Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:8

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
247/16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is politicus en doet mee aan de verkiezingen. Hij vraagt aan de wnd. directeur van het Huis van Bewaring / Strafgevangenis te Sint Maarten een lijst met stemgerechtigde gedetineerden, die deze lijst ook verschaft. Bij een huiszoeking wordt bij verdachte een brief gevonden waarin de directeur hem om een lening vraagt. Een aantal gedetineerden ontvangt via een medeverdachte $ 100 op hun kantinerekening om op verdachte te stemmen. Verdachte behaalt bij (uitsluitend) het stembureau in het Hvb / Strafgevangenis het hoogste aantal stemmen. Hij wordt veroordeeld voor het kopen van stemmen. Hij wordt vrijgesproken van de eveneens ten laste gelegde criminele organisatie omdat uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat daarvan sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

S T R A F V O N N I S

bij verstek

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte, politicus],

geboren op […] te Sint Maarten,

wonende in Sint Maarten,

[…].

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2016, 13 oktober 2016, 9 november 2016, 31 januari 2018. De verdachte is op geen van deze zittingen verschenen.

De officier van justitie, mr. M.R. van Nes, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met als bijkomende straf de ontzetting van verdachte uit het passieve kiesrecht voor de duur van vijf jaren.

De raadsman mr C. Merx heeft ter zitting de nietigheid van de dagvaarding bepleit, doch niet het woord ter verdediging gevoerd.

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft – gezien het feit dat verdachte toentertijd Statenlid was - op basis van artikel 123 van de Staatsregeling van Sint Maarten bij uitspraak van 2 maart 2016, nr HAR 36/2016, de vervolging van verdachte gelast voor – kort gezegd – het door gift of belofte omkopen van een kiezer om zijn stem op bepaalde wijze (of althans niet) uit te oefenen alsmede voor deelneming aan een criminele organisatie.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

Bijlage 1. [deelname criminele organisatie en medeplegen stembusfraude]

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Bewijsoverwegingen

Feit 1

Het gerecht acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte wordt deelname of hulp aan een criminele organisatie verweten. Een criminele organisatie impliceert het bestaan van een min of meer gestructureerd samenwerkingsverband dat het oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Het bestaan van samenwerking in de vorm van medeplegen impliceert nog niet vanzelf ook het bestaan van een criminele organisatie. Voor gesproken kan worden van een organisatie is een samenwerkingsverband en een zekere duurzaamheid daarvan vereist. Blijkens de tenlastelegging had de organisatie waaraan verdachte zou hebben deelgenomen tot doelstelling het plegen van omkoping bij het kiesrecht. Over de onderlinge betrekkingen van de medeplegers van de stembusfraude is in deze zaak evenwel vrijwel niets concreets naar voren gekomen, anders dan dat de bewijsmiddelen duiden op een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die medeplegen oplevert. Ook heeft dit feit zich afgespeeld gedurende ongeveer drie weken voor de verkiezingen. Dit acht het gerecht een te magere feitelijke basis om te oordelen dat er ook sprake was van een criminele organisatie. Verdachte zal van dit feit worden vrij gesproken.

Feit 2

Het gerecht zal verdachte vrij spreken van de ten laste gelegde beloften aan [G] voor een taxivergunning en aan [E] voor een standplaatsvergunning en een baan.

[G] heeft wel contact met [medeverdachte 2] en die zegt dat verdachte een taxivergunning zal regelen, maar dit betekent nog niet dat verdachte hiervan op de hoogte was. Direct bewijs van betrokkenheid van verdachte is er niet. Het feit dat [medeverdachte 2] ten behoeve van [verdachte] een belofte aan [G] doet, is – zonder nader redengevend bewijs waaruit tenminste voorwaardelijk opzet van verdachte blijkt op het overhalen van [G] voor hem te stemmen in ruil voor die belofte - strafrechtelijk niet aan verdachte toe te rekenen.

