Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:7

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
AR 2016/147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Verwisseling stoffelijke overschotten. Smartengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 20 februari 2018

Zaaknummer: AR 2016/147

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis

inzake:

de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [de overledene],

te weten: (1), (2), (3), (4), (5), (6), (7),

allen wonende in de Verenigde Staten van Amerika,

eisers,

gemachtigde: de heer E.I. Maduro,

hierna: de erven,

tegen

de naamloze vennootschap [de Sint Maartense begrafenisonderneming],

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. D.C. Daal,

hierna: de Sint Maartense begrafenisonderneming.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. het verzoekschrift met producties d.d. 16 november 2016,

  2. de conclusie van antwoord met producties,

  3. het tussenvonnis van 4 april 2016,

  4. het proces-verbaal van comparitie van partijen,

  5. conclusie na comparitie van partijen van de Sint Maartense begrafenisonderneming,

  6. antwoordakte van de erven.

1.2.

De rechter die de comparitie heeft geleid is niet langer werkzaam op Sint Maarten. Aan gemachtigden is medegedeeld dat een andere rechter het vonnis zal wijzen. Desgevraagd hebben zij geantwoord geen behoefte te hebben om de comparitie van partijen over te doen.

1.3.

De uitspraak vindt vandaag plaats.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De Sint Maartense begrafenisonderneming heeft op 29 november 2013 het stoffelijk overschot ontvangen van (hierna: de overledene), overleden diezelfde dag in het Sint Maarten Medical Center.

2.2.

Op 6 december 2013 heeft de Sint Maartense begrafenisonderneming het stoffelijk overschot vervoerd naar Princess Juliana Airport op Sint Maarten. Daar is het afgegeven aan grondpersoneel van American Airlines Cargo (hierna: de luchtvervoerder) voor vervoer naar New York (JFK).

2.3.

Voor haar werkzaamheden heeft de Sint Maartense begrafenisonderneming aan de erven USD 6.690,00 gefactureerd en betaald gekregen.

2.4.

Na aankomst bij de Amerikaanse begrafenisonderneming werd door de erven vastgesteld dat het ontvangen stoffelijk overschot niet dat van de overledene is.

2.5.

Nader onderzoek (DNA, röntgen- en waarneming door de erven alsmede foto’s) heeft uitgewezen dat dit het stoffelijk overschot is van [de Canadese overledene], overleden op dezelfde dag en op dezelfde dag ontvangen door de Sint Maartense begrafenisonderneming. Het is op dezelfde vlucht van de luchtvervoerder vervoerd richting JFK. Het stoffelijk overschot van de overledene is in Canada terecht gekomen en daar gecremeerd op verzoek van de nabestaanden van De Canadese overledene, zonder dat de erven daarbij aanwezig waren.

2.6.

Door de Amerikaanse begrafenisondernemer zijn aantekeningen opgesteld. Onder andere staat daarin over de ontvangst van het stoffelijk overschot uit Sint Maarten:

“The body arrived in a minimum metal casket enclosed in a shipping case. (…) In addition it should be noted that neither the casket nor shipping container had any writing or tags whatsoever. According to our director who made the transfer, ……, the airway bill and the death certificates were attached to the shipping case. The airway bill matches that sent via email from St. Maarten (…).”

2.7.

Ook is in deze aantekeningen vermeld:

“In addition, when the family questioned the identity, they informed us that when they brought the mother’s clothing to the [Sint Maartense begrafenisonderneming] they asked to identify the remains and were told they could not. We asked the family to identify the clothing that the woman came in. The family positively identified the clothing as the clothing they brought to the [Sint Maartense begrafenisonderneming] for their mother. Due to this fact, and the airway bill we are positive that the body was shipped from the [begrafenisonderneming] and that there was no “mix-up” at the airport or with the airlines.”

2.8.

De erven hebben de sieraden van de Canadese overledene, die zich op het stoffelijk overschot bevonden, aan haar nabestaanden toegezonden.

2.9.

Uit de voorschriften van de luchtvervoerder:

“All international paperwork must be easily accessible by the [luchtvervoerder] and the receiving party. Paperwork must move with the remains in a document pouch on the outside of the container and cannot (…) be attached to the inside of outside of the casket.”

2.10.

Bij brief van 22 februari 2016 hebben de erven de begrafenisonderneming aansprakelijk gesteld voor hun schade. Deze aansprakelijkstelling heeft de begrafenisonderneming niet geaccepteerd.

