Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:16

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
820.00001/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Emerald. Veroordeling van parlementariër voor het opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen van aangiften van de inkomstenbelasting en de belasting op de bedrijfsomzetten. Het Gerecht houdt vast aan het eerder geformuleerde uitgangspunt dat, vanwege de destijds bestaande traditie van niet-vervolging van dit soort zaken, alleen in uitzonderlijke gevallen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen is. De zaak van de verdachte is echter zo’n uitzonderlijk geval. Tot die conclusie is het Gerecht gekomen, omdat de verdachte als parlementariër geen rekening en verantwoording heeft willen afleggen over de bewezen verklaarde belastingfraude terwijl er in zijn zaak sterke aanwijzingen zijn voor frauduleus handelen. De mogelijk grote gevolgen daarvan voor de verdachte moeten naar het oordeel van het Gerecht tot uitdrukking worden gebracht in de duur van de onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Het Gerecht veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en (om de ernst van het bewezen verklaarde te benadrukken) tot de maximale werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 820.00001/17

Uitspraak: 17 april 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[A],

geboren op [een datum in het jaar] 1981 te Sint Maarten,

wonende in Sint Maarten, [adres].

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2018 en 29 maart 2018. De verdachte is telkens verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.H.M. Ibrahim, advocaat in Sint Maarten.

De officier van justitie, mr. J. Beliën, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die hij in verzekering heeft doorgebracht, alsmede tot een geheel voorwaardelijke geldboete van NAf 250.000,-- met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en subsidiair dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken. In uiterst subsidiaire zin heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2017 in de Nederlandse Antillen en/of Sint Maarten meermalen telkens al dan niet opzettelijk,

als degene, die ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelastingen, verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Inkomstenbelasting, dat niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij telkens al dan niet opzettelijk nagelaten om binnen de gestelde termijn aangifte Inkomstenbelasting (betreffende de belastingjaren 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en/of 2016) te doen,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel kan ontstaan voor de Nederlandse Antillen en/of voor een van de eilandgebieden en/of voor Sint Maarten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 15 augustus 2016 in de Nederlandse Antillen en/of Sint Maarten, meermalen telkens al dan niet opzettelijk,

als degene, die ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelastingen, verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Belasting op Bedrijfsomzetten (Turnover Tax), dat niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij telkens al dan niet opzettelijk, maandelijks, nagelaten om binnen de gestelde termijn aangifte Belasting op de Bedrijfsomzetten voor het bedrijf [eenmansbedrijf van A] (betreffende de tijdvakken in 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en/of 2016) te doen,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel kan ontstaan voor de Nederlandse Antillen en/of voor een van de eilandgebieden en/of voor Sint Maarten.

Aan de beoordeling voorafgaande opmerkingen over samenhangende zaken

De verdachte is een van de zeven personen die voor deze reeks zittingen van het Gerecht is gedagvaard in het onderzoek dat bekend staat onder de naam Emerald. Naast de verdachte gaat het om de verdachten [B], [C], [D], [E], [F] en [G]. De zaken hebben met elkaar gemeen dat de verdachten allemaal een eenmansbedrijf hebben dat zich bezighoudt met bouwactiviteiten en in de afgelopen jaren ter zake van bouwprojecten in de haven facturen heeft gericht aan de [bedrijvengroep in de haven], die via een cheque betaalbaar werden gesteld en na incassering ervan werden gestort op de bankrekening van het eenmansbedrijf; vervolgens is vrijwel al het geld dat werd gestort, contant opgenomen. De beschuldiging aan de verdachten bestaat steeds uit het al dan niet opzettelijk niet binnen de gestelde termijn, onjuist en/of onvolledig doen van aangiften Inkomstenbelasting en Belasting op de Bedrijfsomzetten.

Op 22 februari 2018 heeft het Gerecht in twee van deze zaken, namelijk die van [B] en [F], al uitspraak gedaan (respectievelijk gepubliceerd onder ECLI:NL:OGEAM:2018:5 en ECLI:NL:OGEAM:2018:4). Hoewel daarmee ontegenzeggelijk een algemene gedachtegang van het Gerecht is prijsgegeven, betekent dat niet dat daarmee de beslissingen in deze zaak vaststaan.

Het Gerecht herhaalt dat de zaken niet gelijktijdig, laat staan gevoegd, zijn behandeld en dat bestudering van de verschillende dossiers leert dat iedere zaak daadwerkelijk op zichzelf staat. Daar komt bij dat het openbaar ministerie tegen beide reeds gewezen vonnissen hoger beroep heeft aangetekend en tijdens de voortgezette behandeling van de resterende zaken heeft verzocht de in het kader van de straftoemeting geformuleerde uitgangspunten te herzien. De verdediging meent daarentegen dat het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld en dat anders het bewijs tekortschiet om in deze zaak tot een bewezenverklaring te kunnen komen; als het Gerecht dat ook zou passeren, dan is wat haar betreft geen zwaardere straf, maar een lichtere straf op zijn plaats.

Het Gerecht heeft de stukken van de zaak en alle door het openbaar ministerie en de verdediging aangedragen argumenten zorgvuldig tegen het licht gehouden, en zal nu tot beoordeling daarvan overgaan.

Formele voorvragen 1

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is en dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is als gezegd door de verdediging ter discussie gesteld. De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat (i) de in de Algemene landsverordening landsbelastingen gewaarborgde procedure terzijde is geschoven en dat (ii) de verdachte bovendien met succes een beroep kan doen op de inkeerregeling. Zij heeft voorts, in het kader van haar bewijsverweer, aangevoerd dat (iii) de ten laste gelegde feiten zijn verjaard voor zover zij zien op de belastingjaren 2009, 2010 en 2011. Dit argument wordt door het Gerecht beschouwd als een argument ter onderbouwing van haar niet-ontvankelijkheidsverweer, aangezien een geslaagd beroep op verjaring zou leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en niet tot vrijspraak.

Het Gerecht overweegt als volgt.

(i). Met betrekking tot het eerste argument, dat in de ogen van de verdediging een onherstelbare normschending oplevert, stelt het Gerecht voorop dat het in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats indien een normschending daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Daar komt bij dat de toepassing van dat rechtsgevolg is beperkt tot onherstelbare normschendingen en dat telkens rekening dient te worden gehouden met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt en de mate van verwijtbaarheid van de degene die de norm schond. Van de verdediging mag worden verlangd dat aan de hand van deze beoordelingsfactoren duidelijk wordt gemotiveerd waarom een vermeende normschending tot het zwaarste rechtsgevolg dient te leiden. Aan dit vereiste heeft de verdediging niet voldaan. Daarom kan dit onderdeel van het verweer worden gepasseerd.

