Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:9

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
010/18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is wnd. directeur van het Huis van Bewaring / Strafgevangenis te Sint Maarten. Hij verstrekt een lijst met stemgerechtigde gedetineerden aan een campagnevoerende politicus. Verdachte heeft die politicus om een persoonlijke lening verzocht. Een aantal gedetineerden ontvangt via een medeverdachte $ 100 op hun kantinerekening om op deze politicus te stemmen. De politicus behaalt bij (uitsluitend) het stembureau in het Hvb/strafgevangenis het hoogste aantal stemmen. De wnd gevangensidirecteur wordt veroordeeld voor schending van zijn ambtsgeheim en voor medeplichtigheid aan het kopen van stemmen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op […] te Sint Maarten,

wonende in Sint Maarten,

[…], Sint Maarten.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Brooks.

De officier van justitie, mr. M.R. van Nes, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaar.

De raadsvrouw heeft het woord ter verdediging gevoerd, overeenkomstig haar overgelegde pleitaantekeningen.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

[1. medeplichtigheid aan stembusfraude en 2. Schending beroepsgeheim]

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Wat betreft feit 2 merkt het Gerecht op dat het niet buiten bevoegde kring bekend maken van namen van gedetineerden mede een publiek belang betreft, zodat het gerecht oordeelt dat het klachtvereiste van artikel 285 van het Wetboek van strafrecht (oud) niet van toepassing is.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Bewijsoverwegingen

Het gerecht acht op grond van na te melden bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Feit 1

a. De Statenverkiezingen vonden plaats op 29 augustus 20141. Verdachte ontkent dat hij betrokken is bij het kopen van stemmen. De informatie die hij – als interim directeur van de Strafgevangenis en het Huis van Bewaring te Sint Maarten2 - het campagne voerende kandidaat-statenlid [medeverdachte 1] heeft gegeven, te weten de lijst met namen van de stemgerechtigde gedetineerden, betrof geen vertrouwelijke informatie en heeft hij eveneens aan anderen ter beschikking gesteld. Hij stelt zich niet bewust te zijn geweest dat [medeverdachte 1] of iemand anders bezig was gedetineerden geld te geven in ruil voor hun stem.

Het gerecht oordeelt als volgt. Verdachte heeft verklaard3 dat hij telefonisch contact had met [medeverdachte 1]. Deze vroeg hem hoeveel gedetineerden met de Nederlandse nationaliteit konden stemmen. Hij heeft [medeverdachte 1], na dit door een ambtenaar te laten uitzoeken, doorgegeven dat van de 135 gedetineerden mogelijk 80 stemgerechtigd waren. Tevens heeft hij [medeverdachte 1] de lijst gegeven met namen van stemgerechtigde gedetineerden. [medeverdachte 1] kon de lijst niet persoonlijk halen en verdachte heeft deze aan hem afgegeven.4 Op de vraag waarom [medeverdachte 1] de lijst wilde hebben, verklaart verdachte: het was om te weten hoeveel mensen konden stemmen in de gevangenis.5 Verdachte wordt een tabel getoond met de belcontacten tussen hem en [medeverdachte 1]. Vanaf 11 augustus 2014 tot op de dag van de verkiezingen d.d. 29 augustus 2014 zijn er 10 telefoongesprekken geweest.6

Verdachte stelt dat niet alleen [medeverdachte 1], maar ook anderen geïnteresseerd waren in de lijst en dat hij die ook heeft gegeven. Uit de gespreksgegevens met degenen die verdachte daarbij heeft genoemd, te weten [RM, FM, FR en ML] blijkt evenwel niet van belcontacten met verdachte7. Het gerecht leidt daaruit af dat verdachte speciaal voor [medeverdachte 1] de lijst heeft laten opstellen en afgegeven.

