Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:27

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
KG 2018/27
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding. Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet wegens diefstal door beveiligingsmedewerkers naar voorlopig oordeel nietig. Onderzoek door werkgever gebrekkig. Groepsgedrag van werknemers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 6 april 2018

Zaaknummer: KG 2018/27

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis in kort geding

inzake

[de werknemer],

wonende te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigden: mr. S. Bommel en mr. C. Marica,

hierna: de werknemer,

tegen

de naamloze vennootschap PRINCESS JULIANA INTERNATIONAL AIRPORT N.V.,

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. F.N. Jansen,

hierna: de werkgever.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 8 februari 2018,

  2. brief van 5 maart 2018 namens de werkgever met een gegevensdrager,

  3. brief van 8 maart 2018 namens de werkgever met producties,

  4. brief van 8 maart 2018 namens de werknemers met producties,

  5. pleitaantekeningen namens de werknemer,

  6. pleitaantekeningen namens de werkgever,

  7. akte namens de werknemer,

  8. akte namens de werkgever.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 maart 2018. De werknemer en haar gemachtigden hebben het woord gevoerd. Namens de werkgever zijn [functionaris 1] (Section Head Investigations), [functionaris 2] (Manager Security Department) en …. (Legal Counsel) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

1.3.

Met instemming van partijen heeft het Gerecht bepaald dat ter zitting geen tweede termijn plaatsvindt maar dat partijen gelijktijdig een akte mogen indienen.

1.4.

Op deze zitting is ook het door de werkgever ingediende verzoekschrift strekkende tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst behandeld (EJ 2018, 51).

1.5.

In beide zaken wordt vandaag uitspraak gedaan.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De werknemer (geboren op … 1965) is met ingang van 1 juni 1995 in loondienst werkzaam voor de werkgever. Haar actuele salaris bedraagt NAf. 4.245,00 bruto. Haar functie is Supervisor Screening Security.

2.2.

Op 6 september 2017 heeft de Orkaan Irma aan het luchthavengebouw van de werkgever zeer grote schade toegebracht. Dit heeft ertoe geleid dat dit gebouw is gesloten. In het luchthavengebouw werden winkels geëxploiteerd. Een van die winkels is de [de beauty store] winkel. Van daaruit werden parfums enz. verkocht aan het publiek.

2.3.

Op 15 oktober 2017 bevonden zich werknemers van [de beauty store] in de winkel om werkzaamheden te verrichten, bestaande uit opruimen en opslaan van de onbeschadigde voorraad.

2.4.

Op 15 en 16 oktober 2017 bevond de werknemer, tezamen met een grote groep collega beveiligers, zich in het luchthavengebouw om te werken.

2.5.

De werkgever heeft 9 werknemers op staande voet ontslagen wegens diefstal uit de [de beauty store] winkel. Aan 5 werknemers heeft zij minder vergaande sancties opgelegd.

2.6.

Bij brief van de werkgever d.d. 20 oktober 2017 is de werknemer geschorst met behoud van loon:

“In light of the information coming to our knowledge just recently, regarding goods that were stolen from one of our retail concessionaires in the departure hall, directly after the hurricane and in which theft you were implicated, please be informed that it has been decided to temporary suspend you from your function until further notice, pending further investigation.”

2.7.

Bij brief van de werkgever d.d. 9 november 2017 is de werknemer op staande voet ontslagen:

“After having heard you on the subject, we have further investigated the case in question, reviewed all information received, including the images captured on our CC Security cameras and have concluded that the evidence gathered is conclusive enough to confirm your definite participation in the theft of goods from the [de beauty store] store, located in the departure hall of our terminal building, on October 15 and 16, 2017.

Theft is a serious offense. Your actions therefore are unacceptable and will not be condoned by [de werkgever]. Furthermore, in accordance with the Labour Laws and Regulations on employee dismissal, this offence gives us justifiable reasons for your immediate dismissal.”

2.8.