Het Gerecht zal niettemin inhoudelijk op het aangevoerde ingaan. Het standpunt van de raadsvrouw komt er in de kern op neer dat politie en justitie hebben miskend dat het primaat van de vervolging voor feiten die in de Algemene landsverordening landsbelastingen strafbaar zijn gesteld, in alle gevallen bij “de Directeur der Belastingen” ligt. Dit standpunt berust naar het oordeel van het Gerecht op een onjuiste lezing van de landsverordening.

Van belang in dit verband is dat politieambtenaren van het Team Bestrijding Ondermijning (hierna: TBO) – onderdeel van het Recherche Samenwerkingsteam (hierna: RST) – bij een grootschalig corruptieonderzoek zijn gestuit op de verdenking dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het jarenlang (opzettelijk) niet binnen de gestelde termijn, onjuist en/of onvolledig doen van aangiften Inkomstenbelasting en Belasting op de Bedrijfsomzetten, zoals strafbaar gesteld in artikel 49, eerste juncto tweede lid, van de Algemene landsverordening landsbelastingen. Die verdenking is vervolgens nader onderzocht en daartoe waren de politieambtenaren ook bevoegd. Artikel 54, eerste lid, van de Algemene landsverordening landsbelastingen luidt immers als volgt: “Met het opsporen van de bij belastingverordening strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, belast de Inspecteur alsmede de daartoe bij landsbesluit aangewezen ambtenaren en personen van de Belastingdienst. (…)”

Niet ter discussie staat dat de politieambtenaren van het TBO, voor zover zij hier te lande niet al ambtenaar van politie of ambtenaar van de Landsrecherche waren, allen zijn benoemd tot buitengenoemd agent van politie, zoals bedoeld in artikel 184 Sv.

De discussie gaat over de betekenis en reikwijdte van artikel 55, tweede lid, van de Algemene landsverordening landsbelastingen. Die bepaling luidt als volgt: “Alle processen-verbaal betreffende de bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten worden ingezonden aan de Directeur. De Directeur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten, ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van justitie. De overige processen-verbaal doet de Directeur met de inbeslaggenomen voorwerpen toekomen aan de officier van justitie indien hij een vervolging wenselijk acht.”

Anders dan de raadsvrouw meent, kan deze bepaling niet anders worden begrepen dan dat de bevoegdheid tot het beslissen over de opportuniteit van de vervolging (in ieder geval) wordt overgedragen aan de officier van justitie, zodra ter zake van de verdenking van een bij de landsverordening strafbaar gesteld feit inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning zonder uitdrukkelijke toestemming van de bewoner is binnengetreden. De wettelijke regeling maakt in die gevallen de officier van justitie en niet de Directeur bevoegd tot vervolging. De zaak tegen de verdachte betreft zo’n geval. De verdachte is immers onder meer ter zake van de verdenking van overtreding van artikel 49 van de Algemene landsverordening landsbelastingen in verzekering gesteld, terwijl die dag onder leiding van de rechter-commissaris en in aanwezigheid van de officier van justitie ook een huiszoeking ter in beslagname is verricht in de woning van de verdachte.2

De raadsvrouw kan worden toegegeven dat het voorgaande strikt genomen onverlet laat dat de processen-verbaal over de bedoelde fiscale delicten aan de Directeur moeten worden gezonden (artikel 55, tweede lid, eerste volzin). Het openbaar ministerie heeft daaraan in zoverre voldaan dat het met betrekking tot de verdachte opgemaakte relaasproces-verbaal is verzonden naar belastingcontroleur [naam verbalisant] (afdeling Controle en Opsporing van de Belastingdienst Sint Maarten) en dat daarvan bij brief van 24 november 2017 melding is gemaakt bij degene die als de Directeur moet worden aangemerkt, te weten het Hoofd van de Belastingdienst Sint Maarten [naam hoofd belastingdienst].

Voor zover het openbaar ministerie hiermee niet aan de geformuleerde verplichting heeft voldaan, moet de ernst daarvan behoorlijk worden genuanceerd. De Directeur had de processen-verbaal tenslotte linea recta moeten terugzenden (artikel 55, tweede lid, tweede volzin). Niet valt in te zien welk rechtens te respecteren belang van de verdachte daarmee zou kunnen zijn gediend. De wetgever heeft deze zinledige exercitie hoogstwaarschijnlijk ook niet voor ogen gehad. Uit de memorie van toelichting bij de oorspronkelijke regeling leidt het Gerecht af dat de wetgever met artikel 55 vooral de opsporing door belastingambtenaren, opererend onder de verantwoordelijkheid en aansturing van de Inspecteur en/of de Directeur, heeft beoogd te reguleren.3 Die situatie is hier duidelijk niet aan de orde.

Daarom kan, als al sprake is van een normschending, worden volstaan met de enkele constatering daarvan.

(ii). Met betrekking tot het beroep op de inkeerregeling – de verdachte zou uit eigen beweging vrijwillig aangiften bij de Belastingdienst hebben ingediend – wordt het volgende overwogen.

De inkeerregeling is neergelegd in artikel 49, derde lid, van de Algemene landsverordening landsbelastingen en houdt in dat de in het eerste en tweede lid omschreven strafbepalingen buiten toepassing blijven “indien degene op wie de verplichting rust alsnog een juiste en volledige aangifte doet of juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Inspecteur of een van de in artikel 48, tweede lid, bedoelde ambtenaren en personen de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden”.

Voor het antwoord op de vraag of al dan niet met vrucht een beroep op deze inkeerbepaling kan worden gedaan, is niet beslissend of de belastingplichtige - subjectief gezien - ten tijde van het doen van de aangifte vermoedde dat ambtenaren van de Belastingdienst op het spoor zouden komen van het feit dat door hem nog geen juiste en volledige aangifte was gedaan, maar of hij - objectief gezien - op dat moment redelijkerwijs moest vermoeden dat die ambtenaren daarmee bekend waren of bekend zouden worden (vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6922, NJ 2010, 199). Er moet derhalve worden ingekeerd voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de belastingambtenaren ermee bekend zijn of zullen worden dat geen juiste en volledige aangifte is gedaan. Voorts moet de door de belastingplichtige gegeven informatie op zodanige wijze worden aangeleverd dat het voor de Belastingdienst redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat hij daarmee zijn nalatigheid herstelt (vgl. HR 22 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1760, NJ 2001, 699).

