Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:18

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
820.00004/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Emerald. Veroordeling voor het opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen van aangiften van de inkomstenbelasting en het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van aangiften van de belasting op de bedrijfsomzetten. Het Gerecht houdt vast aan het eerder geformuleerde uitgangspunt dat, vanwege de destijds bestaande traditie van niet-vervolging van dit soort zaken, alleen in uitzonderlijke gevallen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen is. De zaak van de verdachte is niet zo’n uitzonderlijk geval. Het heeft er alle schijn van dat de verdachte, die een blanco strafblad heeft, slechts een fractie van het geld voor zichzelf heeft behouden. De verdachte heeft bovendien veel in het werk gesteld om alsnog alle aangiften te doen en een regeling te treffen met de Belastingdienst. Er zijn aanwijzingen dat facturen valselijk zijn opgemaakt en dat werkzaamheden niet of slechts ten dele zijn verricht, maar dat kan in zijn geval op grond van dit onderzoek niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Het Gerecht veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 820.00004/17

Uitspraak: 17 april 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[D],
geboren op [een datum in het jaar] 1986 te Sint Maarten,
wonende in Sint Maarten, [adres].

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018, 8 februari 2018 en 27 maart 2018. De verdachte is telkens verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.R. Bommel, advocaat in Sint Maarten.

De officier van justitie, mr. J. Beliën, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, alsmede tot een geheel voorwaardelijke geldboete van NAf 250.000,-- met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken en subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 in Sint Maarten meermalen telkens al dan niet opzettelijk,

als degene, die ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelastingen, verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Inkomstenbelasting, dat niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij telkens al dan niet opzettelijk nagelaten om binnen de gestelde termijn aangifte Inkomstenbelasting (betreffende de belastingjaren 2014, 2015 en/of 2016) te doen,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel kan ontstaan voor Sint Maarten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 15 december 2016 in Sint Maarten, meermalen telkens al dan niet opzettelijk,

als degene, die ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelastingen, verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Belasting op Bedrijfsomzetten (Turnover Tax), dat niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij telkens al dan niet opzettelijk, maandelijks, nagelaten om binnen de gestelde termijn aangifte Belasting op de Bedrijfsomzetten voor [eenmansbedrijf van D] (betreffende de tijdvakken in 2014, 2015 en/of 2016) te doen,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel kan ontstaan voor Sint Maarten.

Aan de beoordeling voorafgaande opmerkingen over samenhangende zaken

De verdachte is een van de zeven personen die voor deze reeks zittingen van het Gerecht is gedagvaard in het onderzoek dat bekend staat onder de naam Emerald. Naast de verdachte gaat het om de verdachten [A], [B], [C], [E], [F] en [G]. De zaken hebben met elkaar gemeen dat de verdachten allemaal een eenmansbedrijf hebben dat zich bezighoudt met bouwactiviteiten en in de afgelopen jaren ter zake van bouwprojecten in de haven facturen heeft gericht aan de [bedrijvengroep in de haven], die via een cheque betaalbaar werden gesteld en na incassering ervan werden gestort op de bankrekening van het eenmansbedrijf; vervolgens is vrijwel al het geld dat werd gestort, contant opgenomen. De beschuldiging aan de verdachten bestaat steeds uit het al dan niet opzettelijk niet binnen de gestelde termijn, onjuist en/of onvolledig doen van aangiften Inkomstenbelasting en Belasting op de Bedrijfsomzetten.

Op 22 februari 2018 heeft het Gerecht in twee van deze zaken, namelijk die van [B] en [F], al uitspraak gedaan (respectievelijk gepubliceerd onder ECLI:NL:OGEAM:2018:5 en ECLI:NL:OGEAM:2018:4). Hoewel daarmee ontegenzeggelijk een algemene gedachtegang van het Gerecht is prijsgegeven, betekent dat niet dat daarmee de beslissingen in deze zaak vaststaan.