Verdachte wist – blijkens vorenstaande - dat [medeverdachte 1] verkiezingscampagne voor zichzelf aan het voeren was. Indien [medeverdachte 1] enkel had willen weten hoeveel stemgerechtigde gedetineerden aanwezig waren, had verdachte eenvoudigweg kunnen volstaan met het geaggregeerde cijfer. Hij heeft deze evenwel een lijst verschaft met namen. De verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte 1] namen nodig had om meer individu-gericht campagne te kunnen voeren, maar dat acht het gerecht niet aannemelijk. Verdachte heeft dat zelf immers niet gezegd. Onverklaard is ook gebleven hoe een persoonsgerichte campagne legitiem zou kunnen plaatsvinden. Immers, ook in de gewone samenleving, ten aanzien van niet-gedetineerde kiezers, wordt er geen campagne gevoerd op basis van officieel ter beschikking gestelde namen van kiesgerechtigden. Verdachte moet zich daarvan als burger van Sint Maarten zonder meer bewust zijn geweest. Bovendien duiden de vele telefonische contacten tussen verdachte en [medeverdachte 1] in de aanloop naar en op de dag van de verkiezingen, waarvoor verdachte geen duidelijke verklaring heeft kunnen geven, op een onzakelijke verhouding tussen beide. Deze onzakelijke verhouding wordt verder aangetoond door de vondst van twee handgeschreven brieven van verdachte in de woning van [medeverdachte 1], waarvan een gericht aan “Dear mr [medeverdachte 1]”, waarin verdachte verzoekt om een lening van US$ 15.000,--8. Dat verdachte dat geld mogelijk nooit van [medeverdachte 1] heeft gekregen, zoals verdachte verklaart, doet niet af aan het feit dat verdachte hem wel geld te leen heeft gevraagd en daarmee dus een persoonlijk belang bij [medeverdachte 1] had. Uit het ontbreken van telefonische contacten tussen verdachte en andere campagnevoerders blijkt eveneens dat verdachte op deze wijze exclusief met [medeverdachte 1] contact over de verkiezingen onderhield. Onder deze omstandigheden kan het naar het oordeel van het gerecht niet anders zijn dan dat verdachte aan [medeverdachte 1] een lijst heeft gegeven met namen van kiesgerechtigde gedetineerden, terwijl hij begreep dat dit niet legitiem was en dit ook geen legitiem doel kon dienen. Gelet op de context kan het evenmin anders zijn dan dat verdachte begreep dat het opzet van [medeverdachte 1] was gericht op stemfraude. Desondanks heeft hij [medeverdachte 1] van de lijst voorzien. Aldus is verdachte behulpzaam geweest bij en tot het plegen van het misdrijf bedoeld in artikel 132 van het Wetboek van Strafrecht (oud).

Dat er gedetineerden zijn betaald in ruil voor een stem, blijkt uit de volgende bewijsmiddelen. Uit het proces-verbaal van bevindingen documentenonderzoek9 blijkt dat er op 27 augustus 2014, dat wil zeggen twee dagen voor de verkiezingen, US$ 100 is gestort op de Prison Cantine Money bankrekening, ten behoeve van de gedetineerden [W, C, L, LW, R, M, B, KW en DW].

De bedragen zijn gestort door [medeverdachte 4]. {Medeverdachte 5] verklaart dat [medeverdachte 4] onderdeel was van het campagneteam van [medeverdachte 1]10. Ook verdachte verklaart dit te hebben gehoord11.

De gedetineerde [B] verklaart dat [medeverdachte 6] bij iedereen kwam om in het algemeen te vragen om voor de UP te stemmen. Het gerecht merkt op dat [medeverdachte 1] lid is van de UP12. [B] verklaart verder dat de gedetineerdenvereniging, medeverdachte 6] of wie ook, onderhandelde over US$ 200,--, maar uiteindelijk kregen ze maar $ 100,--. Op de vraag hoe ze wisten dat het geld van de UP partij kwam, antwoordt [B] dat die partij als enige geld op tafel legde. De UP partij, aldus [B], zette geld op de kantinerekeningen om iedereen te overtuigen op de UP partij te stemmen. Het ging niet specifiek over [medeverdachte 1]. De naam [medeverdachte 1] kwam naar voren in de gesprekken. Daarom nam ik aan dat hij de bron was waar het geld vandaan kwam13.