Uit het dossier blijkt dat op 23 augustus 2016 huiszoekingen zijn gedaan op het woonadres van een vriend en verre neef van de verdachte, [H], en op het adres van diens onderneming genaamd [naam onderneming]. Uit het dossier blijkt ook dat op 28 november 2016 huiszoekingen hebben plaatsgevonden bij de haven.4 De verdachte is op 17 december 2016 door financieel rechercheurs van het TBO als getuige gehoord in aanwezigheid van zijn raadsvrouw nadat hem is medegedeeld dat hij geen antwoord hoeft te geven op vragen die hem zouden kunnen belasten. Tijdens dit verhoor is de verdachte onder meer geconfronteerd met facturen van zijn eenmansbedrijf [eenmansbedrijf van A] voor werkzaamheden die zouden zijn verricht voor de haven. De verdachte heeft verklaard dat hij daartoe opdracht heeft gekregen van [H].5

De verdediging ziet in de omstandigheid dat de verdachte op 4 december 2016 boekhoudster [naam boekhoudster] heeft benaderd om zijn administratie en belastingzaken op orde te brengen, een bevestiging dat hij vrijwillig tot inkeer is gekomen.

Het Gerecht kan de verdediging daarin niet volgen. De voornaamste reden daarvoor is dat het objectief gezien voor de hand ligt dat het op dat moment benaderen van een boekhoudster te maken heeft gehad met de hiervoor omschreven huiszoekingen. De omzet en winst die de verdachte met [eenmansbedrijf van A] heeft gemaakt, zijn immers overduidelijk gerelateerd aan (vermeende) werkzaamheden voor de haven waartoe [H] de opdracht zou hebben gegeven. Zeker nu de verdachte op deze wijze al sinds 2009 omzet en winst heeft gegenereerd, schreeuwt het om een uitleg waarom hij nu juist zes dagen na de huiszoekingen bij de haven een boekhoudster heeft benaderd. Daarom is de verdachte ter terechtzitting herhaaldelijk gevraagd wat daarvoor de reden was. De voor de hand liggende gedachte werd door hem niet ontkracht. Integendeel, de verdachte beriep zich consequent op zijn zwijgrecht. Onder die omstandigheden moet het er naar het oordeel van het Gerecht voor worden gehouden dat de aanleiding voor het benaderen van een boekhoudster was dat bij de huiszoekingen facturen van [eenmansbedrijf van A] konden worden aangetroffen.

Dat betekent met andere woorden dat het Gerecht van oordeel is dat de verdachte objectief gezien vanaf de huiszoekingen moest vermoeden en ook heeft vermoed dat belastingambtenaren ermee bekend zouden worden dat hij ten onrechte geen aangiften van de Inkomstenbelasting en de Belasting op de Bedrijfsomzetten heeft ingediend. Daarmee strandt het beroep op de inkeerregeling.

(iii). Het beroep op verjaring strandt eveneens. De raadsvrouw onderbouwt dit beroep met een verwijzing naar artikel 17, eerste lid, van de Algemene landsverordening landsbelastingen, maar miskent daarmee dat deze bepaling ziet op “de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag” en niet op het recht tot strafvervolging. Het recht op strafvervolging is geregeld in artikel 1:145 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Deze bepaling stelt de verjaringstermijn van misdrijven afhankelijk van de hoogte van de gevangenisstraf waarmee deze wettelijk zijn bedreigd. Het ten laste gelegde opzettelijk niet binnen de gestelde termijn, onjuist en/of onvolledig doen van een aangifte van de Inkomstenbelasting of van de Belasting op de Bedrijfsomzetten, is een misdrijf dat is bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren (artikel 49, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, juncto artikel 7, eerste lid, artikel 8, tweede lid, en 53 van de Algemene landsverordening landsbelastingen, de artikelen 27 en 28 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting en artikelen 10, eerste lid, en 11, eerste lid, van de Landsverordening belasting op de bedrijfsomzetten). Ten aanzien van zo’n misdrijf vervalt het recht tot strafvervolging door verjaring in twaalf jaren (artikel 1:145, eerste lid, onder c, Sr). Die termijn is ten aanzien van geen van de aangiften verstreken.

Het verweer wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen.

Nu ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zouden kunnen aantasten, concludeert het Gerecht dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte. Het Gerecht stelt tot slot vast dat er evenmin redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Partiële vrijspraak

Het Gerecht is van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet kan worden bewezen voor zover het betrekking heeft op het belastingjaar 2011. Uit de stukken blijkt namelijk dat [eenmansbedrijf van A] in dat jaar geen omzet heeft gegenereerd. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat nadeel heeft kunnen ontstaan voor het land Sint Maarten door het met betrekking tot dat jaar niet tijdig indienen van de maandelijkse aangiften van de Belasting op de Bedrijfsomzetten en de aangifte van de Inkomstenbelasting. De verdachte zal daarom in zoverre van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Op grond van de hierna vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het Gerecht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2017 in de Nederlandse Antillen en/of Sint Maarten meermalen telkens al dan niet opzettelijk,

als degene, die ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen, verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Inkomstenbelasting, dat niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij telkens al dan niet opzettelijk nagelaten om binnen de gestelde termijn aangifte Inkomstenbelasting (betreffende de belastingjaren 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en/of 2016) te doen,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel kan ontstaan voor de Nederlandse Antillen en/of voor een van de eilandgebieden en/of voor Sint Maarten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 15 augustus 2016 in de Nederlandse Antillen en/of Sint Maarten, meermalen telkens al dan niet opzettelijk,

als degene, die ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen, verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Belasting op Bedrijfsomzetten (Turnover Tax), dat niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij telkens al dan niet opzettelijk, maandelijks, nagelaten om binnen de gestelde termijn aangifte Belasting op de Bedrijfsomzetten voor het bedrijf [eenmansbedrijf van A] (betreffende de tijdvakken in 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en/of 2016) te doen,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel kan ontstaan voor de Nederlandse Antillen en/of voor een van de eilandgebieden en/of voor Sint Maarten.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

In de redactie van de tenlastelegging zijn enkele marginale wijzigingen aangebracht (cursief). Die wijzigingen houden verband met de citeertitel die in de genoemde landsverordening is opgenomen. De verdachte is daardoor vanzelfsprekend niet geschaad in zijn verdediging.

Bewijsmiddelen 6

Het Gerecht stelt op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, de volgende feiten en omstandigheden vast.