Het Gerecht herhaalt dat de zaken niet gelijktijdig, laat staan gevoegd, zijn behandeld en dat bestudering van de verschillende dossiers leert dat iedere zaak daadwerkelijk op zichzelf staat. Daar komt bij dat het openbaar ministerie tegen beide reeds gewezen vonnissen hoger beroep heeft aangetekend en tijdens de voortgezette behandeling van de resterende zaken heeft verzocht de in het kader van de straftoemeting geformuleerde uitgangspunten te herzien. De verdediging meent daarentegen dat het bewijs tekortschiet om in deze zaak tot een bewezenverklaring te kunnen komen en, als het Gerecht een ander oordeel zou zijn toegedaan, is wat haar betreft geen zwaardere, maar een lichtere straf op zijn plaats.

Het Gerecht heeft de stukken van de zaak en alle door het openbaar ministerie en de verdediging aangedragen argumenten zorgvuldig tegen het licht gehouden, en zal nu tot beoordeling daarvan overgaan.

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewezenverklaring

Op grond van de hierna vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het Gerecht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 in Sint Maarten meermalen telkens al dan niet opzettelijk,

als degene, die ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen, verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Inkomstenbelasting, dat niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij telkens al dan niet opzettelijk nagelaten om binnen de gestelde termijn aangifte Inkomstenbelasting (betreffende de belastingjaren 2014, 2015 en/of 2016) te doen,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel kan ontstaan voor Sint Maarten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 15 december 2016 in Sint Maarten, meermalen telkens al dan niet opzettelijk,

als degene, die ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen, verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Belasting op Bedrijfsomzetten (Turnover Tax), dat niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij telkens al dan niet opzettelijk, maandelijks, nagelaten om binnen de gestelde termijn aangifte Belasting op de Bedrijfsomzetten voor [eenmansbedrijf van D] (betreffende de tijdvakken in 2014, 2015 en/of 2016) te doen,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel kan ontstaan voor Sint Maarten.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

In de redactie van de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn een aantal wijzigingen aangebracht (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Bewijsmiddelen 1

Het Gerecht stelt op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, de volgende feiten en omstandigheden vast.

1. De verdachte heeft een eenmansbedrijf opgericht onder de naam [eenmansbedrijf van D] (hierna: [eenmansbedrijf van D]). Dit eenmansbedrijf is op 10 november 2005 opgericht en geregistreerd in het register van de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Sint Maarten en houdt zich volgens de daarin opgenomen gegevens bezig met bouwactiviteiten en elektrische diensten. Dit een en ander volgt uit het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel en Nijverheid d.d. 8 juli 2016, zoals hierna weergegeven:

“Date: July 08, 2016

In the Commercial Register of the St. Maarten Chamber of Commerce & Industry is registered: [eenmansbedrijf van D].

Trade name: [eenmansbedrijf van D]

Legal form: Sole proprietorship

Date of established: November 10, 2005

Date registered: November 10, 2005

Description: Building Construction and Electrical Services

Business Address: [adres]

Area name: [gebiedsnaam]

Official: [D]

Function: Owner

Address: [adres].” 2

2. In de administratie van [bedrijf in de haven] zijn facturen aangetroffen van [eenmansbedrijf van D] over de periode van juni 2014 tot december 2016. Deze facturen zijn, voor zover het Gerecht heeft kunnen nagaan, door middel van cheques van [onderdeel van bedrijf in de haven] uitbetaald aan [eenmansbedrijf van D]. De cheques zijn geïncasseerd en vervolgens op bankrekeningnummer [nummer] ten name van de verdachte en [eenmansbedrijf van D] gestort, waarna steeds een aanzienlijk deel daarvan contant is opgenomen 3

3. In het dossier is het volgende overzicht gegeven van de bedragen die op facturen betrekking hebben en door middel van geïncasseerde cheques zijn bijgeschreven op voormelde bankrekening van de verdachte en [eenmansbedrijf van D]:

Jaar

Maand

Datum bijschrijving

Bedrag

2014

Juni

11 juni 2014

$ 26.089,--

Juli

28 juli 2014

$ 27.000,--

Augustus

21 augustus 2014

$ 19.725,--

September

4 september 2014

25 september 2014

$ 24.900,--

$ 27.200,--

Oktober

20 oktober 2014

$ 22.720,--

November

21 november 2014

$ 26.950,--

Totaal 2014

$ 174.584,--

2015

Januari

27 januari 2015

$ 21.850,--

Maart

13 maart 2015

31 maart 2015

$ 19.050,--

$ 21.165,--

Mei

21 mei 2015

$ 25.300,--

Juni

3 juni 2015

30 juni 2015

$ 23.400,--

$ 26.300,--

Juli

31 juli 2015

$ 19.800,--

Augustus

14 augustus 2015

$ 25.700,--

Oktober

22 oktober 2015

$ 26.300,--

November

9 november 2015

25 november 2015

$ 27.000,--

$ 24.900,--

December

7 december 2015

15 december 2015

$ 26.500,--

$ 27.200,--

Totaal 2015

$ 314.465,--

2016

Januari

8 januari 2016

15 januari 2016

21 januari 2016

$ 24.600,--

$ 24.000,--

$ 26.400,--

Februari

22 februari 2016

$ 24.800,--

Maart

2 maart 2016

22 maart 2016

$ 26.700,--

$ 25.400,--

Mei

12 mei 2016

26 mei 2016

$ 23.600,--

$ 26.400,--

Juni

8 juni 2016

$ 25.300,--

Augustus

9 augustus 2016

11 augustus 2016

25 augustus 2016

$ 26.800,--

$ 24.900,--

$ 27.000,--

September

8 september 2016

19 september 2016

$ 25.000,--

$ 26.300,--

November

4 november 2016

28 november 2016

$ 27.000,--

$ 25.900,--

Totaal 2016

$ 410.100,-- 4

In totaal is er in de ten laste gelegde jaren 2014 tot en met 2016 dus $ 899.149,--bijgeschreven.

4. Uit informatie van de Belastingdienst Sint Maarten van 18 oktober 2016 komt naar voren dat de verdachte op dat moment voor [eenmansbedrijf van D] nog geen aangiften van de Belasting op de Bedrijfsomzetten had gedaan.5

5. Uit de informatie van de Belastingdienst Sint Maarten van 18 oktober 2016 blijkt verder dat de verdachte op dat moment evenmin aangiften van de Inkomstenbelasting had gedaan.6

6. De verdachte heeft op 8 december 2016 als getuige tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

“Ik heb business administration gestudeerd. Ik wilde altijd al mijn eigen bedrijf hebben. Ik wilde een bouwbedrijf hebben.

[H] is een van mijn naaste neven. [H] was als een broer voor mij.

Zoals u weet heb ik een bouwbedrijf. De naam van het bedrijf is [eenmansbedrijf van D]. De zakelijke activiteiten bestaan uit bouwconstructie en elektrische- en onderhoudswerkzaamheden. [Eenmansbedrijf van D] is een eenmanszaak en ik ben de eigenaar.

[Eenmansbedrijf van D] heeft lang geleden, in 2005, rechtspersoonlijkheid verkregen. Ik heb mijn bedrijf in 2014 opnieuw opgestart. Sinds 2014 heb ik twee klanten gehad. Op dit moment heb ik alleen de haven van Sint Maarten als klant, maar ik had ook een particulier persoon wiens huis ik heb gerenoveerd.

Voor de haven gaf [H] me alle instructies. Hij is de reden dat ik werkopdrachten had bij de haven.