Wat betreft het verwijt dat verdachte [E’s] stem met een belofte heeft proberen te kopen, overweegt het gerecht dat [E] belastend over verdachte verklaart. In zijn verklaring zegt hij dat door verdachte inderdaad een belofte is gedaan. Redengevend steunbewijs voor deze belastende verklaring is er evenwel niet. Het vinden van stukken van [E] bij verdachte zegt niet specifiek iets over het doen van een belofte in ruil voor een stem. Het kan immers waar zijn dat meer mensen politici benaderen met hun verzoeken, zoals verdachte ten overstaan van de politie stelt. In de overige bewijsmiddelen in deze zaak ziet het gerecht geen relevant steunbewijs, nu de context van het kopen van stemmen van gedetineerden anders is dan wat hier aan de hand is.

Het gerecht acht op grond van na te melden bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het overigens onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

a. De Statenverkiezingen vonden plaats op 29 augustus 20141. Blijkens verdachtes verklaringen tegenover de politie ontkent hij dat hij betrokken is bij het kopen van stemmen.

Het gerecht oordeelt als volgt. Verdachte [3] heeft – als interim directeur van de Strafgevangenis en het Huis van Bewaring te Sint Maarten2 - aan verdachte, die campagne voerde als kandidaat-statenlid, een lijst met namen verschaft van de stemgerechtigde gedetineerden. [Medeverdachte 3] heeft verklaard3 dat hij telefonisch contact had met [verdachte]. Deze vroeg hem hoeveel gedetineerden met de Nederlandse nationaliteit konden stemmen. Hij heeft verdachte, na dit door een ambtenaar te laten uitzoeken, doorgegeven dat van de 135 gedetineerden mogelijk 80 stemgerechtigd waren. Tevens heeft hij verdachte een lijst gegeven met namen van stemgerechtigde gedetineerden. Hij verklaart dat verdachte de lijst niet persoonlijk kon ophalen en [medeverdachte 3] heeft deze aan hem afgegeven.4 Op de vraag waarom [verdachte] de lijst wilde hebben, verklaart [medeverdachte 3]: het was om te weten hoeveel mensen konden stemmen in de gevangenis.5 Aan [medeverdachte 3] wordt een tabel getoond met de belcontacten tussen hem en [verdachte]. Vanaf 11 augustus 2014 tot op de dag van de verkiezingen d.d. 29 augustus 2014 zijn er 10 telefoongesprekken geweest.6

[Medeverdachte 3] verklaart dat niet alleen verdachte, maar ook anderen geïnteresseerd waren in de lijst en dat hij die ook heeft gegeven. Uit de gespreksgegevens met degenen die [medeverdachte 3] daarbij heeft genoemd, te weten [RM, FM, FR en ML] blijkt evenwel niet van belcontacten met [medeverdachte 3]7. Het gerecht leidt daaruit af dat [medeverdachte 3] op verzoek van verdachte heeft gehandeld.

