeft een patrouilleschip van de Koninklijke Marine op 50 zeemijlen ten westen van de Saba bank een ‘go-fast boat’ (speedboot) waargenomen die onverlicht en met een snelheid van 20 knopen in de richting van de Virgin eilanden voer. Daarop werden twee snelle onderscheppings- en special forces-vaartuigen uitgestuurd voor een visuele inspectie. Er bleken drie mannen aan boord van de speedboot te zijn die zich kalm en meewerkend opstelden. De boot had een open stuurhut en er lagen pakketten op het dek. De opvarenden zijn staande gehouden en later aangehouden op verdenking van het vervoer van ‘grote hoeveelheden contrabande.’1

Bij gelegenheid van de aanhouding van de opvarenden zijn 15 pakketten in beslag genomen2 waarvan later is vastgesteld dat deze in totaal3 361,9 kilogram cocaïne bevatten.4

Een van de opvarenden van de speedboot bleek de verdachte te zijn.5

Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor het oordeel dat de verdachte samen met anderen opzettelijk een grote hoeveelheid cocaïne in zijn bezit of aanwezig heeft gehad. Bij dat oordeel is tot uitgangspunt genomen dat een persoon, zoals de verdachte, die zich in een speedboot over de Caribische Zee beweegt met op het dek pakketten met een totaalgewicht van meer dan 350 kilogram, bekend is met de inhoud van die pakketten.

Door de verdediging zijn onder meer de volgende weren gevoerd. De staande houding van de verdachte was onrechtmatig omdat er op dat moment geen redelijk vermoeden van schuld bestond. Daarnaast wist de verdachte niet dat er cocaïne in de pakketten zat. En ten slotte is niet van al het in beslag genomen materiaal vastgesteld dat het cocaïne bevatte en de gehanteerde steekproef was te beperkt, zodat geen conclusies kunnen worden getrokken over de hoeveelheid in beslag genomen verdovende middelen.

Het gerecht overweegt hierover als volgt.

Na controle stond vast dat de verdachte in het donker met een onverlichte go-fast boat met een snelheid van 20 knopen in de richting van de Virgin eilanden voer. De speedboot had geen scheepsdocumenten of registratienummer, er was geen visgerei aan boord maar wel lagen er pakketten zichtbaar op het dek. Deze feiten en omstandigheden wijzen op een mogelijk drugstransport en leveren een redelijk vermoeden van schuld op. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig was.

De verdachte stelt met de andere opvarenden uit vissen te zijn geweest. Hun hengels zouden in zware zeegang overboord zijn geslagen. De op het dek aangetroffen pakketten dreven in de zee en de verdachte heeft ze met zijn medeopvarenden aan boord gehesen zonder zich te bekommeren over de inhoud ervan. Van de (verboden) inhoud van die pakketten zou hij zich niet bewust zijn geweest, ergo geen opzet op de aanwezigheid van cocaïne.

Als gezegd is het uitgangspunt iemand die zich in een speedboot over de zee beweegt met op het dek pakketten met een totaalgewicht van meer dan 350 kilogram, bekend is met de inhoud van die pakketten. Dat uitgangspunt moet wijken als daar aanleiding voor is. In dit geval is die aanleiding er niet. De verdachte die zegt uit vissen te zijn geweest zat bij zijn staande houding niet in een vissersboot en aan boord is geen enkel spoor aangetroffen dat duidt op een vistocht, zoals vissersuitrusting of vissersbenodigdheden. Onduidelijk is waarom de verdachte zich voor een vistocht zo ver van zijn huis op Tortola (BVI) bevond. Ook ligt het niet voor de hand om ruim 350kg aan pakketten uit het water te hijsen en vervolgens niet geïnteresseerd te zijn in de inhoud van die pakketten. Het Gerecht twijfelt aan de verklaring van de verdachte en gelooft de verdachte niet als hij zegt dat hij niet wist welke lading hij vervoerde.

Het dossier bevat foto’s van alle in beslag genomen 361 pakketten, zowel van de gebundelde pakketten, van de individuele pakketten, en van de inhoud van de pakketten. De pakketten zien er allemaal ongeveer even groot uit, lijken op eenzelfde wijze verpakt, en ieder pakket lijkt een zelfde soort witte substantie te bevatten. Onder deze omstandigheden kan worden volstaan met een beperkte steekproef om de inhoud van de totale lading vast te stellen. Afwijkende meetresultaten zouden aanleiding kunnen vormen om die steekproef uit te breiden, maar daarvan is geen sprake geweest: ieder onderzocht monster bevatte cocaïne. De slotsom is dat de verdachte samen met anderen opzettelijk 361,9kg cocaïne in bezit of aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het gerecht verklaart bewezen dat verdachte:

hij op of omstreeks 10 juli 2019, op zee 50 NM west van de Saba Bank, aan

boord van een Gofast, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft

aangewend, ongeveer 361,9 kilogram, cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde een

middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening.

Strafbaarheid van de feiten en kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in de artikelen:

3 en 11 van de Opiumlandsverordening 1960.

De bewezenverklaarde feiten worden als volgt gekwalificeerd:

- opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onderdeel c van de Opiumlandsverordening 1960 omschreven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het Gerecht neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De handel in cocaïne levert grote illegale winsten op en gaat gepaard met ernstige misdrijven waaronder moord, doodslag, en corruptie. Het gebruik van cocaïne is schadelijk voor de gezondheid. De verdachte was betrokken bij het vervoer van een groothandelshoeveelheid cocaïne, en daarmee bezig een belangrijke logistieke bijdrage te leveren aan die schadelijke en ondermijnende handel. De grote hoeveelheid cocaïne die onder de verdachte is aangetroffen in een dure boot duidt er op dat hij een schakel was in een omvangrijke drugsorganisatie. Op dit gedrag past alleen een afschrikwekkende sanctie in de vorm van een gevangenisstraf van lange duur.

Het Gerecht heeft ook acht geslagen op de blanco strafkaart van verdachte.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 50 [vijftig] maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. J. Snitker, bijgestaan door mr. M.C. Bruins (zittingsgriffier), en op 23 oktober in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht Sint Maarten.

uitspraakgriffier:

BIJLAGE

Tenlastelegging

Verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 juli 2019, op zee 50 NM west van de Saba Bank, aan

boord van een Gofast,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet

opzettelijk in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft

aangewend,

ongeveer 361,9 kilogram, cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde een

middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening.

(Artikel 4 j° 11-2 Opiumlandsverordening)

1 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant KLTZ (…), CDT Zr.Ms. Groningen, d.d. 10 juli 2019.

2 Kennisgeving van inbeslagneming, ongedateerd, ondertekend door KLTZ (…), CDT Zr.Ms. Groningen.

3 Onderzoek ‘Avocet’ d.d. 11 juli 2019, FO mutatie 225-19.

4 Korps Politie Sint Maarten/Forensische opsporing Goederen- & Sporenkaart, zaaknummer 255-19 in samenhang met NFI rapportage identificatie veel voorkomende drugs, zaaknummer 2019.08.07.108, datum 16 juli 2019.

5 Proces-verbaal van bevindingen nummer 201907181506.BEV, verbalisant (…) opgemaakt en ondertekend op 17 juli 2019.