Het onderzoeksdossier van de werkgever bestaat uit het volgende:

  1. meeting report d.d. 19 oktober 2017,

  2. memo van [functionaris 1] en [functionaris 2] d.d. 20 oktober 2017 met daarin een verslag van het gesprek met de werknemer,

  3. [de beauty store] Report van [functionaris 1] d.d. 8 november 2017 waarin een weergave van een gesprek met mevrouw [filiaalchef], filiaalchef van [de beauty store], is opgenomen,

  4. [de beauty store] Report van [functionaris 1] en [functionaris 2] d.d. 8 november 2017 waarin een weergave van een gesprek met de heer R. [collega 1] is opgenomen,

  5. camerabeelden van 16 oktober 2017,

  6. memo van [functionaris 1] en [functionaris 2] d.d. 20 oktober 2017 waarin een weergave van gesprekken met [3 collega’s] is opgenomen;

  7. verklaring van mevrouw [beauty advisor], beauty advisor in dienst van [de beauty store].

2.9.

De werknemer heeft de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen.

3 De vorderingen en de verweren

3.1.

De werknemer verzoekt het Gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de volgende beslissingen te nemen:

  1. “[de werkgever] te veroordelen om binnen 3 dagen na uw vonnis [de werknemer] haar achterstallig salaris vanaf 22 november 2017 tot en met 31 januari 2017 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente.

  2. [de werkgever] te veroordelen om het salaris van [de werknemer] vanaf 1 februari 2018 tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst op de verschijndagen te betalen, met bepaling dat de wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd zijn voor iedere dag na de 5e van elke maand dat het salaris niet is betaald.

  3. [de werkgever] te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, een en ander te voldoen binnen 3 dagen na datum van het vonnis met bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd is te berekenen vanaf de 4e dag na uw vonnis.”

3.2.

De werkgever verzoekt het Gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de vorderingen van de werknemer af te wijzen en haar in de proceskosten te veroordelen.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Nu het om een loonvordering na ontslag op staande voet gaat is het spoedeisend belang gegeven.

Beoordelingskader kort geding rechter

4.2.

De vorderingen tot loondoorbetaling kunnen alleen worden toegewezen indien het Gerecht van oordeel is dat het zeer waarschijnlijk is dat de rechter in de bodemprocedure deze vorderingen ook zou toewijzen.

Beoordelingskader bodemrechter

4.3.

Het toetsingskader voor de bodemrechter ziet er als volgt uit. Bij de vraag of sprake is van een dringende reden, dienen alle omstandigheden van het geval, bezien in hun verband en samenhang, te worden afgewogen. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld in de afweging worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zal hebben. Ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (HR 20 april 2012, LJN:BV9532). Van belang is verder dat het de werkgever is die moet stellen en bewijzen dat sprake is van een dringende reden.

De argumenten van de werknemer

4.4.

Kort en zakelijk weergegeven verweert de werknemer zich als volgt tegen het gegeven ontslag op staande voet:

  1. ik heb niet gestolen en als ik bij de diefstallen al betrokken zou zijn handelde ik met toestemming van een medewerker van [de beauty store],

  2. er heeft geen deugdelijk onderzoek plaatsgevonden en uit het onderzoek is geen bewijs gebleken dat ik heb gestolen,

  3. ik heb niet de gelegenheid gekregen om mij te verweren tegen de beschuldiging dat ik heb gestolen,

  4. andere werknemers tegen wie dezelfde verdenking van diefstal bestaat zijn niet op staande voet ontslagen,

  5. het ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven,

  6. het ontslag op staande voet is een te zware sanctie,

  7. de werkgever heeft gehandeld in strijd met cao voorschriften.

4.5.

De werkgever voert tegen deze argumenten gemotiveerd verweer.

De inhoudelijke beoordeling – onverwijldheid van het ontslag op staande voet

4.6.

Het Gerecht is het niet eens met de werknemer dat de dringende reden niet onverwijld aan haar is medegedeeld. Het gaat om gedragingen op 15 en 16 oktober 2017. Nadat [de beauty store] zich had beklaagd op 19 oktober 2017 heeft de schorsing plaatsgevonden op 20 oktober 2017. Vervolgens heeft de werkgever, gelet op het grote aantal werknemers dat was betrokken, de nodige interviews afgenomen en intern beraad gehad. Op 9 november 2017 is de werknemer op staande voet ontslagen. Daartussen zitten 13 werkdagen en dat is niet te lang om te onderzoeken en te overwegen of tot ontslag op staande voet moet worden besloten.

De inhoudelijke beoordeling – de gegrondheid van de dringende reden

4.7.