De betalingen werden gedaan met een cheque.” 7

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het niet binnen de gestelde termijn doen van de aangiften definitief tot nadeel zal leiden, nu de verdachte inmiddels alle aangiften bij de Belastingdienst heeft ingediend. Die aangiften zijn met behulp van een adviseur opgesteld en worden nog door de Belastingdienst gecontroleerd. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat verdachtes opzet niet was gericht op het niet binnen de gestelde termijn doen van de aangiften. De verdachte vertrouwde erop – en daarop mocht hij ook vertrouwen – dat zijn boekhoudster, die een goede vriendin van de verdachte was, zijn aangiften tijdig en op zorgvuldige wijze zou verzorgen, aldus de raadsvrouw.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Anders dan de raadsvrouw meent, is voor een bewezenverklaring niet vereist dat het nalaten van de verdachte definitief nadeel heeft veroorzaakt voor het land Sint Maarten. Voldoende is dat van het nalaten “het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan”. Aan dat vereiste is voldaan. De verdachte heeft tenslotte met zijn eenmansbedrijf [eenmansbedrijf van D] omzet en winst gegenereerd; als in die situatie aangiften niet binnen de gestelde termijn worden ingediend, is het een evident dat daardoor nadeel kán ontstaan. Dat klemt in dit geval temeer ten aanzien van de aangiften van de Inkomstenbelasting, nu blijkt dat de verdachte bij het alsnog doen van die aangiften een schatting heeft moeten maken van de gemaakte kosten.8

Het Gerecht kan de raadsvrouw evenmin volgen in haar standpunt dat verdachtes opzet niet was gericht op het nalaten om de aangiften binnen de gestelde termijn te doen. De verdachte heeft een bedrijfskundige opleiding gevolgd vanwege een langgekoesterde wens om een eigen bedrijf te hebben. De verdachte heeft die wens vervolgens ook waargemaakt door een eenmansbedrijf op te richten en met dat eenmansbedrijf heeft hij van mei 2014 tot en met november 2016 vrijwel elke maand omzet en winst gegenereerd.

Tegen deze achtergrond kan het Gerecht geen geloof hechten aan de verklaring van de verdachte dat hij zich er niet van bewust was dat zijn aangiften niet waren ingediend. Het Gerecht hecht evenmin geloof aan zijn verklaring dat dit te wijten was aan nalatigheid van de zijde van zijn ‘boekhoudster’, [J]. Uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, kan worden afgeleid dat hij zijn belastingzaken ten tijde van het ten laste gelegde nog niet volledig in haar handen had gesteld. De verdachte verklaarde het volgende: “I hired that lady, [J], after I got locked up in March. She did also some things before, but not up to this extent.”

Echter, zelfs indien de verdachte dat wel heeft gedaan, kan hem dat niet baten. Van de verdachte mag en moet in die situatie worden gevergd dat hij niet alleen maandelijks informatie aan [J] verschaft vanwege de Belasting op de Bedrijfsomzetten, maar ook dat hij erop toeziet dat de aangiften daadwerkelijk worden gedaan. Bovendien blijkt uit de stukken niet dat de verdachte [J] voor deskundig mocht houden. Integendeel zelfs, want volgens haar moeder heeft zij geen administratieve en/of boekhoudkundige achtergrond.9

Het Gerecht is daarom van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het aan het opzet van de verdachte te wijten is dat hij heeft nagelaten om de aangiften van de Belasting op de Bedrijfsomzetten en van de Inkomstenbelasting binnen de gestelde termijn te doen.

Het verweer wordt verworpen.

Kwalificatie en strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten

Het onder 1 bewezen verklaarde is telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49, eerste lid, aanhef, onder a, en tweede lid, juncto artikel 7, eerste lid, van de Algemene landsverordening landsbelastingen en de artikelen 27 en 28 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting.

Het onder 1 bewezen verklaarde wordt daarom als volgt gekwalificeerd:

Ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht zijnde tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl van het nalaten het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde is telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49, eerste lid, aanhef, onder a, en tweede lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Algemene landsverordening landsbelastingen en de artikelen 10, eerste lid, 11, en 12, eerste lid, van de Landsverordening belasting op de bedrijfsomzetten.

Het onder 2 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht zijnde tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl van het nalaten het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan, meermalen gepleegd.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Het Gerecht heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meerdere keren opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen van aangiften van de Inkomstenbelasting en van de Belasting op de Bedrijfsomzetten.

