Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2019:102

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
07-10-2019
Zaaknummer
SXM201900406 -LAR00033/2019
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdenking jegens klager is onverenigbaar met het doel waarvoor de verklaring omtrent gedrag is gevraagd. Dat er geen vervolgbeslissing is genomen maakt het niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraakdatum: 16 september 2019 Zaaknummer: SXM201900406 -LAR00033/2019

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

(klager),

wonende te Sint Maarten,

klager,

gemachtigde: dhr. E.I. MADURO,

tegen

DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,

gezeteld te Sint Maarten,

verweerder.

1 Aanduiding bestreden beschikking

De beschikking van verweerder van 12 April 2019 waarbij verweerder afwijzend heeft beslist op het verzoek van klager van 11 maart 2019 om afgifte van een verklaring omtrent gedrag.

2 Het verloop van de procedure

De gemachtigde van klager heeft op 25 april 2019, ontvangen bij het Gerecht op 26 april 2019, een klaagschrift ingediend op grond van artikel 25 van de Landsverordening houdende bepalingen betreffende de justitiële documentatie en de verklaringen omtrent het gedrag (hierna de Landsverordening).

Verweerder heeft van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen niet benut.

Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 augustus 2019. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M. Mol van het Openbaar Ministerie.

Uitspraak is bepaald op heden.

3 De feiten

3.1

De volgende feiten staan vast.

- Bij beschikking, gedateerd 12 april 2019, heeft verweerder aan klager op zijn verzoek om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag van 11 maart 2019 geweigerd. Verweerder heeft hierbij overwogen dat er bezwaren tegen klager zijn gebleken die als volgt wordt omschreven:

“(…)Due to the fact that there is an ongoing investigation against you for falsifying driver’s license.

For this reason your criminal history cannot be reconciled with the purpose of your request “Directorship”.(…)”

3.2

Klager ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan vervalsing van een rijbewijs. Ook is er geen sprake van verdenking omdat hij nog niet heeft terecht gestaan en nimmer een veroordeling gekregen. Daarnaast zijn er twee jaar verstreken zonder dat aan hem is te kennen gegeven of hij vervolgt zal worden althans gedagvaard. Klager wijst vervolgens op naar de VOG die in 2018 door verweerder aan hem is verleend, dit echter na de periode van de verdenking, in verband met een aanvraag voor een verblijfsvergunning. Van consistentie zijdens verweerder is er in casu geen sprake, nu onderhavige aanvraag hetzelfde arbeidsrechtelijke karakter heeft.

3.3

Verweerder stelt dat een VOG niet kan worden afgegeven, omdat er een verdenking jegens klager bestaat. Deze verdenking is onverenigbaar met het doel waarvoor klager de VOG heeft gevraagd.

4 Beoordeling

4.1

Het Gerecht stelt vast dat de bestreden beschikking het navolgende meldt als grondslag voor de weigering van een VOG:

“(…) there is an ongoing investigation against you for falsifying driver’s license(s).

For this reason your criminal history cannot be reconciled with the purpose for of your request “Directorship”.(…)”

Ter beoordeling staat de vraag of verweerder op goede gronden de gevraagde VOG heeft geweigerd.

Volgens artikel 15, derde lid, van de Landsverordening, houdt een verklaring omtrent het gedrag niet anders in dan dat de minister uit het onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene ingesteld, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon.

4.2

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de verdenking jegens klager bestaat voor het plegen van valsheid in geschrifte. Het Openbaar Ministerie heeft onderzoek uitgevoerd naar de verdenking jegens klager van het plegen van het delict valsheid in geschrifte. Thans is bekend dat er geen definitieve beslissing is genomen over de vervolging.

4.3

Klager heeft de verklaring omtrent het gedrag verzocht in verband met een aanvraag directeursvergunning. De houder van een dergelijke vergunning krijgt doorgaans te maken met verplichtingen tot het houden van financiële administratie, afdracht plichten van premies en belastingen, financieringsvoorstellen en zakelijke zekerheden, kredietverlening door leveranciers e.d. Al deze verplichtingen en financiële beoordelingen vereisen zakelijke betrouwbaarheid en vertrouwen. Het Gerecht is van oordeel dat de verdenking van valsheid in geschrifte hier niet mee is te verenigen. Dat er geen vervolgingsbeslissing is genomen, maakt dat niet anders. Zoals het Openbaar Ministerie ter zitting heeft toegelicht lijkt uit het dossier dat klager het valse rijbewijs van een derde heeft gekocht. Met de Officier van Justitie is het Gerecht van oordeel dat een directeursfunctie een bepaalde hoedanigheid betreft waarbij het belang is dat de waarde van documenten op juiste wijze door klager wordt ingeschat.

4.4

Hetgeen klager heeft aangevoerd dat in het jaar 2018 hij wel een VOG heeft gekregen kan niet leiden tot een gegrond beroep, omdat die VOG is gegeven voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Daarbij wordt door verweerder een andere weging gegeven.

4.5

Gelet op het voren overwogene zal de klacht ongegrond worden verklaard.

5 De beslissing

Het Gerecht:

verklaart de klacht ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 16 september 2019.

Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open (artikel 28, lid 3, Landsverordening op de justitiële documentatie en op de verklaring omtrent gedrag)