Het Gerecht dient te beoordelen of de dringende reden: to confirm your definite participation in the theft of goods from the [de beauty store] store, is komen vast te staan nu de werknemer dit immers betwist. Het Gerecht loopt het door de werkgever geleverde bewijs als volgt door.

Het bewijsmateriaal

4.8.

In het Meeting Report d.d. 19 oktober 2017 (zie onder 2.8. sub 1.) wordt omschreven dat [de beauty store] zich beklaagt bij de werkgever dat er op 15 en 16 oktober 2017 diefstallen vanuit haar winkel hebben plaatsgevonden. In het Report staat: “[de beauty store] mentioned that around noon ………… and two [werkgever’s] security officers approached the [de beauty store] store and asked if they would be allowed to take some of the items. Ms. [filiaalchef] spoke to them and clearly told them that they can not take the goods out of the store. The response was: “Why not?” “They already got wet.” It was again clearly stated that they can not take goods out of the store.” Op 16 oktober 2017 bleek dat de winkel “completely emptied and ransacked” was. Dan merkt de werkgever op: “Some of our employees from the Security department stated that permission was granted by [de beauty store] Supervisor, Ms [beauty advisor], to take the items from the store.” [de beauty store] legt uit dat zij geen supervisor is maar een verkoopmedewerker die dergelijke toestemming niet mag geven.

4.9.

In het memo van [functionaris 1] en [functionaris 2] d.d. 20 oktober 2017 (sub 2) blijkt dat de werknemer aan hen heeft verklaard: “I heard a voice saying “we just came from cleaning upstairs. You all officers can go upstairs and take items.” I later found out that the name of the person who said this was “……..” a worker at the [de beauty store] store. (…) I did not take anything. One airport worker brought a perfume for me. I saw immigration officers, customs officers and security officers from another company upstairs in the [de beauty store] store. On Monday (…) I returned to work with a blank sheet of paper looking for the same female [de beauty store] worker to write on the blank paper to state that she had given us permission to take the perfumes. On Monday I also did not take anything from the [de beauty store] store.”

4.10.

Dan het memo (3): daarin wordt door [functionaris 1] gezegd dat collega mevrouw [filiaalchef], nadat haar gezegd is dat op videobeelden te zien is dat zij van de werknemer een voorwerp ontvangt, toegeeft een parfum te hebben ontvangen van de werknemer.

4.11.

In het [de beauty store] Report (4) wordt een weergave gegeven van het gesprek dat [functionaris 1] heeft gevoerd met de heer [collega 1]: “He stated that he did receive a perfume from supervisor [de werknemer] but later decided to return it to her telling her he can’t accept it.”

4.12.

Op de camerabeelden (5) is te zien dat de werknemer, tijdens haar werkzaamheden op 16 oktober 2017, van een mannelijke collega (wit T-shirt) een pakje aanneemt en daarmee wegloopt.

4.13.

In het memo van [functionaris 1] (6) wordt verslag gedaan van een gesprek met collega mevrouw ……. die over de rol van de werknemer het volgende zou hebben gezegd: “[de werknemer] went upstairs the Sunday and the Monday and took perfume. [de werknemer] said that she took perfume for everyone.” Ook wordt verslag gedaan van een gesprek met college ……….. over de werknemer: “I was told by supervisor [de werknemer] that we could go upstairs and take perfume from the [de beauty store] store because a [de beauty store] supervisor has given us permission to do so. I later went upstairs together with [de werknemer] (…). Soon after saying this, I turned and asked [de werknemer] and ….. if they are sure we can take the perfumes. ….answered and said yes. I then proceeded to take 3 perfumes. [de werknemer] and … also took stuff and placed them in a bag. (…).” Tot slot wordt verslag gedaan van een gesprek met collega mevrouw ……..: “[de werknemer] then asked me to accompany her upstairs. [de werknemer] had a bag with her. We placed a few perfumes still in wet boxes in [de werknemer’s] bag. (…).”

4.14.

In de verklaring van [beauty advisor] (7) komt de volgende passage voor: “On my way out along with five others the rain came down. This caused us to run to our vehicle. While running we were in the wrong direction. A Security guard called out to me asking if we don’t have anything to give away. My exact words to were “no, no, the boss already gave them away locked up and left.” I entered my vehicle and left for home.” Later in de verklaring blijkt dat [ beauty advisor] ervan uitgaat dat [de werknemer] de bewuste Security Guard is.