Indien verdachte enkel had willen weten hoeveel stemgerechtigde gedetineerden aanwezig waren, had hij [medeverdachte 3] eenvoudigweg kunnen vragen hoeveel gedetineerden stemgerechtigd waren. Hij had niet de namen hoeven weten. Onverklaard is gebleven hoe een persoonsgerichte campagne legitiem zou kunnen plaatsvinden. Immers, ook in de gewone samenleving, ten aanzien van niet-gedetineerde kiezers, wordt er geen campagne gevoerd op basis van officieel ter beschikking gestelde namen van kiesgerechtigden. Verdachte moet zich daarvan als burger van Sint Maarten zonder meer bewust zijn geweest. Bovendien duiden de vele telefonische contacten tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] in de aanloop naar en op de dag van de verkiezingen op een onzakelijke verhouding tussen beide. Deze onzakelijke verhouding wordt verder aangetoond door de vondst van twee handgeschreven brieven van [medeverdachte 3] in de woning van verdachte, waarvan een gericht aan “Dear mr [verdachte]”, waarin [medeverdachte 3] verzoekt om een lening van US$ 15.000,--8. Dat [medeverdachte 3] dat geld mogelijk nooit van [verdachte] heeft gekregen, zoals verdachte verklaart, doet niet af aan het feit dat [medeverdachte 3] hem wel geld te leen heeft gevraagd en daarmee dus een persoonlijk belang bij verdachte had. Uit het ontbreken van telefonische contacten tussen [medeverdachte 3] en andere campagnevoerders blijkt eveneens dat [medeverdachte 3] op deze wijze exclusief met [verdachte] contact over de verkiezingen onderhield. Onder deze omstandigheden kan het naar het oordeel van het gerecht niet anders zijn dan dat verdachte van [medeverdachte 3] een lijst heeft gekregen met namen van kiesgerechtigde gedetineerden waarvoor hij geen legitiem doel had. Gelet op de context kan het niet anders zijn dan dat verdachte daarmee het opzet had op stemfraude.

Dat er gedetineerden zijn betaald in ruil voor een stem, blijkt uit de volgende bewijsmiddelen. Uit het proces-verbaal van bevindingen documentenonderzoek9 blijkt dat er op 27 augustus 2014, dat wil zeggen twee dagen voor de verkiezingen, US$ 100 is gestort op de Prison Cantine Money bankrekening, ten behoeve van de gedetineerden [W, C, L, LW, R, M, B, KW en DW].

De bedragen zijn gestort door [medeverdachte 4]. [Medeverdachte 5] verklaart dat [medeverdachte 4] onderdeel was van het campagneteam van [verdachte]10. Ook [medeverdachte 3] verklaart dit te hebben gehoord11.

De gedetineerde [B] verklaart dat [medeverdachte 6] bij iedereen kwam om in het algemeen te vragen om voor de UP te stemmen. Het gerecht merkt op dat [verdachte] lid is van de UP12. [B] verklaart verder dat de gedetineerdenvereniging, [medeverdachte 6] of wie ook, onderhandelde over US$ 200,--, maar uiteindelijk kregen ze maar $ 100,--. Op de vraag hoe ze wisten dat het geld van de UP partij kwam, antwoordt [B] dat die partij als enige geld op tafel legde. De UP partij, aldus [B], zette geld op de kantinerekeningen om iedereen te overtuigen op de UP partij te stemmen. Het ging niet specifiek over [verdachte]. De naam [verdachte] kwam naar voren in de gesprekken. Daarom nam ik aan dat hij de bron was waar het geld vandaan kwam13.

De gedetineerde [Y] verklaart dat een zekere [A] hem drie dagen voor de verkiezingen benaderde. Hij zei als ik voor de UP zou stemmen of een bepaalde persoon, ik herinner mij zijn naam niet, dan zou iemand tussen de 100 en 150 US dollar op mijn kantinerekening storten. Toen ik het betalingsbewijs zag, bleek het maar 100 US dollar te zijn. Op de vraag of hij op [verdachte] moest stemmen, zegt York: Ik herinner me de naam [voornaam verdachte], maar de [achternaam van verdachte] klinkt niet bekend.

i. De gedetineerde [W] verklaart dat [medeverdachte 5] en [R] campagne voerden voor een politicus genaamd [voornaam verdachte] van de UP partij. [medeverdachte 5] zei, stem voor [verdachte]. Ze zeiden ons dat [verdachte] bereid was te betalen. Ik weet dat degenen die kunnen stemmen elk jaar tijdens de verkiezingen voor hun stem Naf 180,-- kunnen krijgen op je kantine[rekening]14.

Uit het onderzoek is gebleken dat bij 19 van de 20 stemdistricten de lijsttrekker van de UP partij het hoogste aantal persoonlijke stemmen heeft behaald. Bij een stemdistrict was dat niet het geval, namelijk bij stemdistrict nr 19, het Huis van Bewaring. Daar was [verdachte] degene die het hoogste aantal persoonlijke stemmen heeft gehaald15.