De officier van justitie heeft, uitgaande van een soortgelijke bewezenverklaring, gevorderd dat het Gerecht de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van de tijd die hij in verzekering heeft doorgebracht, alsmede tot een geheel voorwaardelijke geldboete van NAf 250.000,-- met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouw heeft een straftoemetingsverweer gevoerd. Volgens haar kan worden volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel of anders met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel in combinatie met een werkstraf.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Anders dan de raadsvrouw is het Gerecht van oordeel dat geen gegronde reden bestaat voor het uitspreken van een rechterlijk pardon. De ernst van het bewezen verklaarde verzet zich daartegen, terwijl ook de persoonlijkheid van de verdachte, de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan of die zich nadien hebben voorgedaan, daarvoor geen aanleiding vormen. Aan de wettelijke voorwaarden van artikel 1:12 van het Wetboek van Strafrecht is met andere woorden niet voldaan. Het bewezen verklaarde dient dan ook te worden bestraft.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het daarop gestelde wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het Gerecht heeft in zijn eerdere vonnissen in het kader van de strafoplegging het volgende als uitgangspunt genomen: “Bij de heffing van belastingen zijn in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt immers beoogd dat het desbetreffende land, in dit geval Sint Maarten, geldmiddelen verschaft die voor zijn instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelen deze gemeenschapsbelangen geschonden. Zulk gedrag leidt er uiteindelijk toe dat andere, bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Dit klemt temeer in een kleine gemeenschap, zoals die van Sint Maarten. Het spreekt immers voor zich dat naarmate de gemeenschap kleiner is, de begroting kleiner is en daarmee de impact van belastingontduiking groter is. In een tijd zoals deze, waarin Sint Maarten de verwoestende werking van orkaan Irma te boven probeert te komen, is het extra wrang dat de verdachte met zijn constructiebedrijf op deze schaal belasting heeft ontdoken. In zoverre is de forse strafeis van de officier van justitie niet onbegrijpelijk te noemen.

Tegelijkertijd kan het Gerecht de ogen niet sluiten voor het feit dat het in de Caribische delen van ons Koninkrijk zelden is voorgekomen dat een verdachte voor enkel en alleen belastingfraude voor de strafrechter is gebracht. Dat hierin verandering is gekomen, houdt evident verband met de start van het Team Bestrijding Ondermijning. Er is simpelweg financiële onderzoekscapaciteit vrijgemaakt om deze als ondermijning getypeerde zaken te kunnen aanpakken. De traditie van niet-vervolging is daarmee doorbroken. Op het moment van de bewezen verklaarde belastingontduiking bestond die traditie echter nog en daarom is – anders dan in het Nederlandse deel van het Koninkrijk waar ernstige belastingdelicten al sinds jaar en dag voor de strafrechter worden gebracht en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf daarvoor bepaald niet uitzonderlijk is – oplegging daarvan hier te lande minder voor de hand liggend. Dat blijkt ook uit de eerste zaak die het Team Bestrijding Ondermijning voor de rechter heeft gebracht. In de zaak Saffier tegen de (voormalig) president van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, die ook van belastingfraude werd verdacht, vorderde het openbaar ministerie geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf (vgl. Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 17 november 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:167). Waar in de toekomst mogelijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt zal gaan gelden voor belastingfraudeurs, zal het Gerecht, behoudens uitzonderlijke gevallen, op dit moment een ander uitgangspunt nemen.”

De officier van justitie heeft zich tegen deze laatste overwegingen verzet.

Volgens hem is het onjuist dat in Caribisch Nederland eigenlijk nooit vervolging wordt ingesteld voor een kale belastingontduiking en zelfs als dat wel juist zou zijn, zou die omstandigheid niet strafmatigend mogen werken.