Waardering van het bewijsmateriaal en de wijze waarop het is verkregen

4.15.

Het Gerecht overweegt het volgende. Duidelijk is dat de werknemer zowel op 15 als 16 oktober 2017 beroepshalve in het luchthavengebouw aanwezig is geweest. De werknemer ontkent spullen uit de [de beauty store] winkel te hebben weggenomen. Camerabeelden die dat bevestigen zijn er niet. De camerabeelden betreffen opnames op een andere plek. [collega 1], in de gespreksweergave, bevestigt dat hij een parfum van de werknemer heeft gekregen. Collega ….., in de gespreksweergave, stelt ook een parfum van de werknemer te hebben ontvangen. ….., in de gespreksweergave, verklaart dat de werknemer naar boven ging en zei dat ze voor iedereen parfums meenam. Onduidelijk is echter hoe zij aan deze kennis komt omdat de gespreksweergave daarover geen duidelijkheid biedt. Collega ……, in de gespreksweergave, verklaart daadwerkelijk te hebben gezien dat de werknemer in de [de beauty store] winkel is geweest en dat zij heeft gezien dat zij parfums in een tas stopte. Dat bevestigt collega ….. ook in de gespreksweergave van de werkgever. Niet is komen vast te staan dat [beauty advisor] over de werknemer heeft verklaard. Een confrontatie of fotovergelijking heeft niet plaatsgevonden. Evenmin was [beauty advisor] ter zitting aanwezig.

4.16.

Door de werknemer worden kritische kanttekeningen geplaatst bij het onderzoek dat door de werkgever is verricht. Zij stelt dat zij de video-opnames niet heeft gezien; deze heeft zij pas op het kantoor van haar advocaat na het ontslag op staande voet kunnen zien. Dat geldt ook voor de andere werknemers die over haar verklaren, zoals [filiaalchef]. Verder wijst de werknemer erop dat er geen geluidsopnames zijn gemaakt van de gesprekken met de werkgever en evenmin transcripties van het besprokene. Er zijn evenmin gespreksverslagen in concept voorgelegd, voorgelezen of ter ondertekening aangeboden. Dat [functionaris 1] en [functionaris 2] ter zitting verklaren dat de verslagen kloppen is niet voldoende.

4.17.

Zoals hier overwogen is het uitgangspunt dat op de werkgever de bewijslast rust van de dringende reden. Het gaat om: to confirm your definite participation in the theft of goods from the [de beauty store] store. Op basis van de thans voorliggende bewijsstukken kan niet worden vastgesteld dat de werkgever in de bodemprocedure in deze bewijsopdracht zou slagen. Overwogen wordt namelijk dat er enkel bewijs is van horen zeggen dat de werknemer in de [de beauty store] winkel is geweest. Dat bewijs van horen zeggen (te putten uit de weergave van de gesprekken door de werkgever) is niet af te leiden uit ondertekende getuigenverklaringen maar is afkomstig van collega’s die ook door de werkgever aan de tand werden gevoeld omdat zij verdacht werden van soortgelijke diefstallen. Niet is uit te sluiten dat deze collega’s een bepaalde druk voelden om deze verklaringen af te leggen zodat zij hopelijk niet op staande voet zouden worden ontslagen. Van degenen die belastende verklaringen hebben afgelegd is namelijk alleen … op staande voet ontslagen. [collega 1] is vrij uit gegaan. Van [filiaalchef], …. en …. weet het Gerecht niet hoe de werkgever met hun (eventuele) betrokkenheid is omgegaan. Verder staat vast dat de werknemer voorafgaande aan het ontslag op staande voet geen kennis heeft genomen van de videobeelden noch de belastende verklaringen zodat zij geen kans heeft gekregen de werkgever uit te leggen dat de dringende reden zich niet voordoet.

4.18.

Door de werknemer wordt terecht de vraag gesteld waarom de werkgever niet veel meer camerabeelden heeft. Overal in het luchthavengebouw hangen immers camera’s. De werkgever stelt dat dit komt omdat het Openbaar Ministerie de beelden in beslag heeft genomen en dat zij de beelden niet mocht gebruiken in dit kort geding. Het Gerecht overweegt dat een en ander niet aan de werknemer kan worden tegengeworpen en dat dit niet afdoet aan de op de werkgever rustende bewijslast.