Het vorenstaande in onderling verband beoordeeld, rechtvaardigt geen andere conclusie dan dat verdachte zich met anderen schuldig heeft gemaakt aan omkoping bij het kiesrecht. De feitelijke benadering van kiesgerechtigde gedetineerden en het storten van bedragen op hun rekeningen heeft verdachte overgelaten aan anderen. Uit voorgaande moet evenwel worden geconcludeerd dat zijn mededaders van verdachte informatie hebben verkregen welke gedetineerden stemgerechtigd waren, die hij heeft ontleend aan de door hem van [medeverdachte 3] gevraagde en verkregen lijst. Nu verdachte als kandidaat-parlementslid zelf primair gebaat was bij het gepleegde feit, dient hij in de geschetste context als mededader te worden aangemerkt.

4B. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat, die – voor zover dit processen-verbaal betreft - alle in de wettelijke vorm op ambtseed dan wel –belofte zijn opgesteld door opsporingsambtenaren werkzaam bij het Korps Politie Sint Maarten, waarbij wordt verwezen naar de doorlopende paginanummers, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Feit 2: De onder 4A genoemde, op dit feit betrekking hebbende bewijsmiddelen, aldaar zakelijk weergegeven, vanuit de in de voetnoten genoemde wettige bewijsmiddelen.

4C. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:


Zie bijlage 2.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 2: Medeplegen van overtreding van artikel 132 van het Wetboek van Strafrecht (oud), meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. De feiten zijn derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het ter terechtzitting voorgehouden strafdossier is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 7 januari 2015 door het Gerecht veroordeeld voor het plegen van een fiscaal delict16.

Verdachte is als medepleger betrokken geweest bij het kopen van stemmen en heeft daarbij gebruik gemaakt van geheime informatie die hij illegaal heeft verkregen van de waarnemend directeur van de gevangenis en van het Huis van bewaring. Hij is zelf ook de primaire belanghebbende bij dit misdrijf, gericht tegen het fundament van de parlementaire democratie, namelijk dat niet de beste of meest overtuigende kandidaat wordt verkozen, maar degene met de meeste middelen. Tevens heeft hij hiermee het aanzien van het democratisch bestel van het Land Sint Maarten bezoedeld.

Sint Maarten wordt reeds langer geplaagd door berichten en kwesties over ‘vote buying’ tijdens verkiezingscampagnes. Eén van de hiervoor geciteerde gedetineerden zegt dat je bij elke verkiezing Naf. 180,-- voor je stem kunt krijgen. Het gerecht ziet daarin aanleiding om in de strafmaat rekening te houden met de preventieve werking die van straffen moet uitgaan, zodat niet alleen verdachte, maar ook eventuele anderen die zich met dit soort zaken zouden willen bezig houden, worden afgeschrikt. Als politicus heeft verdachte bovendien een voorbeeldfunctie. Zijn straf moet voldoende afschrikwekkend zijn om niet alleen hem, maar ook anderen de norm in te scherpen dat het kopen van stemmen niet toelaatbaar is.

Gelet daarop acht het gerecht een andere straf dan een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.

Op schending van artikel 132 van het Wetboek van Strafrecht (oud) stond een gevangenisstraf van maximaal zes maanden. Gezien de meerdaadse samenloop geldt voor deze zaak een strafmaximum dat daar een derde boven ligt, te weten acht maanden. Het gerecht zal – nu artikel 1:1, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht daartoe verplicht - deze bepaling toepassen, omdat deze gunstiger voor verdachte is dan de huidige strafbaarstelling in artikel 2:44 dat een strafmaximum van twee jaar kent.

Om die reden komt het Gerecht tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist. Het Gerecht zal niet het strafmaximum in de vorm van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf toepassen, nu dit in beginsel moet worden voorbehouden aan schendingen van de ergste soort.