Het Gerecht is na reflectie in raadkamer tot de conclusie gekomen dat aan de overwegingen moet worden vastgehouden. Wat de officier van justitie naar voren heeft gebracht, weerlegt de overwegingen niet. De twee eerdere vonnissen van het Gerecht die de officier van justitie heeft aangehaald en waarin louter een vervolging wegens belastingontduiking aan de orde was, spreekt de zeldzaamheid van dit soort vervolgingen nog niet tegen. Dat klemt te meer nu het om twee samenhangende zaken gaat (het betreft feiten gepleegd door een onderneming en haar managing director/enig aandeelhouder), die bovendien in het geheel niet te vergelijken zijn met de zaken die tegen de verdachte en zijn medeverdachten zijn aangebracht. Waar in de aangehaalde zaken kennelijk tot vervolging is beslist nadat diverse administratieve boetes waren opgelegd, zijn de onderhavige zaken voortgekomen uit een zuiver strafrechtelijk onderzoek.

In dat opzicht lijkt overigens een misverstand te schuilen. De officier van justitie liet ter terechtzitting weten dat de overwegingen van het Gerecht suggereren dat specifiek onderzoek is gedaan naar belastingontduiking, terwijl de verdenkingen van belastingontduiking in feite de bijvangst waren van een omvangrijk onderzoek naar fraude en corruptie. Volgens het Gerecht ligt die suggestie niet in zijn overwegingen besloten. De wijze van opsporing en de uitkomsten daarvan – in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zijn daaraan al overwegingen gewijd – maken het openbaar ministerie bevoegd tot vervolging en rechtvaardigen die vervolging ook, maar veranderen niet dat het in het verleden zelden is voorgekomen dat dit soort zaken voor de strafrechter werden gebracht.

Een ander misverstand dat kennelijk is gerezen, is dat met de overwegingen een matiging van de straf is beoogd. Dat is niet het geval. De overwegingen moeten worden gezien in het licht van de strenge eisen die aan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden gesteld (daarvoor moeten ingevolge artikel 402, vijfde lid, Sv in het bijzonder de redenen worden opgegeven).

De officier van justitie heeft tegen de overwegingen van het Gerecht ook ingebracht dat vergelijking met de zaak Saffier waarin de verdachte [voormalig president van de Centrale Bank] is vrijgesproken, niet opgaat. Het Gerecht stelt vast dat het openbaar ministerie blijkens zijn schriftelijke aantekeningen van het requisitoir in die zaak bewezen achtte dat “[de voormalig president van de Centrale Bank] op meer tijdstippen in de periode van 28 maart 2007 tot en met 23 maart 2015 op de Nederlandse Antillen en in Curaçao opzettelijk als degene die ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Inkomstenbelasting, de aangiften Inkomstenbelasting, als in de tenlastelegging genoemd, over de aangiftevakken 2006 tot en met 2014 onjuist heeft gedaan door een te laag persoonlijk inkomen op te geven, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen en voor Curaçao kon ontstaan.”

In het kader van de strafmaat gaf het openbaar ministerie te kennen de overtuiging te hebben dat [de voormalig president van de Centrale Bank] welbewust en met gebruikmaking van zijn positie de Belastingdienst en daarmee de Nederlandse Antilliaanse en Curaçaose gemeenschap voor een bedrag van circa 5.5 miljoen Antilliaanse guldens heeft benadeeld. Tevens verweet het openbaar ministerie [de voormalig president van de Centrale Bank] dat het geld van zijn pensioenstichting direct werd gebruikt ten behoeve van zichzelf. Desondanks achtte het openbaar ministerie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet geïndiceerd. Het gerecht vermag niet in te zien dat deze zaak niet kan worden vergeleken met de zaak tegen de verdachte. Immers, beide zaken betreffen een aanzienlijke belastingfraude gedurende een lange periode met een verdachte die een blanco strafblad heeft. De omstandigheid dat de verdachte geen vergelijkbare maatschappelijke positie bekleedt, kan bezwaarlijk in zijn nadeel werken.

Het Gerecht heeft zich voor de vraag gesteld of het bewezen verklaarde handelen van de verdachte een uitzonderlijk geval is dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Het Gerecht is tot de conclusie gekomen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord.

