Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:93

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
SXM201800185
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verbintenissenrecht. Opdracht. Opzegging. Opzegtermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201800185

Vonnis d.d. 30 oktober 2018

inzake

1 [tandarts 1],

wonende te Sint Maarten,

eiser,

gemachtigde: mr. J. DEELSTRA,

2
2. de besloten vennootschap [tandarts 1-vennootschap],

gevestigd te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. J. DEELSTRA,

tegen

1
1. de naamloze vennootschap [tandarts 2-vennootscap],

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. V.C. CHOENNIE,

2 [tandarts 2],

wonende te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. V.C. CHOENNIE.

1 Het procesverloop

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    verzoekschrift met producties van 19 februari 2018,

  • -

    conclusie van antwoord met producties,

  • -

    brief van 11 september 2018 met producties namens eisers,

  • -

    brief van 12 september 2018 met producties namens gedaagden,

  • -

    pleitnota namens eisers,

  • -

    pleitnota namens gedaagden.

1.2.

Partijen hebben de rolrechter verzocht om na antwoord schriftelijk te mogen pleiten. Zij hebben gelijktijdig op de rolzitting van 18 september 2018 een pleitnota overgelegd.

1.3.

Vandaag wordt uitspraak gedaan.

2 De feiten

2.1. [

tandarts 2] en [tandarts 1] zijn tandarts. [tandarts 2] exploiteert [tandarts 2-vennootschap] N.V. [tandarts 1] heeft op grond van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden in deze tandartsenpraktijk verricht gedurende de periode 9 maart 2012 tot 9 juni 2017.

2.2.

Tussen [tandarts 2] als opdrachtgever en [tandarts 1] als opdrachtnemer zijn twee opvolgende overeenkomsten tot stand gekomen. De tweede overeenkomst is op 1 maart 2013 tot stand gekomen.

2.3.

Artikel 5 van de tweede overeenkomst luidt als:

“Einde

De overeenkomst wordt beëindigd:

5.1

Opzegging met betrekking tot lid 1.1, vindt plaats met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

5.2

Door opzegging van een der partijen, door de andere met onmiddellijke ingang om een dringende aan de betrokken partij onverwijld meegedeelde reden. Een dringende reden is aanwezig wanneer zich met betrekking tot een der partijen een situatie voordoet, waarin van de andere partij niet in redelijkheid kan worden gevergd dat zij de overeenkomst voortzet.“

2.4.

In 2016 heeft [tandarts 1] een verzoek gericht tot de Minister van VSA om zelfstandig een tandartsenpraktijk te mogen voeren. Per e-mail van 7 december 2016 vraagt het Ministerie aan [tandarts 1] op een opzeggingsbrief van hem aan [tandarts 2-vennootschap]. [tandarts 1] schrijft op 15 december 2016 aan het Ministerie onder andere het volgende:

“(…) As per your request in the e-mail, I would hereby like to provide you with my letter of resignation for the [tandarts 2-vennootschap].

This letter, as you can understand, I can only truly send out after my Ministerial decree has been adjusted.

In the letter of resignation (attachment 1) can be seen that I have a term of notice of three months.

My last day of work in the [tandarts 2-vennootschap] will therefore be on the 31st of March 2017.“

2.5.

De aangehechte opzeggingsbrief is van 31 december 2016 en spreekt van een laatste werkdag op 31 maart 2017. Deze opzeggingsbrief is nooit aan [tandarts 2] verzonden.

2.6.

Op 7 juni 2017 schrijft [tandarts 1] aan [tandarts 2] onder andere het volgende in zijn e-mail:

“Middels deze weg wil ik dan ook kenbaar maken dat ik per heden onze overeenkomst van opdracht beëindigd met inachtneming van de opzegtermijn van drie maanden.

Bijgevoegd bij deze e-mail is de officiële brief hiertoe, welke ik ook vandaag nog zal komen afgeven of kantoor.“

2.7.

In de bijgevoegde brief van dezelfde datum is vermeld dat hij een opzegtermijn van drie maanden in acht neemt zodat zijn laatste werkdag 7 september 2017 zal zijn.

2.8.

Bij brief van 9 juni 2017 bericht [tandarts 2] aan [tandarts 1] onder andere het volgende:

“Through this means we would like to let you know that you are relieved from your notice of three months, as indicated in your letter received on the 7th of June 2017, which you choose to had deliver in person during our lunch break.“

2.9.

Bij brief van 13 juni 2017 laat [tandarts 1] aan [tandarts 2] weten niet akkoord te gaan het niet in acht nemen van de opzegtermijn. Hij houdt [tandarts 2] daaraan en kondigt aan de volgende dag te komen werken.

2.10.