1. De verdachte heeft een eenmansbedrijf opgericht onder de naam [eenmansbedrijf van A]. Dit eenmansbedrijf is op 12 september 2007 opgericht en geregistreerd in het register van de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Sint Maarten en houdt zich volgens de daarin opgenomen gegevens bezig met bouwactiviteiten. Dit een en ander volgt uit het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel en Nijverheid d.d. 2 december 2016, zoals hierna weergegeven:

“Date: December 02, 2016

In the Commercial Register of the St. Maarten Chamber of Commerce & Industry is registered: [eenmansbedrijf van A].

Trade name: [eenmansbedrijf van A]

Legal form: Sole ownership

Date established: September 12, 2007

Date registered: September 12, 2007

Activity category: Construction Works

Description: Construction

Business address: [adres]

Area name: [gebiedsnaam]

Name Official: [A]

Function: Statutory Director

Title: Managing Director

Address: [adres].” 7

2. In de administratie van [bedrijf in de haven] zijn facturen aangetroffen van [eenmansbedrijf van A] over de periode juli 2009 tot augustus 2016.8 Deze facturen zijn, voor zover het Gerecht heeft kunnen nagaan, door middel van cheques van [onderdeel van bedrijf in de haven] uitbetaald aan [eenmansbedrijf van A]. De cheques zijn geïncasseerd en vervolgens op bankrekeningnummer [nummer] ten name van [A] gestort, waarna steeds een aanzienlijk deel daarvan contant is opgenomen.9

3. In het dossier is het volgende overzicht gegeven van de bedragen die op facturen betrekking hebben en door middel van geïncasseerde cheques zijn bijgeschreven op voormelde bankrekening van de verdachte:

Jaar

Maand

Datum bijschrijving

Bedrag

2009

Juli

9 juli 2009

27 juli 2009

$ 8.552,--

$ 6.987,--

Oktober

19 oktober 2009

$ 7.900,--

November

9 november 2009

16 november 2009

$ 6.880,--

$ 5.500,--

December

4 december 2009

21 december 2009

31 december 2009

$ 11.889,--

$ 19.500,--

$ 6.500,--

Totaal 2009

$ 73.708,--

2010

Mei

11 mei 2010

$ 6.994,--

Juni

18 juni 2010

$ 9.865,--

Augustus

16 augustus 2010

$ 7.492,--

September

22 september 2010

$ 9.500,--

Totaal 2010

$ 33.851,--

2012

Mei

16 mei 2012

29 mei 2012

$ 16.500,--

$ 9.850,--

Juni

4 juni 2012

22 juni 2012

$ 11.849,--

$ 18.563,--

Juli

27 juli 2012

$ 22.743,--

Augustus

22 augustus 2012

$ 11.963,--

September

12 september 2012

25 september 2012

$ 24.872,--

$ 25.944,--

Oktober

8 oktober 2012

$ 21.958,--

November

5 november 2012

$ 23.742,--

December

3 december 2012

31 december 2012

$ 25.893,--

$ 24.932,--

Totaal 2012

$ 238.809,--

2013

Januari

18 januari 2013

$ 15.793,20

Februari

5 februari 2013

27 februari 2013

$ 10.528,--

$ 18.769,--

Maart

22 maart 2013

$ 18.572,70

Mei

10 mei 2013

30 mei 2013

$ 5.002,30

$ 26.429,--

Juli

2 juli 2013

22 juli 2013

$ 18.050,90

$ 7.736,10

Augustus

1 augustus 2013

$ 26.942,--

September

13 september 2013

25 september 2013

$ 52.753,--

$ 25.497,--

Oktober

25 oktober 2013

$ 26.500,--

December

2 december 2013

12 december 2013

19 december 2013

$ 25.800,--

$ 20.317,50

$ 37.800,--

Totaal 2013

$ 336.490,70

2014

Januari

13 januari 2014

16 januari 2014

30 januari 2014

$ 19.896,--

$ 25.944,50

$ 26.285,--

Februari

10 februari 2014

17 februari 2014

21 februari 2014

$ 20.475,--

$ 25.000,--

$ 27.000,--

Maart

5 maart 2014

19 maart 2014

$ 25.969,--

$ 18.900,--

April

8 april 2014

$ 26.950,--

Mei

2 mei 2014

$ 19.800,--

Juni

17 juni 2014

$ 16.500,--

Augustus

19 augustus 2014

19 augustus 2014

26 augustus 2014

$ 20.900,--

$ 4.000,--

$ 26.000,--

Totaal 2014

$ 303.619,50

2015

December

8 december 2015

17 december 2015

$ 10.800,--

$ 15.700,--

Totaal 2015

$ 26.500,--

2016

Januari

8 januari 2016

19 januari 2016

27 januari 2016

$ 26.500,--

$ 23.900,--

$ 26.500,--

Februari

22 februari 2016

$ 25.500,--

Maart

14 maart 2016

22 maart 2016

$ 23.700,--

$ 26.300,--

Mei

10 mei 2016

$ 19.700,--

Juni

8 juni 2016

29 juni 2016

$ 23.900,--

$ 26.700,--

Juli

14 juli 2016

$ 25.400,--

Totaal 2016

$ 248.100,-- 10

In totaal is er in de ten laste gelegde jaren 2009, 2010 en 2012 tot en met 2016 dus $ 1.261.078,20 bijgeschreven.

4. De eerste maandelijkse aangiften van de Belasting op de Bedrijfsomzetten voor [eenmansbedrijf van A] zijn op 19 december 2017 bij de Belastingdienst binnengekomen. Op dat moment zijn aangiften ingediend over alle maanden van de jaren 2010 tot en met 2016. Vervolgens zijn op 2 februari 2018 de aangiften over de maanden oktober tot en met december 2009 binnengekomen, op 5 februari 2018 de aangiften over de maanden juli en augustus 2009 en op 6 februari 2018 de aangiften over de maanden januari tot en met juni 2009 en de maand september 2009.11

5. De verdachte heeft verder, voor wat betreft de ten laste gelegde periode, eerst op 15 december 2016 aangiften van de Inkomstenbelasting opgesteld; deze bij de Belastingdienst binnengekomen aangiften hebben betrekking op de jaren 2010 tot en met 2013.