3 De vorderingen en het verweer

3.1.

De erven verzoeken het Gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de volgende beslissingen te nemen:

  1. “voor recht te verklaren dat [de Sint Maartense begrafenisonderneming] onrechtmatig jegens [de erven] heeft gehandeld, subsidiair zich schuldig heeft gemaakt aan wanprestatie en derhalve schadevergoedingsplichtig is jegens [de erven].

  2. [de begrafenisonderneming] te veroordelen om aan [de erven] te restitueren het bedrag van US$ 6.690,- thans vermeerderd met 15% inkassokosten en de wettelijke rente vanaf 2015 tot en met de dag der algehele voldoening.

  3. [de begrafenisonderneming] te veroordelen om aan [de erven] te betalen het bedrag van US$ 500.000,00 als schadevergoedingsbedrag, althans een door U E.A. in goede justitie door UEA te bepalen schadevergoedingsbedrag.

  4. [de begrafenisonderneming] te veroordelen in de kosten van dit geding, de griffierechten inbegrepen.”

3.2.

De begrafenisonderneming verzoekt het Gerecht de vorderingen af te wijzen.

3.3.

Kort en zakelijk weergegeven voeren de erven, met inachtneming van de vaststaande feiten, de volgende argumenten aan. Toen zij het stoffelijk overschot voor het eerst zagen bij de Amerikaanse begrafenisonderneming bemerkten zij direct dat deze geen gelijkenis had met de overledene. Er waren sieraden die niet van de overledene waren terwijl bovendien een van de dochters in het ziekenhuis op Sint Maarten alle juwelen had meegenomen. Later bleken die sieraden van de Canadese overledene te zijn (e-mails tussen de nabestaanden van beide overledenen). Omdat de voorbereidingen al hadden plaatsgevonden werd besloten de uitvaart te laten doorgaan. Dat leidde echter tot consternatie onder de rouwenden zodat werd besloten de uitvaart te stoppen. Door de Inspectie van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid van Sint Maarten is een rapport opgesteld d.d. 17 januari 2013. Daaruit leiden de erven af dat de begrafenisonderneming onverantwoord heeft gehandeld door de kisten niet te voorzien van identiteitsbewijzen en dat de stoffelijke overschotten van de Canadese overledene en de overledene zijn verwisseld. De erven stellen dat afschriften van de paspoorten in de verkeerde lijkkisten lagen. In de lijkkist die naar de erven werd gezonden bevond zich een fotokopie van het paspoort van de overledene en op de airwaybill stond haar naam, en daaraan was bovendien gehecht haar overlijdensakte. Dat betekent dat de luchtvervoerder de fout niet kan hebben gemaakt, zoals door de begrafenisonderneming ten onrechte wordt aangevoerd.

3.4.

Kort en zakelijk weergegeven verweert de Sint Maartense begrafenisonderneming zich als volgt. De Sint Maartense begrafenisonderneming heeft gehandeld met inachtneming van de wettelijke voorschriften. Zij heeft voor het internationaal transport van stoffelijke overschotten een eigen procedure waarin checks zijn opgenomen om vergissingen te voorkomen. Stoffelijke overschotten worden niet gelijktijdig verzorgd en gereed gemaakt voor transport. Wanneer het stoffelijk overschot in een kist wordt geplaatst wordt tevens een kopie van de identificatie, die daarvoor op de behandeltafel was vastgemaakt, in de kist gelegd. Pas op het moment dat de kist wordt vervoerd wordt de identificatie uit de kist gehaald en aan de kist gehecht. Dat is de algemene gang van zaken. Nu er twee stoffelijke overschotten met dezelfde vlucht meegingen heeft de begrafenisonderneming gebruik gemaakt van twee verschillende auto’s om de stoffelijke overschotten naar de luchthaven te vervoeren. Eén auto aan de vooringang en één auto aan de achteruitgang van de begrafenisonderneming. Aangekomen op de luchthaven werd eerst het ene stoffelijk overschot uitgeladen en overgedragen aan het grondpersoneel van de luchtvervoerder. Toen dat helemaal was afgewikkeld, inclusief de administratieve handelingen, werd pas het tweede stoffelijk overschot uitgeladen en aan het grondpersoneel overgedragen. Na deze overdracht is de Sint Maartense begrafenisonderneming natuurlijk niet meer verantwoordelijk voor de stoffelijke overschotten. Niet is uit te sluiten dat de luchtvervoerder de documentatie door elkaar heeft gehaald toen zij deze op de kisten aanbracht. Daarbij moet worden bedacht dat de luchtvervoerder dwingend “Air Trays” heeft voorgeschreven. Dat zijn kisten om de lijkkist heen en daarop brengt de luchtvervoerder zelf de identificatiepapieren aan. Dat mocht de begrafenisondernemer, anders dan voorheen, niet meer zelf doen. Alinea 8 conclusie van antwoord luidt aan het slot als volgt: “De vrachtvervoerder zou zelf de documentatie in een, voor wat [de Sint Maartense begrafenisondernemer] telkens heeft waargenomen bij het vliegveld, rode buidel en of zak plaatsen. De vrachtvervoerder zou de documentatie ook zelf op de kist aanbrengen.”