Het begane delict rechtvaardigt eveneens de ontzetting van verdachte uit het recht tot lid van vertegenwoordigende organen te worden verkozen en wel voor de duur van 5 jaren. De officier van justitie heeft verzocht deze ontzetting uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, doch daarvoor biedt artikel 1:166, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht geen basis.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht 132 (oud), 1:64, eerste lid, onderdeel c, 1:66, eerste lid, onderdeel b, 1:136 Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4C omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde feit het in rubriek 5 genoemde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) maanden;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 2 (TWEE) maanden, niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ontzet verdachte voor de duur van 5 (VIJF) jaren uit het recht tot lid van de algemene vertegenwoordigende organen te worden verkozen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.A.H. Lemaire en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 21 februari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Besluit van het centraal stembureau tot vaststelling van de uitslag der verkiezing van de leden van de Staten (art. 94 Kiesverordening) datum stemming: 29 augustus 2014; vindplaats: http://www.sintmaartengov.org/government/AZ/laws/National%20Gazettes/Landscourant%2019%20september%202014.pdf; Het Gerecht heeft een afdruk van de eerste pagina, weergevende het besluit van het Centraal Stembureau op blz. 18 van de Landscourant, nr 19 van 2014, aan het dossier “Grastelchi” toegevoegd en bezigt dit voor het bewijs als schriftelijk stuk als bedoeld in artikel 382, eerste lid, onderdeel e, van het Wetboek van Strafvordering ten bewijze van het bestanddeel in de tenlastelegging dat er sprake is van een krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, die heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2014.

2 Blijkens zijn arbeidsovereenkomst met de publiekrechtelijke rechtspersoon Sint Maarten d.d. 31 juli 2012.

3 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtseed opgesteld d.d. 21 juni 2016 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende verklaring van [medeverdachte 3], blz. 7, 2e en 4e alinea (onderzoek “Grastelchi).

4 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtseed opgesteld d.d. 13 april 2017 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende verklaring van [medeverdachte 3], blz. 37, 2e volle alinea (onderzoek “Grastelchi”).

5 Idem, 3e alinea.

6 Idem, tabel halverwege blz. 3.

7 Idem, tabellen onderaan blz. 3 en op blz. 4.

8 Bijlagen bij het proces-verbaal d.d. 21 juni 2016, houdende verhoor van [medeverdachte 3].

9 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtsbelofte opgesteld d.d. 17 november door de Landsrecherche Sint Maarten.

10 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtseed opgesteld d.d. 2 maart 2016 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende verhoor van [medeverdachte 5], dossierpagina 857, voorlaatste alinea, zaaksdossier Octopus.

11 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtsbelofte opgesteld d.d. 16 november 2015 door de Landsrecherche Sint Maarten, dossierpagina 064, houdende verklaring van [medeverdachte 3].

12 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtseed opgesteld d.d. 2 maart 2016 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende de verklaring van verdachte, dossierpagina 609, 6e alinea, zaaksdossier Octopus en tevens het Proces-verbaal documentenonderzoek op ambtseed opgemaakt d.d. 10 februari 2015, dossierpagina 41 e.v., zaaksdossier Octopus ([verdachte] is de enige [met die voornaam] op de kandidatenlijst en stond op nr 23 van de politieke partij United People, bekend als UP).

13 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtsbelofte opgesteld d.d. 15 maart 2016 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende de verklaring van [B], dossierpagina 904, voorlaatste alinea, en p. 905, 5e en 6e alinea, zaaksdossier Octopus.

14 Het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal op ambtseed opgesteld d.d. 4 maart 2016 door de Landsrecherche Sint Maarten, houdende verklaring van [W].

15 Proces-verbaal documentenonderzoek op ambtseed opgemaakt d.d. 10 februari 2015, dossierpagina 43, zaaksdossier Octopus.

16 Blijkens de strafkaart die in het dossier is gevoegd.