Bij brief van 14 juni 2017 van [tandarts 1] aan [tandarts 2] bericht hij dat hij naar de praktijk is gegaan maar dat hij door[tandarts 2] niet in de gelegenheid werd gesteld zijn werkzaamheden te verrichten. Hij maakt aanspraak op het loon over de opzegtermijn, indien hij niet tot het werk wordt toegelaten.

2.11.

In de brief namens [tandarts 2] van 25 januari 2018 heeft [tandarts 2] een beroep gedaan op artikel 5.2 van de overeenkomst van opdracht.

2.12.

De Minister van VSA heeft de volgende beschikkingen gegeven met betrekking tot de praktijkuitoefening van [tandarts 1]:

  1. ongedateerde beschikking (moet zijn van: 9 maart 2012) waarin [tandarts 1] wordt toegelaten als tandarts met de beperking dat hij uitsluitend in de [tandarts 2-vennootschap] werkzaam zal zijn,

  2. beschikking van 16 januari 2017 waarin is beslist dat [tandarts 1] de tandartsenpraktijk mag uitoefenen (dus zonder de beperking dat hij in de [tandarts 2-vennootschap] moet werken),

  3. beschikking van 27 oktober 2017 waarin de beschikking van 16 januari 2017 is ingetrokken,

  4. beschikking met onleesbare datering waarin de beschikking van 9 maart 2012 is ingetrokken,

  5. beschikking van 21 december 2017 waarin de beschikking van 16 januari 2016 (moet zijn: 2017) weer van kracht wordt verklaard.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen dat het Gerecht, bij uitvoerbaar te verklaren vonnis, gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan eisers $ 42.310,63, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening, te betalen. Verder verzoeken eisers om gedaagden in de proceskosten te veroordelen, met de wettelijke rente daarover.

3.2.

Gedaagden verzoeken het Gerecht om eisers in hun vorderingen niet ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen, kosten rechtens.

3.3.

Op de argumenten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

[tandarts 1] versus [tandarts 2]

4.1. [

tandarts 2] stelt dat [tandarts 1] geen recht heeft op betaling van de drie maanden opzegtermijn. Hij heeft namelijk aan de Minister een valse ontslagbrief afgegeven om zodoende aan zijn zelfstandige tandartsvergunning te komen. Daarom is [tandarts 2] gerechtigd een beroep te doen op artikel 5 lid 2 lid 2 van de overeenkomst van opdracht. Er is sprake van een dringende reden. Dit wordt door [tandarts 1] gemotiveerd weersproken.

4.2.

Het Gerecht stelt voorop dat de drie maanden opzegtermijn is aan merken als onderdeel van een wederkerige overeenkomst, namelijk de overeenkomst van opdracht. Terecht heeft [tandarts 1] dan ook in de correspondentie [tandarts 2] hierop gewezen. Hij heeft de drie maanden opzegtermijn in zijn brief van 7 juni 2017 in acht genomen zodat [tandarts 2] jegens hem tekort is geschoten door hem niet tot het werk toe te laten en hem niet het overeengekomen loon te betalen.

4.3.

Door [tandarts 2] wordt aangevoerd dat [tandarts 1] zich schuldig heeft gemaakt aan een dringende reden op grond waarvan zij niet langer gehouden zou zijn het loon over de opzegtermijn uit te betalen. Met [tandarts 1] is het Gerecht van oordeel dat dit argument niet opgaat. Artikel 5.2 van de overeenkomst van opdracht immers behelst dat [tandarts 2] de overeenkomst had moeten opzeggen wegens een dringende reden. Pas op 25 januari 2018 wordt door [tandarts 2] hierop een beroep gedaan, maar dat is te laat omdat de overeenkomst door de opzegging van [tandarts 1] reeds op 7 september 2017 is geëindigd. Daarom hoeft het Gerecht niet in te gaan op de argumenten, foto‘s en video-opnames over het contact tussen partijen betreffende de opzegging.

4.4.

Wat betreft de “valse ontslagbrief“ overweegt het Gerecht dat die brief in de rechtsverhouding tussen partijen geen rechtsgevolg heeft gehad. Immers, deze brief heeft [tandarts 2] toen niet bereikt.

4.5.

Het Gerecht kan zich wel voorstellen dat [tandarts 2] het een vreemde gang zaken vond dat zij achteraf heeft moeten bemerken dat het Ministerie een opzeggingsbrief van [tandarts 1] wilde hebben voordat hem toestemming werd gegeven de tandartsenpraktijk uit te oefenen, zonder de restrictie dat dit bij [TANDARTS 2-VENNOOTSCHAP] moest plaatsvinden. Van die voorwaarde blijkt namelijk niet uit de Landsverordening regelende de Uitoefening van de Tandheelkunst en evenmin is het Gerecht gebleken van ministerieel beleid dat dit zou voorschrijven.. Het Gerecht vindt echter dat [tandarts 1] hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. Zie immers zijn e-mail van 15 december 2016 aan het Ministerie waarin hij melding maakt van het feit dat hij de opzeggingsbrief pas kan gebruiken als hij de verzochte toestemming van de Minister heeft ontvangen.

