Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:82

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
100.0004/18 en 100.00203/18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handelen in strijd met een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening.

Vrijspraak diefstal met geweld – bedreiging – Medeplegen van vuurwapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 100.0004/18 en 100.00203/18

Uitspraak: 19 september 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

(Verdachte),

geboren op ( 1991) in (geboorteplaats),

wonende in (woonplaats),

thans alhier gedetineerd.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw

mr. S.R. Bommel, advocaat in Sint Maarten.

De officier van justitie, mr. D. Hazejager, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht verdachte zal vrijspreken van het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde, het onder 1 en 4 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1.

hij op of omstreeks 24 juni 2017, te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een personenvoertuig (naam: Nissan, type: Centera, met kenteken: M-1201) en/of

- een geldbedrag in contanten van ongeveer 1.100 Amerikaanse Dollars en/of

- twee mobiele telefoons (een grijze Samsung en een witte LG) en/of

een aantal sieraden en/of

- één of meerdere verblijfsdocument(en) en/of paspoort(en), op naam van (slachtoffer) en/of (aangever), en/of

- een aantal (overige) documenten en/of

- een sound systeem en/of

- een televisie en/of

- een tablet en/of een (roze) Z-pad en/of

- een kinderfiets (in de kleuren oranje, blauw en zwart) en/of

- een aantal, namelijk dertig, baseballpetten en/of

- één of meerdere kledingstuk(ken),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan (aangever) toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd met geweld en/of bedreiging met geweld tegen (aangever), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het (meermalen) tonen van een vuurwapen aan voornoemde (aangever) en/of het (meermalen) richten van een vuurwapen op voornoemde (aangever), waarbij de woorden werden toegevoegd: “Where is the money!” en/of

- het wederrechtelijk beroven van de vrijheid van voornoemde (aangever) door hem in een auto te duwen en/of (vervolgens) gedurende een langere periode in die auto rond te rijden en/of

- het meermalen stompen en/of slaan, al dan niet met een vuurwapen, in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het lichaam van voornoemde (aangever) en/of

- ( vervolgens) onder het tonen van het vuurwapen aan voornoemde (aangever), het naar de woning van voornoemde (aangever), gelegen aan de (adres aangever), te gaan en/of

- een mes aan voornoemde (aangever) te tonen en/of één of meerdere stekende beweging(en) met een mes te maken in de richting van voornoemde (aangever);

Feit 2.

hij op of omstreeks 24 juni 2017, in Sint Maarten, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), in de

zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de

Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

Feit 3.
hij op of omstreeks 13 november 2017 in Sint Maarten, (slachtoffer) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met brandstichting, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk voornoemde (slachtoffer) dreigend de woorden toegevoegd:
-“I can kill you and I will do it” en/of
-“I can take you anytime” en/of
-“I could burn the house down”,
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Feit 4.

hij op of omstreeks 17 november 2017, in Sint Maarten, een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenverordening, te weten een pistool (merk: Glock, model: 23 GEN 4, kaliber: .40 met wapennummer: WYD586) en/of elf danwel één of meerdere scherpe patronen (kaliber: .40, met bodemstempels: “WIN 40 S&W”, “Federal 40 S&W” en “PPU 40 S&W”), voorhanden heeft gehad;

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak van feiten 1, 2 en 3

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is het Gerecht van oordeel dat het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Met de raadsvrouw is het Gerecht voorts van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. Het Gerecht overweegt als volgt.

Het Gerecht is van oordeel dat de verklaringen die door (aangever) zijn afgelegd, niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Daartoe is in de eerste plaats redengevend dat die verklaringen inconsistent en onderling tegenstrijdig zijn. (aangever) verklaart zeer verschillend over de plaats en het tijdstip van (de aanvang van) het incident en de details daarvan. De onderlinge verschillen tussen de verklaringen van (aangever) maken het onmogelijk om met enige mate van zekerheid vast te stellen welke de juiste is. Ook zijn er andere aanwijzingen dat aangever niet de waarheid spreekt, zoals het zeer frequente telefooncontact dat hij op de avond van het incident met medeverdachte Dilone heeft gehad, waar aangever eerder beweerde geen van de daders te kennen. Bijeengenomen heeft het Gerecht zo veel twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaringen, dat deze niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

Daar komt bij, dat de verdediging niet de kans heeft gehad om aangever te ondervragen. Het Gerecht heeft eerder het belang daarvan onderkend, door te bevelen dat (aangever) bij de rechter-commissaris zou worden gehoord. Ondanks geruime inspanningen daartoe en ondanks toezeggingen van de getuige om te verschijnen, is (aangever) niet gehoord. Het Gerecht heeft moeten oordelen dat het nodeloos is om nog nadere inspanningen te doen.

Voor deze materie heeft de Hoge Raad het volgende beoordelingskader gegeven1:

3.2.1. Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2. Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

Dit kader toepassend op de onderhavige casus overweegt het Gerecht als volgt. De verdediging heeft, ondanks het nodige initiatief daartoe, de getuige niet kunnen ondervragen. Een bewezenverklaring van feit 1 zou in beslissende mate op diens verklaring steunen. Indien die verklaring wegvalt, blijft immers, zoals hierna te overwegen, onvoldoende bewijs over. De verklaring vindt, op de onderdelen die door de verdachte worden betwist (te weten: dat er sprake was van diefstal), geen steun in andere bewijsmiddelen. Het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid is niet in voldoende mate gecompenseerd. Het Gerecht oordeelt dan ook dat het gebruik van de verklaringen van (aangever) voor het bewijs niet te verenigen is met het recht op een eerlijk proces. Dit oordeel, in samenhang met wat hiervoor is overwogen over de betrouwbaarheid van die verklaringen, leidt tot uitsluiting van de verklaringen van (aangever) van het bewijs.