4. De beoordeling

4.1.

Partijen gaan er stilzwijgend vanuit dat het recht van Sint Maarten van toepassing is op dit geschil. Het Gerecht zal hiervan ook uitgaan.

4.2.

Het Gerecht hecht waarde aan de gedetailleerde aantekeningen van de Amerikaanse begrafenisonderneming die door de Sint Maartense begrafenisonderneming niet dan wel onvoldoende zijn betwist. Daaruit volgt dat de lijkkist uit Sint Maarten werd ontvangen, voorzien van de juiste documentatie aangebracht op de kist. Deze strookte namelijk met de via e-mail van de Sint Maartense begrafenisonderneming ontvangen documentatie. Uit het dossier blijkt niet dat een kopie van het identiteitsbewijs in de lijkkist was gelegd. Dat wordt door de erven wel aangevoerd maar wordt niet ondersteund door enig bewijs. Het blijkt niet uit de aantekeningen van de Amerikaanse begrafenisondernemer, het mag niet op grond van de voorschriften van de luchtvervoerder en het strookt niet met wat de Sint Maartense begrafenisondernemer stelt over zijn vaste gebruik. Het Gerecht houdt het ervoor dat deze stelling van de erven moet berusten op een vergissing.

4.3.

Feit is dat gelijktijdig met de door de Amerikaanse begrafenisonderneming ontvangen kist wel de documentatie van de overledene werd ontvangen maar niet haar stoffelijk overschot. In plaats daarvan lag in de kist het stoffelijk overschot van de Canadese overledene. De vraag is nu of dit aan handelen of nalaten van de Sint Maartense begrafenisonderneming is te wijten of dat, zoals zij aanvoert, dit wordt veroorzaakt door een fout van de luchtvervoerder.

4.4.

Uit de aantekeningen van de Amerikaanse begrafenisondernemer volgt, zoals ook door de erven is aangevoerd, dat de Canadese overledene was gekleed in de kleding die door een van de dochters van de overledene was afgegeven aan de Sint Maartense begrafenisonderneming ten behoeve van het vervoer van het stoffelijk overschot naar de Amerikaanse begrafenisonderneming. Door de Sint Maartense begrafenisonderneming wordt erkend, dan wel onvoldoende betwist, dat door de dochter kleding aan haar is afgegeven om de overledene te kleden voor de vlucht naar JFK. Zij betwist echter dat de Canadese overledene de kleding van de overledene aan had. Op de comparitie is dit punt besproken. [eiseres 5] heeft hierover verklaard: “When the body arrived in New Jersey, the funeral home gave us the clothes the body had on when it was shipped to the US. The clothes the funeral home in the US gave us were the same clothes we had given to [de Sint Maartense begrafenisonderneming].” [Zij] verzoekt de rechter [de erven] te vragen hoe de kleding die ze ontvangen hadden er uit zag.

“[eiseres 5]: The clothes were intact.

[namens de Sint Maartense begrafenisonderneming): That is not possible if the clothes were given to us. We cut the clothing to put it on the body so they could not have been intact.”

4.5.

Ter comparitie wordt door de Sint Maartense begrafenisonderneming onvoldoende betwist dat de Canadese overledene de kleding van de overledene droeg. De enkele stelling dat, kennelijk altijd, kleding wordt verknipt om het passend te maken is een onvoldoende betwisting tegenover de verklaring van de dochter en de aantekeningen van de Amerikaanse begrafenisonderneming. In de processtukken namens de Sint Maartense begrafenisonderneming wordt in het geheel niet ingegaan op de kwestie van de kleding. Dat betekent dus dat het Gerecht ervan uitgaat dat de Sint Maartense begrafenisondernemer de Canadese overledene had gekleed in de kleding van de overledene.