Op 19 december 2017 zijn vervolgens de aangiften over de jaren 2014 en 2015 binnengekomen, op 5 februari 2018 de aangifte over het jaar 2009 en op 6 februari 2018 de aangifte over het jaar 2016. Voor wat betreft de jaren 2009 tot en met 2013 blijkt niet expliciet wanneer de daarop betrekking hebbende aangiftebiljetten zijn uitgereikt. De aangiftebiljetten die zien op de jaren 2014, 2015 en 2016, zijn respectievelijk op 1 april 2015, 1 april 2016 en 1 april 2017 uitgegeven. 12

6. De verdachte heeft als getuige op 17 december 2016 tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

“Van de haven krijg ik voor [eenmansbedrijf van A] altijd cheques. Die haal ik zelf op of ik stuur iemand om de cheques op te halen.

Met de cheque ga ik naar de bank en ik laat deze cheque uitbetalen.” 13

7. De verdachte heeft verder tijdens zijn tweede verhoor als verdachte op vragen van de politie onder meer het volgende verklaard:

“[Verbalisant:] Heeft u naast de [naam bar] nog meer bedrijven gehad of werkgevers?

[Verdachte:] Ja, ik heb het bedrijf [eenmansbedrijf van A]. U toont mij een salarisstrook van april 2012 van [naam accountantskantoor]. Ik denk dat ik daar een paar maanden heb gewerkt. Mijn werkzaamheden bestonden uit het invoeren van gegevens van verschillende bedrijven in het programma Quickbooks. Dat is een boekhoudprogramma.

[Verbalisant:] Wat is uw opleiding?

[Verdachte:] Ik heb een schriftelijke cursus boekhouden gedaan. Die cursus duurde 6 maanden en ik heb mijn diploma behaald. Daarna kreeg ik de baan bij [naam accountant]. Daarvoor had ik al de [naam bar] gekocht. Ongeveer in die periode heb ik ook het bedrijf [eenmansbedrijf van A] opgericht. Daarna heb ik nog wat baantjes gehad bij verschillende bedrijven in de boekhouding. Daar heb ik hetzelfde werk gedaan als bij [naam accountant].” 14

8. De verdachte heeft tijdens zijn derde verhoor als verdachte desgevraagd onder meer het volgende verklaard:

“[Verbalisant:] Wij tonen u een contract tussen [eenmansbedrijf van A] en de haven waarin overeen wordt gekomen dat [eenmansbedrijf van A] als onderaannemer van [naam bedrijf 1] de werkzaamheden gaat verrichten inzake ‘Drediging material movement, transportation of the material’.

[Verdachte:] Ik weet dat ik een contract heb ondertekend met de haven. Dit moet het contract zijn.

[Verbalisant:] Wij tonen u een aantal facturen van [eenmansbedrijf van A] aan de haven waarin wordt gerefereerd aan [naam bedrijf 1].

[Verdachte:] Ik heb alle cheques verzilverd. Dat is mijn verantwoordelijkheid. Ik ben de enige die de cheques kan verzilveren.

[Verbalisant:]: Onder punt 8. van het contract staat vermeld: ‘For audit Purpose please also inform Harbour on completion of works and followup of that for Phase 2 all taxes must be up to par and proven’. Hier staat dat alle belasting betaald moet worden. Dat heeft u niet gedaan.

[Verdachte:] Op dat moment had ik mijn belastingaangiften nog niet ingediend en heb de Haven dus niet laten zien dat ik mijn belasting had betaald. Pas nadat ik (het Gerecht: op 26 september 2016) parlementslid ben geworden, heb ik [naam boekhoudster] gevraagd om mijn belastingpapieren op orde te brengen.” 15

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft in subsidiaire zin bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat (i) de verdachte voor het belastingjaar 2017 nog niets aan de Belastingdienst is verschuldigd, (ii) de overheid belastingplichtigen vanwege de desastreuze gevolgen van de orkaan Irma voor het belastingjaar 2016 een ‘grace period’ tot januari 2018 heeft gegund, en (iii) de verdachte vrijwillig is ingekeerd door alsnog alle aangiften in te dienen.

Het Gerecht overweegt als volgt.

(i). Het eerste argument behoeft geen bespreking, nu het belastingjaar 2017 geen deel uitmaakt van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De onder 1 ten laste gelegde periode loopt weliswaar tot en met 31 december 2017, maar de reden daarvoor is gelegen in het feit dat de aangifte van de Inkomstenbelasting over het jaar 2016 pas in het jaar 2017 hoeft te worden ingediend; in de verfeitelijking wordt het belastingjaar 2017 niet genoemd. De onder 2 ten laste gelegde periode loopt tot en met 15 augustus 2016. Ook daarmee wordt de verdachte dus niets met betrekking tot het belastingjaar 2017 verweten.

(ii). Het tweede argument van de raadsvrouw gaat evenmin op. Bij raadpleging van openbare bronnen, waaronder de website van de overheid van Sint Maarten, is het Gerecht een dusdanig ruimhartige ‘grace period’ niet tegengekomen. Voor zover het Gerecht heeft kunnen nagaan, is slechts uitstel verleend voor het doen van maandelijkse aangiften, zoals die van de Belasting op de Bedrijfsomzetten, voor zover betrekking hebbend op de maanden augustus, september, oktober en november van het jaar 2017. Voor die maanden is uitstel verleend tot 15 januari 2018.

Dat komt het Gerecht ook logisch voor, in aanmerking genomen dat orkaan Irma Sint Maarten op 6 september 2017 heeft getroffen, de termijnen voor de maandelijkse aangiften van de Belasting op de Bedrijfsomzetten in 2016 op dat moment al ruimschoots waren verstreken (zo’n aangifte moet tenslotte uiterlijk op de 15e dag van de daaropvolgende maand zijn ingediend) en óók de termijn voor de aangifte van de Inkomstenbelasting toen al was verstreken (het aangiftebiljet voor het jaar 2016 is op 1 april 2017 uitgereikt en had volgens het opschrift op dat biljet binnen vijf maanden daarna, dus uiterlijk op 1 september 2017, moeten zijn ingediend; dat is, gezien de wettelijke termijn van twee maanden, op zichzelf al een ruimhartige termijn).

(iii). Het derde argument dat de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, is in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie reeds terzijde geschoven. Van een vrijwillige inkeer is geen sprake geweest. De verdachte heeft weliswaar uiteindelijk alle in de tenlastelegging genoemde aangiften gedaan, maar dat doet niet af aan zijn eerdere opzet.