Weliswaar is een aanzienlijk bedrag aan belasting ontdoken (in de bewezen verklaarde periodes is een totaalomzet gerealiseerd van $ 899.149,--, die onderworpen was aan 5% Belasting op de Bedrijfsomzetten, terwijl de met die omzet behaalde winst onderworpen was aan Inkomstenbelasting), maar het heeft er alle schijn van dat de verdachte slechts een fractie van het geld voor zichzelf heeft behouden. In weerwil van hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, zal het Gerecht de vraag in hoeverre sprake is geweest van frauduleus handelen, in de zaak van de verdachte buiten beschouwen laten. De officier van justitie kan worden toegegeven dat er aanwijzingen bestaan dat facturen valselijk zijn opgemaakt en dat werkzaamheden niet of slechts ten dele zijn verricht, maar het Gerecht kan dat op grond van dit onderzoek niet met voldoende zekerheid vaststellen – laat staan dat het Gerecht op grond daarvan kan vaststellen in hoeverre de verdachte daarvan wetenschap droeg. Dat de daarover door de verdachte afgelegde verklaringen het Gerecht niet overtuigen, maakt dat voor het Gerecht niet anders. Bij deze stand van zaken zal het Gerecht dat niet in verdachtes nadeel laten meewegen.

Het Gerecht weegt daarentegen in zijn voordeel mee dat hij in de afgelopen periode, samen met een adviseur en zijn raadsvrouw, veel in het werk heeft gesteld om alsnog alle aangiften te doen en een regeling met de Belastingdienst te treffen. De verdachte heeft in de tussentijd werk bij de overheid gevonden en lijkt met dat inkomen ook de verschuldigde belasting te betalen. De verdachte, die verder een blanco strafblad heeft, is daarmee op de goede weg.

Dat laat onverlet dat de bewezen verklaarde belastingfraude bijzonder ernstig is en dat de strafrechtelijke reactie naar het oordeel van het gerecht niet alleen deze ernst moet onderstrepen, maar ook dienstbaar moet zijn aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het Gerecht is gelet daarop tot de slotsom gekomen dat in het geval van de verdachte allereerst een werkstraf voor de duur van 180 uren (subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis) en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden is.

Ten aanzien van de aard van de werkstraf overweegt het Gerecht nog als volgt. In aanmerking genomen dat de bewezen verklaarde belastingontduiking ziet op met een constructiebedrijf behaalde omzet en winst, verdient het aanbeveling dat de te verrichten werkzaamheden plaatsvinden in het kader van de wederopbouw van Sint Maarten na de orkaan Irma.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:45, 1:46 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door de rechter, mr. T.E. van der Spoel, bijgestaan door mr. A.P. Verhaegh, zittingsgriffier, en op 17 april 2018 in tegenwoordigheid van voornoemde griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Sint Maarten.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige – en door de desbetreffende verbalisant(en) in de wettelijke vorm opgemaakte – processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het zaaksdossier van het einddossier dat door het Team Bestrijding Ondermijning in de zaak van de verdachte is opgemaakt. Ieder bewijsmiddel is, ook in zijn onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

2 Geschrift, te weten een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel en Nijverheid (Commercial Register of the Chamber of Commerce and Industry St. Maarten, d.d. 8 juli 2016, pagina 464 (documentcode D-2050).

3 Overzichtsproces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober 2017, pagina 6 en 12; proces-verbaal van verdenking d.d. 27 februari 2017, pagina 134.

4 Overzichtsproces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober 2017, pagina 9 en 10.

5 Overzichtsproces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober 2017, pagina 20; geschrift, te weten een schrijven van de Belastingdienst Sint Maarten, d.d. 18 oktober 2016, pagina 174 (documentcode D-199).

6 Overzichtsproces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober 2017, pagina 22; geschrift, te weten een schrijven van de Belastingdienst Sint Maarten, d.d. 18 oktober 2016, pagina 174 (documentcode D-199).

7 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 december 2016, pagina 10 tot en met 14.

8 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 maart 2018, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2017, pagina 154.