De gedetineerde [Y] verklaart dat een zekere [A] hem drie dagen voor de verkiezingen benaderde. Hij zei als ik voor de UP zou stemmen of een bepaalde persoon, ik herinner mij zijn naam niet, dan zou iemand tussen de 100 en 150 US dollar op mijn kantinerekening storten. Toen ik het betalingsbewijs zag, bleek het maar 100 US dollar te zijn. Op de vraag of hij op [medeverdachte 1] moest stemmen, zegt York: Ik herinner me de [voornaam van medeverdachte1], maar de naam [achternaam medeverdachte 1] klinkt niet bekend14.

i. De gedetineerde [W] verklaart dat [medeverdachte 5] en [R] campagne voerden voor een politicus genaamd [voornaam medeverdachte 1] van de UP partij. [medeverdachte 5] zei, stem voor [verdachte]. Ze zeiden ons dat [medeverdachte 1] bereid was te betalen. Ik weet dat degenen die kunnen stemmen elk jaar tijdens de verkiezingen voor hun stem Naf 180,-- kunnen krijgen op je kantine[rekening]15.

Uit het onderzoek is gebleken dat bij 19 van de 20 stemdistricten de lijsttrekker van de UP partij het hoogste aantal persoonlijke stemmen heeft behaald. Bij een stemdistrict was dat niet het geval, namelijk bij stemdistrict nr 19, het Huis van Bewaring. Daar was [medeverdachte 1] degene die het hoogste aantal persoonlijke stemmen heeft gehaald16.

Feit 2

Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet bewust is dat hij – door de lijst met stemgerechtigde gedetineerden aan een buitenstaander te verstrekken - een geheimhoudingsplicht heeft overtreden. Hij verklaart nooit een geheimhoudingsverklaring te hebben getekend.

Het Gerecht overweegt als volgt. Ter zitting is verdachte voorgehouden de door hem ondertekende arbeidsovereenkomst d.d. 31 juli 201317. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat dit de op hem toepasselijke arbeidsovereenkomst is. Artikel 6 van die overeenkomst bepaalt:

“Geheimhouding en integriteit Op deze overeenkomst is de Integriteits- en geheimhoudingsverklaring van toepassing. De door de Werknemer ondertekende verklaring wordt aan deze arbeidsovereenkomst gehecht en maakt daarvan deel uit.”

Blijkens de verklaring van getuige [D], chef de kabinet van de Minister van Justitie, bevindt zich in het personeelsdossier van verdachte geen geheimhoudingsverklaring. Ook verdachte verklaart nooit zo’n verklaring te hebben getekend. Het Gerecht acht dit evenwel niet van belang. Uit artikel 3, tweede lid, van de arbeidsovereenkomst blijkt immers dat ook de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht van overeenkomstige toepassing is. Artikel 61, eerste lid, van die verordening luidt:

1. “De ambtenaar is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in zijn ambt is ter kennis gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt of hem uitdrukkelijk is opgelegd.”

Verdachte is op basis van voormelde arbeidsovereenkomst aangesteld als interim directeur van de Pointe Blanche gevangenis en het Huis van Bewaring te Sint Maarten. Privé-gegevens van de onder zijn verantwoordelijkheid vallende gedetineerden kunnen hem slechts ter kennis zijn genomen in zijn ambt. Uit de aard der zaak vloeit voort dat dergelijke privé-gegevens onder de hier bedoelde geheimhoudingsplicht vallen. Verdachte heeft niet gehandeld in opdracht van een superieur. Aldus moet de conclusie luiden dat verdachte geweten moet hebben dat het hier om een vertrouwelijk gegeven gaat dat hij niet aan een ander buiten de dienst had mogen verstrekken. Door dat toch te doen, heeft hij opzettelijk een geheim bekend gemaakt en zich daarmee schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 285 van het Wetboek van strafrecht (oud).