Dat er in de ten laste gelegde periodes sprake was van opzettelijk nalaten aan de zijde van de verdachte, staat voor het Gerecht vast. De verdachte is al geruime tijd ondernemer en heeft bovendien een boekhoudkundige achtergrond: hij heeft met goed gevolg een boekhoudcursus voltooid en bovendien in diverse functies boekhoudkundig werk verricht. De verdachte heeft jarenlang uit hoofde van zijn eenmanszaak facturen naar de haven laten uitgaan en heeft de daarvoor uitgegeven cheques, in totaal goed voor een bedrag van $ 1.261.078,20, persoonlijk geïncasseerd. Onder die omstandigheden kan het naar het oordeel van het Gerecht niet anders zijn dan dat de verdachte in de ten laste gelegde perioden willens en wetens heeft nagelaten om de bedoelde aangiften in te dienen.

Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Kwalificatie en strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten

Het onder 1 bewezen verklaarde is – voor zover gepleegd voor 10 oktober 2010 –voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49, eerste lid, aanhef, onder a, en tweede lid, juncto artikel 7, eerste lid van de Algemene landsverordening Landsbelastingen en de artikelen 27 en 28 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (de destijds geldende landsverordeningen in de Nederlandse Antillen). Voor zover het daarna is gepleegd, is het telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49, eerste lid, aanhef, onder a, en tweede lid, juncto artikel 7, eerste lid, van de Algemene landsverordening landsbelastingen en de artikelen 27 en 28 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting (de sindsdien geldende landsverordeningen in Sint Maarten).

Bij deze verandering van wetgeving heeft geen wijziging van sanctierecht plaatsgevonden, zodat het recht moet worden toegepast zoals dat gold ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde.

Het onder 1 bewezen verklaarde wordt daarom als volgt gekwalificeerd:

Ingevolge de Algemene landsverordening Landsbelastingen verplicht zijnde tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl van het nalaten het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor een van de eilandgebieden kan ontstaan

en

ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht zijnde tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl van het nalaten het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde is – voor zover gepleegd voor 10 oktober 2010 –telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49, eerste lid, aanhef, onder a, en tweede lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen en de artikelen 10, eerste lid, 11 en 12, eerste lid, van de Landsverordening belasting op bedrijfsomzetten 1997 (de destijds geldende landsverordeningen in de Nederlandse Antillen). Voor zover het daarna is gepleegd, is het telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49, eerste lid, aanhef, onder a, en tweede lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Algemene landsverordening landsbelastingen en de artikelen 10, eerste lid, 11, en 12, eerste lid, van de Landsverordening belasting op de bedrijfsomzetten (de sindsdien geldende landsverordeningen in Sint Maarten).

Nu geen wijziging van sanctierecht heeft plaatsgevonden, wordt het recht toegepast zoals dat gold ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde.

Het onder 2 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Ingevolge de Algemene landsverordening Landsbelastingen verplicht zijnde tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl van het nalaten het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor een van de eilandgebieden kan ontstaan, meermalen gepleegd,

en

ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht zijnde tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl van het nalaten het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan, meermalen gepleegd.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Het Gerecht heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen van meerdere aangiften van de Inkomstenbelasting en de Belasting op de Bedrijfsomzetten.

De officier van justitie heeft, uitgaande van een soortgelijke bewezenverklaring, gevorderd dat het Gerecht de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die hij in verzekering heeft doorgebracht, alsmede tot een geheel voorwaardelijke geldboete van NAf 250.000,-- met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouw heeft een straftoemetingsverweer gevoerd. Dat verweer strekt ertoe dat het Gerecht zal volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf die zijn voorarrest niet overstijgt.

Het Gerecht overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het daarop gestelde wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het Gerecht heeft in zijn eerdere vonnissen in het kader van de strafoplegging het volgende als uitgangspunt genomen: “Bij de heffing van belastingen zijn in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt immers beoogd dat het desbetreffende land, in dit geval Sint Maarten, geldmiddelen verschaft die voor zijn instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelen deze gemeenschapsbelangen geschonden. Zulk gedrag leidt er uiteindelijk toe dat andere, bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Dit klemt temeer in een kleine gemeenschap, zoals die van Sint Maarten. Het spreekt immers voor zich dat naarmate de gemeenschap kleiner is, de begroting kleiner is en daarmee de impact van belastingontduiking groter is. In een tijd zoals deze, waarin Sint Maarten de verwoestende werking van orkaan Irma te boven probeert te komen, is het extra wrang dat de verdachte met zijn constructiebedrijf op deze schaal belasting heeft ontdoken. In zoverre is de forse strafeis van de officier van justitie niet onbegrijpelijk te noemen.


Tegelijkertijd kan het Gerecht de ogen niet sluiten voor het feit dat het in de Caribische delen van ons Koninkrijk zelden is voorgekomen dat een verdachte voor enkel en alleen belastingfraude voor de strafrechter is gebracht. Dat hierin verandering is gekomen, houdt evident verband met de start van het Team Bestrijding Ondermijning. Er is simpelweg financiële onderzoekscapaciteit vrijgemaakt om deze als ondermijning getypeerde zaken te kunnen aanpakken. De traditie van niet-vervolging is daarmee doorbroken. Op het moment van de bewezen verklaarde belastingontduiking bestond die traditie echter nog en daarom is – anders dan in het Nederlandse deel van het Koninkrijk waar ernstige belastingdelicten al sinds jaar en dag voor de strafrechter worden gebracht en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf daarvoor bepaald niet uitzonderlijk is – oplegging daarvan hier te lande minder voor de hand liggend. Dat blijkt ook uit de eerste zaak die het Team Bestrijding Ondermijning voor de rechter heeft gebracht. In de zaak Saffier tegen de (voormalig) president van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, die ook van belastingfraude werd verdacht, vorderde het openbaar ministerie geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf (vgl. Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 17 november 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:167). Waar in de toekomst mogelijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt zal gaan gelden voor belastingfraudeurs, zal het Gerecht, behoudens uitzonderlijke gevallen, op dit moment een ander uitgangspunt nemen.”

De officier van justitie heeft zich tegen deze laatste overwegingen verzet.

Volgens hem is het onjuist dat in Caribisch Nederland eigenlijk nooit vervolging wordt ingesteld voor een kale belastingontduiking en zelfs als dat wel juist zou zijn, zou die omstandigheid niet strafmatigend mogen werken.