Het Gerecht overweegt voorts dat het resterende bewijs onvoldoende is om tot een veroordeling te komen voor feit 1. Verdachte heeft verklaard dat hij (medeverdachte) bij het casino heeft ontmoet en hem om een lift naar huis heeft gevraagd. (medeverdachte) moest voor een zakelijke aangelegenheid eerst bij (aangever) thuis zijn, alvorens hij verdachte thuis kon afzetten. In de woning van (aangever) is het bloed van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat een vriend van (medeverdachte) voornemens was aangever aan te vallen met een mes en dat hij dat geweld onnodig vond. Verdachte probeerde aangever tegen dit geweld te beschermen en is hierdoor gewond geraakt. Verdachte heeft geen aangifte gedaan van de mishandeling omdat hij het letsel niet ernstig vond. Daarnaast wilde hij zich niet bemoeien met hetgeen tussen aangever en (medeverdachte) is voorgevallen. Hoewel er geweld is gebruikt, zijn er geen goederen gestolen.

Naar het oordeel van het Gerecht komt deze verklaring onwaarachtig over, te meer omdat de verdachten deze verklaring, gezien de bij (medeverdachte) aangetroffen brieven, kennelijk onderling met elkaar hebben afgestemd. Dat ook de verklaring van verdachte niet geloofwaardig is, maakt echter nog niet dat daarmee wel bewijs voorhanden is voor een beroving.

Een en ander leidt tot vrijspraak van feit 1.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 17 november 2017, in Sint Maarten, een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenverordening, te weten een pistool (merk: Glock, model: 23 GEN 4, kaliber: .40 met wapennummer: WYD586) en/of elf danwel één of meerdere scherpe patronen (kaliber: .40, met bodemstempels: “WIN 40 S&W”, “Federal 40 S&W” en “PPU 40 S&W”), voorhanden heeft gehad;

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het aantreffen van het DNA-profiel van verdachte niet tot een bewezenverklaring kan leiden voor het voorhanden hebben van dat vuurwapen. Er kan voorts niet gezegd worden dat verdachte beschikkingsmacht had over het vuurwapen. De raadsvrouw is van mening dat de verbalisant zich vergist heeft in de herkenning van verdachte. De verbalisanten verklaren dat zij de slippers en jas van verdachte hebben aangetroffen maar er is geen DNA-onderzoek verricht om vast te stellen dat het daadwerkelijk verdachte was die wegrende.

Verdachte verklaart dat hij eerder op die avond bij de Marina bar aanwezig was. Een onbekende man bood hem een vuurwapen te koop. Verdachte zegt dat hij het vuurwapen heeft aangeraakt en bewonderd maar dat hij geen intentie had om het vuurwapen te kopen.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Het Gerecht ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het proces-verbaal van bevindingen van (verbalisant 1) en (verbalisant 2), dat op ambtsbelofte en ambtseed is opgesteld. Uit dit proces-verbaal blijkt dat er op 17 november 2017 een melding binnenkwam van schoten die zijn gehoord ter hoogte van de Marina bar. Verbalisanten begaven zich naar de plaats delict. Bij aankomst zagen verbalisanten een man over een muur springen die vervolgens naar de Garden of Eden Road rende. Toen de verbalisanten zich op de Garden of Eden Road bevonden liep er een onbekende man in hun richting. De onbekende man begon bij het aanzien van de politie weg te rennen. Tijdens een achtervolging werd meerdere malen van de man gevorderd om te stoppen. De man kwam ten val en (verbalisant 2) scheen met zijn zaklantaarn in de richting van de man en herkende hem als verdachte, die hem ambtshalve bekend is. Verbalisant heeft tijdens de achtervolging waargenomen dat verdachte een voorwerp uit zijn broeksband haalde en heeft weggegooid. Op dit wapen is DNA-mengprofiel van ten minste twee personen aangetroffen. Daaruit is een DNA-hoofdprofiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. De verklaring van verdachte vindt geen steun in de rest van het dossier en is niet aannemelijk geworden.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 4 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 3 juncto artikel 11 van de Vuurwapenverordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Handelen in strijd met een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in [het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft een geladen vuurwapen voorhanden gehad op de openbare weg. Daarmee heeft de verdachte een onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid van andere personen in het leven geroepen omdat het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen het gebruik daarvan mogelijk maakt en, naar de ervaring leert, ook vaak met zich mee brengt. Tegen illegaal vuurwapenbezit wordt terecht streng opgetreden.

Het Gerecht heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte minder dan vijf jaar geleden eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dit brengt strafverzwaring met zich mee.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De inbeslaggenomen voorwerpen, een vuurwapen en munitie, zullen aan het verkeer worden onttrokken, nu het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:74, 1:75 en 1:136, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1,2 en 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 21 (eenentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een pistool van het merk GLOCK 23 Gen4, kaliber .40 met wapennummer: WYD586 en 11 patronen kaliber .40 met bodemstempels: WIN 40 S&W, FEDERAL 40 S&W EN PPU 40 S&W;

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. D. Gruijters, bijgestaan door A.R. Osepa-Ritfeld, (zittingsgriffier), en op 19 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Sint Maarten.

1 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447 m.nt. Kooijmans.