4.6.

Het Gerecht is voorts van oordeel dat de perikelen rondom de toestemming van de Minister aan [tandarts 1] de rechtsverhouding tussen partijen niet raakt. Niet alleen omdat uit 2.12. van dit vonnis volgt dat [tandarts 1] voorzien was van ministeriële toestemming tijdens de opzegtermijn. Ook omdat op grond van artikel 3:40 BW de hoofdregel is dat strijd met dwingende wetsbepalingen niet met zich brengt dat privaatrechtelijke rechtshandelingen nietig zijn. Volledigheidshalve overweegt het Gerecht dat gesteld noch gebleken is dat er een rechtsregel bestaat die voorschrijft dat [tandarts 1] aan [tandarts 2] kennis had moeten geven van zijn vergunningsaanvraag.

4.7.

Het Gerecht staat nog stil bij twee punten. Door [tandarts 2] is haar uitvoerige correspondentie met het Ministerie in het geding gebracht. Zij is namelijk van mening dat het Ministerie naar haar toe in deze kwestie verkeerd heeft gehandeld. Overwogen wordt dat het Gerecht hierop niet hoeft in te gaan omdat, zoals uit de vorige alinea blijkt, dat geen consequenties heeft voor haar rechtsverhouding met [tandarts 1].

4.8.

Verder is van belang dat niet kan worden uitgesloten dat het niet in acht willen nemen door [tandarts 2] van de opzegtermijn is geschied uit concurrentie-overwegingen. Nu partijen daarvoor geen voorziening hebben getroffen in de overeenkomst van opdracht is dat voor de beoordeling niet van belang. Het Gerecht constateert dat met het niet in acht nemen van de opzegtermijn [tandarts 2] mogelijk haar belangen op dit punt heeft beschermd. Gedurende drie maanden had [tandarts 1] immers geen patienten om te behandelen. Dat doet echter niet af aan haar verplichting over de opzegtermijn het loon te betalen.

4.9.

Door [tandarts 2] wordt het gevorderde bedrag rekenkundig niet betwist zodat het Gerecht dit dient toe te wijzen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de vervaldatum van iedere maandtermijn.

4.10.

Als in het ongelijk gestelde partij wordt [tandarts 2] in de proceskosten veroordeeld.

[tandarts 1] versus [tandarts 2-vennootschap]

[tandarts 1-vennootschap] versus[tandarts 2-vennootschap en [tandarts 2]

4.11.

Nu de overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen tussen [tandarts 1] en [tandarts 2] voert [TANDARTS 2-VENNOOTSCHAP] terecht aan dat [tandarts 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.12.

Datzelfde geldt in de verhouding tussen [tandarts 1-vennootschap] versus [TANDARTS 2-VENNOOTSCHAP] en [tandarts 2].

4.13.

Het Gerecht ziet aanleiding om [tandarts 1] en B.V. [tandarts 1] in de proceskosten te veroordelen. Dat is een lager bedrag dan gebruikelijk omdat dit verweer qua schriftelijke uitleg beperkt van aard was.

5 De beslissing

Het Gerecht:

[tandarts 1] versus [tandarts 2]

veroordeelt [tandarts 2] tot betaling van US$ 42.310,63 aan [tandarts 1], te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van opeisbaarheid van de specifieke maandtermijnen tot de dag van algehele betaling,

veroordeelt [tandarts 2] in de proceskosten, aan de zijde van [tandarts 1] tot op heden begroot op NAf 1.009,50 aan verschotten en op NAf 3.000,00 aan gemachtigdensalaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde,

[tandarts 1] versus [TANDARTS 2-VENNOOTSCHAP] en

[tandarts 1-vennotschap] versus [TANDARTS 2-VENNOOTSCHAP] en [tandarts 2]

verklaart [tandarts 1] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen tegen [TANDARTS 2-VENNOOTSCHAP],

verklaart [tandarts 1-vennootschap] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen tegen [TANDARTS 2-VENNOOTSCHAP] en [tandarts 2],

veroordeelt [tandarts 1] en [tandarts 1-vennootschap] in de proceskosten, aan de zijde van [TANDARTS 2-VENNOOTSCHAP] en [tandarts 2] begroot op nihil aan verschotten en op NAf. 500,00 aan salaris gemachtigde,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 30 oktober 2018 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.