Het Gerecht is na reflectie in raadkamer tot de conclusie gekomen dat aan de overwegingen moet worden vastgehouden. Wat de officier van justitie naar voren heeft gebracht, weerlegt de overwegingen niet. De twee eerdere vonnissen van het Gerecht die de officier van justitie heeft aangehaald en waarin louter een vervolging wegens belastingontduiking aan de orde was, spreekt de zeldzaamheid van dit soort vervolgingen nog niet tegen. Dat klemt te meer nu het om twee samenhangende zaken gaat (het betreft feiten gepleegd door een onderneming en haar managing director/enig aandeelhouder), die bovendien in het geheel niet te vergelijken zijn met de zaken die tegen de verdachte en zijn medeverdachten zijn aangebracht. Waar in de aangehaalde zaken kennelijk tot vervolging is beslist nadat diverse administratieve boetes waren opgelegd, zijn de onderhavige zaken voortgekomen uit een zuiver strafrechtelijk onderzoek. In dat opzicht lijkt overigens een misverstand te schuilen. De officier van justitie liet ter terechtzitting weten dat de overwegingen van het Gerecht suggereren dat specifiek onderzoek is gedaan naar belastingontduiking, terwijl de verdenkingen van belastingontduiking in feite de bijvangst waren van een omvangrijk onderzoek naar fraude en corruptie. Volgens het Gerecht ligt die suggestie niet in zijn overwegingen besloten. De wijze van opsporing en de uitkomsten daarvan – in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zijn daaraan al overwegingen gewijd – maken het openbaar ministerie bevoegd tot vervolging en rechtvaardigen die vervolging ook, maar veranderen niet dat het in het verleden zelden is voorgekomen dat dit soort zaken voor de strafrechter werden gebracht.

Een ander misverstand dat kennelijk is gerezen, is dat met de overwegingen een matiging van de straf is beoogd. Dat is niet het geval. De overwegingen moeten worden gezien in het licht van de strenge eisen die aan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden gesteld (daarvoor moeten ingevolge artikel 402, vijfde lid, Sv in het bijzonder de redenen worden opgegeven).

De officier van justitie heeft tegen de overwegingen van het Gerecht ook ingebracht dat vergelijking met de zaak Saffier waarin de verdachte [voormalig president van de Centrale Bank] is vrijgesproken, niet opgaat. Het Gerecht stelt vast dat het openbaar ministerie blijkens zijn schriftelijke aantekeningen van het requisitoir in die zaak bewezen achtte dat “[de voormalig president van de Centrale Bank] op meer tijdstippen in de periode van 28 maart 2007 tot en met 23 maart 2015 op de Nederlandse Antillen en in Curaçao opzettelijk als degene die ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte Inkomstenbelasting, de aangiften Inkomstenbelasting, als in de tenlastelegging genoemd, over de aangiftevakken 2006 tot en met 2014 onjuist heeft gedaan door een te laag persoonlijk inkomen op te geven, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen en voor Curaçao kon ontstaan.”

In het kader van de strafmaat gaf het openbaar ministerie te kennen de overtuiging te hebben dat [de voormalig president van de Centrale Bank] welbewust en met gebruikmaking van zijn positie de Belastingdienst en daarmee de Nederlandse Antilliaanse en Curaçaose gemeenschap voor een bedrag van circa 5.5 miljoen Antilliaanse guldens heeft benadeeld. Tevens verweet het openbaar ministerie [de voormalig president van de Centrale Bank] dat het geld van zijn pensioenstichting direct werd gebruikt ten behoeve van zichzelf. Desondanks achtte het openbaar ministerie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet geïndiceerd. Het gerecht vermag niet in te zien dat deze zaak niet kan worden vergeleken met de zaak tegen de verdachte. Immers, beide zaken betreffen een aanzienlijke belastingfraude gedurende een lange periode met een verdachte die een blanco strafblad heeft en bovendien een belangrijke maatschappelijke positie bekleedt.

Het Gerecht heeft zich lang voor de vraag gesteld of het bewezen verklaarde handelen van de verdachte een uitzonderlijk geval is dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Het Gerecht acht het onbegrijpelijk en onaanvaardbaar dat de verdachte als parlementariër geen rekening en verantwoording heeft afgelegd over de bewezen verklaarde belastingfraude. Enerzijds geniet hij als volksvertegenwoordiger een riant inkomen uit de gemeenschapskas en anderzijds weigert hij op de openbare zitting de gemeenschap uit te leggen hoe hij tot de aanzienlijke belastingfraude is gekomen, waardoor diezelfde gemeenschap is benadeeld. Het Gerecht memoreert dat de verdachte op de zitting van 7 februari 2018 verklaarde niet van zijn verantwoordelijkheden te zullen weglopen. Voorts heeft zijn raadsvrouw op diezelfde zitting medegedeeld dat de verdachte bereid was mee te werken en bij de inhoudelijke behandeling vragen van het Gerecht en de officier van justitie zou beantwoorden. Ondanks deze toezeggingen beriep de verdachte zich op de zitting van 29 maart 2018 consequent op zijn zwijgrecht, zelfs nádat de officier van justitie de niet mis te verstane mededeling had gedaan dat de verdachte niet zou worden vervolgd ter zake van valsheid in geschrifte waar het de zich in het dossier bevindende facturen van [eenmansbedrijf van A] betreft. De verdachte heeft zodoende geen enkel inzicht gegeven in zijn handelen, laat staan dat hij op overtuigende wijze spijt heeft betoond.

Wat het stilzwijgen van de verdachte extra onbevredigend maakt, is dat in zijn zaak veel meer aanwijzingen voor frauduleus handelen zijn bovengekomen dan in de zaken van zijn medeverdachten. Zo heeft de verdachte geen commentaar willen geven op de verklaring van de directeur van [naam bedrijf 2] dat de werkzaamheden die door de verdachte zijn gefactureerd, helemaal niet zijn uitgevoerd.16 Een ander voorbeeld is dat de verdachte ter zitting ook niet heeft willen antwoorden op vragen over de hoge kostenposten onder de noemer “Subcontractors expense”, die voorkomen in de door de verdediging tijdens deze procedure ingebrachte Profit & Loss-overzichten. De verdachte heeft geen namen van onderaannemers willen noemen en heeft evenmin een begin van onderbouwing gegeven op welke wijze deze kostenposten in kaart zijn gebracht. Deze sterke aanwijzingen, die niet of nauwelijks zijn tegengesproken, maken dat het Gerecht in het geval van de verdachte aan de frauduleuze context niet kan voorbijgaan. Waar naar het oordeel van het Gerecht in andere zaken de frauduleuze context op grond van het onderzoek ter zitting niet met onvoldoende zekerheid kon worden vastgesteld en daarom buiten beschouwing werd gelaten, kan het Gerecht daaraan in deze zaak niet omheen.

Tegenover alle genoemde omstandigheden staat alleen dat de verdachte een blanco strafblad heeft en dat hij veel, wellicht meer dan anderen, te verliezen heeft indien hem een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt opgelegd.