4B. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat, die – voor zover dit processen-verbaal zijn - alle

in de wettelijke vorm op ambtseed dan wel –belofte zijn opgesteld door opsporingsambtenaren werkzaam bij het Korps Politie Sint Maarten, waarbij wordt verwezen naar de doorlopende paginanummers, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Feit 1: De onder 4A genoemde bewijsmiddelen, aldaar zakelijk weergegeven, vanuit de in de voetnoten genoemde wettige bewijsmiddelen.

Feit 2: De onder 4A genoemde, op dit feit betrekking hebbende bewijsmiddelen, aldaar zakelijk weergegeven, vanuit de in de voetnoten genoemde wettige bewijsmiddelen. Tevens wordt gebezigd het bewijsmiddel genoemd in voetnoot 4.

4C. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:


[1. medeplichtigheid aan stembusfraude en 2. Schending beroepsgeheim]

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: Medeplichtigheid aan meermalen gepleegde overtreding van artikel 132 van het Wetboek van Strafrecht (oud).

Feit 2: Overtreding van artikel 285 van het Wetboek van strafrecht (oud).

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. De feiten zijn derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is niet eerder voor een misdrijf veroordeeld geworden.

Verdachte is als medeplichtige behulpzaam geweest bij het kopen van stemmen en heeft in dat verband tevens zijn geheimhoudingsplicht geschonden. Hij is een belangrijke schakel geweest in een misdrijf gepleegd dat is gericht tegen het fundament van de parlementaire democratie, namelijk dat niet de beste of meest overtuigende kandidaat wordt verkozen, maar degene met de meeste middelen. Tevens heeft hij hiermee het aanzien van het democratisch bestel van het Land Sint Maarten bezoedeld.

Sint Maarten wordt reeds langer geplaagd door berichten en kwesties over ‘vote buying’ tijdens verkiezingen. Eén van de hiervoor geciteerde gedetineerden zegt dat je bij elke verkiezing Naf. 180,-- voor je stem kunt krijgen. Het gerecht ziet daarin aanleiding om in de strafmaat rekening te houden met de generaal-preventieve werking die van straffen moet uitgaan, zodat niet alleen verdachte, maar ook eventuele anderen die zich met dit soort zaken zouden willen bezig houden, worden afgeschrikt. Als waarnemend directeur van de gevangenis heeft verdachte bovendien een voorbeeldfunctie. Zijn straf moet voldoende afschrikwekkend zijn om niet alleen hem, maar ook anderen de norm in te scherpen dat het kopen van stemmen niet toelaatbaar is.

Gelet daarop acht het gerecht een andere straf dan een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.

Op schending van artikel 132 van het Wetboek van Strafrecht (oud) stond een gevangenisstraf van maximaal zes maanden (dat wil zeggen 4 maanden in het geval van medeplichtigheid). Het gerecht zal – nu artikel 1:1, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht daartoe verplicht - deze bepaling toepassen, omdat deze gunstiger voor verdachte is dan de huidige strafbaarstelling in artikel 2:44 dat een strafmaximum van twee jaar kent.

Op overtreding van artikel 285 van het Wetboek van strafrecht (oud) staat eveneens een strafmaximum van zes maanden. Het huidige artikel 2:232 stelt daar een maximum straf op van een jaar. Het gerecht zal ook hier in het voordeel van verdachte het oude recht toepassen.

Het Gerecht oordeelt vanwege de ongelijksoortigheid van de toepasselijke strafbepalingen dat er sprake is van meerdaadse samenloop. Voor beide feiten geldt daarmee één maximum-straf, te weten acht maanden gevangenisstraf (een derde boven het strafmaximum). Vanwege de medeplichtigheid die verdachte wordt verweten, gaat daar vervolgens een derde af, zodat resteert een strafmaximum van 160 dagen.

Om die reden komt het Gerecht tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist.