4.19.

Verder overweegt het Gerecht dat uit de processtukken en het verhandelde ter zitting het beeld oprijst van een ongelukkig misverstand dat aanleiding vormde tot het leeghalen van de winkel van [de beauty store]. Anders is immers niet goed te verklaren waarom 14 werknemers, nota bene werkzaam als beveiligingspersoneel, die overwegend al zeer lang in dienst van de werkgever zijn en beschikken over de nodige levenservaring, gedurende twee dagen de [de beauty store] winkel hebben leeggehaald. Duidelijk is wel dat de [de beauty store] medewerkers op 15 oktober 2017 klaar waren met het beredderen van de voorraad. Alleen de natte en anderszins beschadigde voorraad bleef nog over. Ergens moet iemand begrepen hebben dat deze beschadigde voorraad zou mogen worden meegenomen. Er zijn aanwijzingen dat dit de werknemer is geweest maar zeker is dat niet. Daarna is er een soort groepsreactie ontstaan en zijn deze beschadigde artikelen uit de winkel gehaald. Aan de werknemers wordt dan ook niet verweten dat zij courante voorraad hebben gestolen. Dat er aanwijzingen zijn dat ook de werkgever uitging van een misverstand blijkt uit haar gedragingen. Als tijdens het onderzoek bleek dat werknemers bereid waren de parfums enz. te retourneren volgde er geen ontslag op staande voet maar een mindere sanctie. Zelfs is een ontslag op staande voet, dat ook voor behandeling op 9 maart 2018 was geagendeerd, ingetrokken omdat de werkgever nog eens de videobeelden (die er ten aanzien van deze bewuste werknemer kennelijk wel waren) heeft bekeken. Tot slot geldt dat het Gerecht het onvoldoende verifieerbaar vindt of werknemers spontaan aanboden de spullen terug te brengen of dat zij op deze mogelijkheid door de werkgever zijn geattendeerd zodat het Gerecht niet kan uitsluiten dat sprake is van willekeur. De werkgever had dit kunnen voorkomen door de gesprekken op te nemen en uit te schrijven zoals in dit soort zaken niet ongebruikelijk is.

4.20.

Anders dan de werkgever aanvoert acht het Gerecht het niet relevant dat in interne reglementen hoge eisen aan de beveiligingsmedewerkers worden gesteld. Het verbod op het plegen van diefstal is immers vanzelfsprekend. Daarvoor is geen schriftelijke bepaling nodig. Deze op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde reglementen voegen, naar voorlopig oordeel, dan ook niets toe aan de beoordeling van dit geschil.

Conclusie

4.21.

Tegen deze achtergrond moet ook nog rekening gehouden worden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Zij heeft een eenzijdige werkervaring en zal, mede in aanmerking genomen haar leeftijd, in het post Irma-tijdperk op Sint Maarten niet of nauwelijks meer aan de slag kunnen komen in een ander dienstverband. Laat staan in de beveiliging want met een ontslag op staande voet op haar conto is dat zo goed als onmogelijk. Al met al is het Gerecht voorlopig van oordeel dat het zeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter het ontslag op staande voet nietig zal oordelen.

4.22.

De overige argumenten van partijen behoeven geen beoordeling meer.

4.23.

De loonvorderingen van de werknemer, die cijfermatig niet zijn weersproken, zal het Gerecht dus toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De wettelijke verhogingen worden ambtshalve gematigd tot 10%.

4.24.

Als in het ongelijk gestelde partij dient de werkgever de proceskosten van de werknemer te betalen.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

veroordeelt de werkgever om de werknemer het loon door te betalen vanaf 22 november 2017 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente en 10% wettelijke verhogingen, te berekenen vanaf de vervaldata van de salarisperiodes, tot aan de dag van algehele voldoening,

veroordeelt de werkgever in de proceskosten, aan de zijde van de werknemer begroot op NAf 249,50 aan oproepingskosten, NAf nihil aan griffierecht en op NAf 1.000,00 aan salaris gemachtigde, met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na heden tot de dag van algehele voldoening,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is op 6 april 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.