Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:53

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
20-06-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
EJ 2018/144
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Loondoorbetaling bij ziekte voor “betrekkelijk korte tijd”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 20 juni 2018

Zaaknummer: EJ 2018/144

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Beschikking

inzake:

[de werknemer],

wonende te Sint Maarten,

eiseres,

hierna: de werknemer,

gemachtigde: mr. W. Nelissen

tegen

de naamloze vennootschap [de werkgever],

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

hierna: de werkgever,

gemachtigde: mr. J. Deelstra.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties,

  2. brief van 4 mei 2018 met producties namens de werkgever,

  3. pleitnota namens de werknemer,

  4. pleitnota namens de werkgever.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 mei 2018. De werknemer en haar gemachtigden mr. Nelissen en mr. Wasiela zijn verschenen en ook mr. Deelstra. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

1.3.

Vandaag wordt uitspraak gedaan.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Vanaf 1 november 2015 hebben er tussen de werkgever en de werknemer opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd bestaan. De laatste arbeidsovereenkomst is op 31 oktober 2017 van rechtswege geëindigd.

2.2.

Op 22 juli 2017 is de werknemer naar Colombia gegaan. Op 25 juli 2017 heeft zij daar een geplande operatie ondergaan. Dit verblijf in Columbia vond plaats met toestemming van de werkgever. Op 2 september 2017 is de werknemer naar Sint Maarten teruggekeerd.

2.3.

Op 6 september 2017 is Orkaan Irma met verwoestende kracht over Sint Maarten getrokken.

2.4.

Op 22 september 2017 heeft de werknemer een evacuatievlucht vanaf Sint Maarten naar Miami genomen.

2.5.

Per e-mail van 13 november 2017 bericht de werkgever aan de werknemer dat zij op grond van artikel 7A:1614c BW niet langer dan 6 weken hoeft door te betalen tijdens ziekte. Vervolgens wordt een eindafrekening opgesteld gebaseerd op deze 6 weken.

3 De vorderingen en de verweren

3.1.

De werknemer vordert dat de werkgever, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaren beschikking, wordt veroordeeld om aan haar USD 16.089,10 plus wettelijke rente te betalen, met veroordeling van de werkgever in de proceskosten plus de wettelijke rente.

3.2.

De werkgever verzoekt het Gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaren beschikking, de vorderingen van de werknemer af te wijzen, met veroordeling van de werknemer in de proceskosten.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

Het geschil gaat over twee loonposten, namelijk volledige loonbetaling over september en oktober 2017 en de uitbetaling van de bonus van USD 4.000,00 netto.

Loonbetaling

4.2.

De werkgever heeft niet het volledige salaris doorbetaald op grond van artikel 7A:1614c lid 1 BW. Het relevante gedeelte van dit wetsartikel luidt als volgt: “Evenwel behoudt de arbeider zijn aanspraak op het naar tijdsruimte vastgestelde loon voor betrekkelijk korte tijd, wanneer hij ten gevolge van ziekte (…) verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten, (…).” Met de “betrekkelijk korte tijd” wordt 6 weken bedoeld. De beleidsregels van de overheid spreken over enige weken. In de Arubaanse regeling staat 6 weken expliciet genoemd. Verder zijn er geen bijzondere omstandigheden die maken dat ten gunste van de werknemer hiervan zou moeten worden afgeweken. Aldus de werkgever.

4.3.

De werknemer verwijst naar een uitspraak van dit Gerecht d.d. 6 maart 2013 (ECLI:NL:OGEAM:BZ4645). Daarin heeft het Gerecht geoordeeld dat op Sint Maarten de omstandigheden van het geval bepalen wat een betrekkelijk korte termijn is.

4.4.

Het Gerecht overweegt het volgende. De huidige wettelijke regeling spoort met het oude Nederlandse artikel 7A:1638c BW. De bedoeling van de regeling was dat de werknemer in beginsel zijn aanspraak op loon voor een betrekkelijk korte tijd behoudt, wanneer hij ten gevolge van ziekte of ongeval verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten. De strekking van deze wettelijke regeling is dat in de verhouding tussen werknemer en werkgever de gevolgen van ziekte of ongeval van de werknemer niet aanstonds doch pas na enige tijd voor rekening van de werknemer komen en intussen worden gedragen door de werkgever (te kennen uit Rechtbank Roermond, 25 juli 1991, NJ 1992, 738). De jurisprudentie die naar aanleiding van deze wettelijke regel ontstond was uiteenlopend en in Nederland is deze wettelijke bepaling vervangen door elkaar opvolgende wettelijke bepalingen waarin wel een duidelijke termijn was opgenomen waarbinnen de werkgever het loon diende door te betalen. De laatste dag van die termijn houdt verband met de ingangsdatum van de Ziektewet.

4.5.