Omdat het strafmaximum destijds lager was en de op te leggen straf bij voorkeur proportioneel moet zijn aan het gemaakte verwijt, zal het Gerecht niet het strafmaximum in de vorm van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf toepassen, nu dit in beginsel moet worden voorbehouden aan schendingen van de ergste soort of bij recidive.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht 132 (oud), 285 (oud), 1:19, 1:124, 1:136.

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4C omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde feit het in rubriek 5 genoemde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 160 (HONDERDENZESTIG) dagen;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 80 (TACHTIG) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.A.H. Lemaire en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 21 februari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Besluit van het centraal stembureau tot vaststelling van de uitslag der verkiezing van de leden van de Staten (art. 94 Kiesverordening) datum stemming: 29 augustus 2014; vindplaats: http://www.sintmaartengov.org/government/AZ/laws/National%20Gazettes/Landscourant%2019%20september%202014.pdf; Het Gerecht heeft een afdruk van de eerste pagina, weergevende het besluit van het Centraal Stembureau op blz. 18 van de Landscourant, nr 19 van 2014, aan het dossier “Grastelchi” toegevoegd en bezigt dit voor het bewijs als schriftelijk stuk als bedoeld in artikel 382, eerste lid, onderdeel e, van het Wetboek van Strafvordering ten bewijze van het bestanddeel in de tenlastelegging dat er sprake is van een krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, die heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2014.

2 Blijkens zijn arbeidsovereenkomst met de publiekrechtelijke rechtspersoon Sint Maarten d.d. 31 juli 2012, die volgens verklaring van verdachte ter zitting van 31 januari 2018 nog immer voortduurde.

3 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtseed opgesteld d.d. 21 juni 2016 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende verklaring van verdachte, blz. 7, 2e en 4e alinea (onderzoek “Grastelchi).

4 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtseed opgesteld d.d. 13 april 2017 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende verklaring van verdachte, blz. 37, 2e volle alinea (onderzoek “Grastelchi”).

5 Idem, 3e alinea.

6 Idem, tabel halverwege blz. 3.

7 Idem, tabellen onderaan blz. 3 en op blz. 4.

8 Bijlagen bij het proces-verbaal d.d. 21 juni 2016, houdende verhoor van verdachte.

9 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtsbelofte opgesteld d.d. 17 november door de Landsrecherche Sint Maarten.

10 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtseed opgesteld d.d. 2 maart 2016 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende verhoor van [medeverdachte 5], dossierpagina 857, voorlaatste alinea, zaaksdossier Octopus.

11 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtsbelofte opgesteld d.d. 16 november 2015 door de Landsrecherche Sint Maarten, dossierpagina 064, houdende verklaring van verdachte.

12 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtseed opgesteld d.d. 2 maart 2016 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende de verklaring van [medeverdachte 1], dossierpagina 609, 6e alinea, zaaksdossier Octopus en tevens het Proces-verbaal documentenonderzoek op ambtseed opgemaakt d.d. 10 februari 2015, dossierpagina 41 e.v., zaaksdossier Octopus ([medeverdachte 1] is de enige [voornaam medeverdachte 1] op de kandidatenlijst en stond op nr 23 van de politieke partij United People, bekend als UP).

13 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtsbelofte opgesteld d.d. 15 maart 2016 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende de verklaring van [B], dossierpagina 904, voorlaatste alinea, en p. 905, 5e en 6e alinea, zaaksdossier Octopus.

14 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtsbelofte en ambtseed opgesteld d.d. 4 maart 2016 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende de verklaring van [Y], dossierpagina 911, laatste alinea, en p. 912, laatste alinea, zaaksdossier Octopus.

15 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtseed opgesteld d.d. 4 maart 2016 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende verklaring van W].

16 Proces-verbaal documentenonderzoek op ambtseed opgemaakt d.d. 10 februari 2015, dossierpagina 43, zaaksdossier Octopus.

17 Bijlage bij het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtseed opgesteld d.d. 24 januari 2018 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende verklaring van getuige [LD].