4.6.

Verder hecht het Gerecht er belang aan dat uit het dossier volgt dat de dochter in het ziekenhuis op Sint Maarten de juwelen van haar moeder had verzameld terwijl het stoffelijk overschot van de Canadese overledene nog was voorzien van sieraden. Uit de mailwisseling tussen de nabestaanden van de overleden volgt bovendien dat door de erven de sieraden van De Canadese overledene aan haar nabestaanden zijn toegezonden. Dit alles wordt door de Sint Maartense begrafenisondernemer niet dan wel onvoldoende betwist. In combinatie met de kleding is dat een belangrijke aanwijzing dat de Sint Maartense begrafenisonderneming de Canadese overledene heeft aangezien voor de overledene.

4.7.

Het verweer van de Sint Maartense begrafenisonderneming komt er eigenlijk op neer dat zij in het algemeen zorgvuldig handelt, zij in dit specifieke geval maatregelen om vergissingen te voorkomen heeft genomen en dat de fout dus moet zijn gemaakt door de luchtvervoerder. Gelet echter op de kwesties van de sieraden en de kleding, gecombineerd met het uit de verklaring van de Amerikaanse begrafenisondernemer blijkende feit dat de juiste documentatie (dus van de overledene) door hem met het stoffelijk overschot van de Canadese overledene is ontvangen, is dit verweer onvoldoende feitelijk ingekleed zodat de Sint Maartense begrafenisonderneming niet heeft voldaan aan haar stelplicht.

4.8.

Het Gerecht gaat er dus vanuit dat de verwisseling van de stoffelijke overschotten moet hebben plaatsgevonden bij de Sint Maartense begrafenisonderneming. Dit is onrechtmatig jegens de erven en de gevorderde verklaring voor recht kan dus bij eindvonnis worden toegewezen. Dit betekent ook dat de Sint Maartense begrafenisonderneming tekort is geschoten in de uitvoering van de met de erven gesloten overeenkomst, meer specifiek haar verbintenis tot zorgvuldig beheer van het stoffelijk overschot. Deze tekortkoming is dermate ernstig dat zij toerekenbaar is, zodat deze door de Sint Maartense begrafenisonderneming aan de erven moet worden terugbetaald. Ook dat zal bij eindvonnis worden beslist.

4.9.

De erven vorderen immateriële schade van USD 500.000,00. Ten aanzien van deze vordering heeft het Gerecht de nodige vragen. Uit het verzoekschrift volgt dat de erven als zodanig optreden krachtens Amerikaans erfrecht. Zij stellen de rechtsopvolgers onder algemene titel te zijn van de overledene. De vordering wegens immateriële schade kan echter geen deel van de nalatenschap zijn. Deze vordering is immers eerst na het overlijden ontstaan. Dat zou dus in principe tot niet-ontvankelijkverklaring van de erven moeten leiden. De immateriële schade zou mogelijk wel gevorderd kunnen worden door ieder van de erven als privé persoon indien sprake zou zijn van een onrechtmatige daad van de Sint Maartense begrafenisonderneming jegens iedere eiser(es), maar daarover biedt het verzoekschrift geen informatie terwijl dat wel een vereiste is om een vordering als de onderhavige te kunnen beoordelen.

4.10.

Verder hadden de erven (beter gezegd: ieder van de nabestaanden voor zich) moeten uitleggen op welke categorie van artikel 6:106 BW zij de smartengeldclaim baseren of dat zij zich beroepen op de in de jurisprudentie ontwikkelde leer van de zogenaamde shockschade of anderszins. Temeer nu bij antwoord wordt betwist dat smartengeld verschuldigd is.

4.11.

Omdat de procedure tot nu toe met name over de “schuldvraag” ging ziet het Gerecht aanleiding om de erven in de gelegenheid te stellen nadere uitleg te geven over de vordering betreffende de immateriële schadevergoeding. Daartoe wordt de zaak verwezen naar de rolzitting voor conclusie na tussenvonnis van de erven. Daarna mag de Sint Maartense begrafenisonderneming een antwoordconclusie na tussenvonnis indienen.

4.12.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 20 maart 2018 om 8.30 uur voor conclusie na tussenvonnis van de erven (P1);

bepaalt dat daarna de Sint Maartense begrafenisonderneming een antwoordconclusie na tussenvonnis mag indienen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en ter openbare zitting van 20 februari 2018 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.