Het staat het Gerecht niet vrij om aan te sluiten bij de termijn die in Aruba is ontwikkeld; daar heeft immers recent parlementaire besluitvorming plaatsgevonden. Dat is in Sint Maarten niet het geval. Het Gerecht en partijen moeten het doen met de bestaande wettelijke regel.

4.6.

Het Gerecht overweegt dat artikel 7A:1614c lid 1 BW ten aanzien van de duur van de betrekkelijk korte termijn eigenlijk geen rol kent voor bijzondere omstandigheden. In leden 3 en 4 komt de term “zeer bijzondere omstandigheden” voor maar dan in een ander kader. Namelijk om gevallen te schetsen waarin de werknemer ook recht heeft op loondoorbetaling voor “betrekkelijk korte tijd”. De wet kent niet het criterium “bijzondere omstandigheden”.

4.7.

Bij gebreke van enige andere maatstaf zal het Gerecht moeten aansluiten bij het criterium bijzondere omstandigheden. Dat gebeurt overigens ook in andere rechtspraak, zoals GEA Curaçao van 10 oktober 2016 (ECLI:NL:OGEAC:2016:182). De beoordeling komt er op neer of de zes weken loondoorbetaling door de werkgever als een betrekkelijk korte termijn kan worden gezien of dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat er langer moet worden doorbetaald.

4.8.

Het Gerecht is het eens met de werkgever dat dergelijke bijzondere omstandigheden niet aan de orde zijn. Duidelijk is dat de ziekte van de werknemer niet beroepsgerelateerd is. Het feit dat de werkgever al vanaf begin 2017 van de werknemer af wilde is (dus) niet van belang. Evenmin is van belang dat de werknemer haar werkzaamheden niet op kantoor hoefde uit te voeren en dat de werkgever al heel lang op de hoogte was van de kwaal van de werknemer. Dat de werknemer genoodzaakt was om in Florida verder te herstellen, door de slechte situatie op Sint Maarten als gevolg van de Orkaan, acht het Gerecht evenmin van belang omdat dit een situatie is die niet met zich brengt dat de werkgever langer het loon zou moeten doorbetalen. Kortom: het Gerecht acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een langere loondoorbetalingsverplichting rechtvaardigen.

4.9.

Dit betekent dat loondoorbetaling voor een langere termijn dan zes weken wordt afgewezen. De overige argumenten die partijen hierover hebben gewisseld behoeven niet te worden beoordeeld.

Uitbetaling bonus

4.10.

Kort en zakelijk weergegeven stelt de werknemer dat in de arbeidsovereenkomst (artikel 2.2.) is overeengekomen dat zij recht heeft op een jaarlijkse bonus van USD 4.000,00 die moest worden betaald voor 31 oktober 2017. De werkgever heeft geprobeerd om de arbeidsvoorwaarden te heronderhandelen. Daarmee is de werknemer niet akkoord gegaan en op 20 maart 2017 is tussen partijen overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst zou worden nagekomen zoals oorspronkelijk afgesproken en wel tot 31 oktober 2017.

4.11.

Kort en zakelijk weergegeven stelt de werkgever hiertegenover dat partijen zijn overeengekomen in de beëindigingsovereenkomst dat de bonus maar pro rata tot eind februari 2017 zou worden uitbetaald. Deze is weliswaar niet ondertekend door partijen maar uit e-mailverkeer volgt dat partijen zich daar naar zouden gedragen. De werkgever citeert de e-mail van 7 november 2017 van de werknemer aan de werkgever, waarin zij over deze overeenkomst onder andere het volgende schrijft: “Although this agreement was never signed, the terms were verbally agreed upon and parties acted accordingly.” Verder op schrijft zij: “In short, my full salary is due for the months September and October. (…) I am however willing to take my accrued holiday days for the month October, provided of course they are paid out in full and the bonus of US$ 4.000,- is paid (pro rate).”

4.12.

Het Gerecht overweegt dat aan de werknemer kan worden toegegeven dat de beëindigingsovereenkomst niet is ondertekend. Uit deze beide citaten volgt echter dat de werknemer het ermee eens is dat die overeenkomst door beide partijen is uitgevoerd en dat zij slechts recht heeft op de pro rata bonus. Daarom kan ook de bonusvordering niet aan de werknemer worden toegewezen. Het Gerecht acht niet van belang dat de overeenkomst niet is ondertekend. Dat is immers niet noodzakelijk als de wilsovereenstemming van partijen uit hun gedragingen en uitlatingen kan worden afgeleid.

Proceskosten

4.13.

Nu de vorderingen van de werknemer worden afgewezen moet zij in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt de werknemer in de proceskosten van de werkgever, begroot op nihil aan verschotten en op NAf 1.000,00 aan salaris gemachtigde en verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is ter openbare terechtzitting van 20 juni 2018 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.