Het straftoemetingsverweer van de raadsvrouw, waarmee de zaak van de verdachte ten onrechte is getypeerd als een puur fiscale aangelegenheid, kan daarom niet slagen. Sterker nog: het Gerecht is, na een en ander andermaal te hebben afgewogen, tot de conclusie gekomen dat onder de gegeven omstandigheden moet worden gesproken van een uitzonderlijk geval in de hiervoor bedoelde zin. In de visie van het Gerecht kan met andere woorden niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het gewicht van de mogelijke gevolgen voor de verdachte dienen naar het oordeel van het Gerecht tot uitdrukking te worden gebracht in de duur van die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Het Gerecht zal daarom een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Om de ernst van het bewezen verklaarde te benadrukken, zal het Gerecht daarnaast de maximale werkstraf aan de verdachte opleggen.

Het voorgaande voert tot de slotsom van het Gerecht dat het in het geval van de verdachte passend en geboden is om een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, op te leggen in combinatie met een werkstraf voor de duur van 240 uren (subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis).

Ten aanzien van de aard van de werkstraf overweegt het Gerecht nog als volgt. In aanmerking genomen dat de bewezen verklaarde belastingontduiking ziet op met een constructiebedrijf behaalde omzet en winst, verdient het aanbeveling dat de te verrichten werkzaamheden plaatsvinden in het kader van de wederopbouw van Sint Maarten na de orkaan Irma.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:45, 1:46 en 1:136 Sr, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf een gedeelte, groot 15 (vijftien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door de rechter, mr. T.E. van der Spoel, bijgestaan door mr. A.P. Verhaegh, zittingsgriffier, en op 17 april 2018 in tegenwoordigheid van voornoemde griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Sint Maarten.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige – en door de desbetreffende verbalisant(en) in de wettelijke vorm opgemaakte – processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in de verschillende onderdelen (algemeen dossier, zaaksdossier en persoonsdossier) van het einddossier dat door het Team Bestrijding Ondermijning in de zaak van de verdachte is opgemaakt.

2 Bevel tot inverzekeringstelling d.d. 15 maart 2017, pagina 137 en 138 van het persoonsdossier van de verdachte; proces-verbaal van huiszoeking d.d. 23 mei 2017, pagina 124 en 125 van het persoonsdossier.

3 Zie Landsverordening houdende algemene bepalingen van formeel belastingrecht (Algemene landsverordening Landsbelastingen), P.B. 2001, no. 89; Staten van de Nederlandse Antillen, Zitting 2000-2001, 2446, nr. 3. De toelichting bij artikel 55 luidt als volgt: “In hun hoedanigheid van opsporingsambtenaar dienen de belastingambtenaren ten spoedigste proces-verbaal op te maken van de door hen opgespoorde strafbare feiten of van hetgeen door hen bij opsporing is verricht of bevonden. In geval van binnentreden wordt zelfs binnen een voorgeschreven termijn van twee etmalen een proces-verbaal opgemaakt. In het kader van een doelmatige werkverdeling tussen het Openbaar Ministerie en de belastingadministratie is voorgeschreven dat alle ter zake van fiscale delicten opgemaakte processen-verbaal worden ingezonden naar de Directeur. De belastingadministratie heeft daarmee een belangrijke invloed op de vervolging. Ingeval bijzondere middelen zijn toegepast, (zoals het betreden van een woning tegen de wil van de bewoner) is de Directeur gehouden altijd het proces-verbaal aan de officier van justitie in te sturen. Het staat het Openbaar Ministerie overigens vrij in geval van belastingfraude op andere grond te vervolgen dan op basis van deze landsverordening. De officier behoeft dan niet het voortouw aan de Directeur te laten. Besluit het Openbaar Ministerie een zaak niet te vervolgen, dan wordt het dossier teruggestuurd aan de Directeur, die de zaak dan administratief kan afhandelen.”

4 Overzichtsproces-verbaal van bevindingen d.d. 30 mei 2017, pagina 2, 3 en 8 van het zaaksdossier.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 17 december 2016, pagina 1, 2, 5 tot en met 10 van het zaaksdossier.

6 Ieder bewijsmiddel is, ook in zijn onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

7 Geschrift, te weten een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel en Nijverheid (Commercial Register of the Chamber of Commerce and Industry St. Maarten, d.d. 2 december 2016, pagina 193 van het zaaksdossier (documentcode D-374).

8 Overzichtsproces-verbaal van bevindingen d.d. 30 mei 2017, pagina 2 van het zaaksdossier.

9 Proces-verbaal facturen en geldstroomanalyse [eenmansbedrijf van A] d.d. 7 april 2017, pagina 145 van het zaaksdossier.

10 Proces-verbaal facturen en geldstroomanalyse [eenmansbedrijf van A] d.d. 7 april 2017 met bijlagen, pagina 145, 152 tot en met 158 van het zaaksdossier.

11 Niet van voormeld einddossier deel uitmakende geschriften, te weten de maandelijkse aangiften Belasting op de Bedrijfsomzetten (Turnover Tax), ingebracht door de verdediging op 12 maart 2018, gemarkeerd als documenten B.I tot en met B.XII, C.III, C.IV, C.VI, C.VII, C.IX tot en met C.XX, D.I tot en met D.XII, E.I tot en met E.XII, F.II, F.III, F.V. tot en met F.XXII, G.I tot en met G.XII, H.II tot en met H.XVI en I.I tot en met I.XII. Opgemerkt wordt dat na de eerste reeks aangiften ook een aantal gecorrigeerde aangiften is binnengekomen (op 3 januari 2018 aangiften over de maanden november 2012 en augustus 2015 en op 2 februari 2018 aangiften over de maanden juni, augustus en september 2010, de maanden mei, juni, juli, augustus, september, oktober en december 2012 en opnieuw de maand augustus 2015). Voor het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is dat evenwel niet relevant.

12 Geschriften, te weten de aangiften Inkomstenbelasting (Income Tax), respectievelijk pagina 316 tot en met 338 (documentcode D-1357), pagina 339 tot en met 361 (documentcode D-1358), pagina 362 tot en met 384 (documentcode D-1359) en pagina 385 tot en met 407 (documentcode D-1360) van het zaaksdossier; niet van voormeld einddossier deel uitmakende geschriften, te weten de aangiften Inkomstenbelasting (Income Tax), ingebracht door de verdediging op 12 maart 2018, gemarkeerd als documenten J.I, J.II, K.I en Q.1. Opgemerkt wordt dat op 19 december 2017 bij de Belastingdienst ook gecorrigeerde aangiften zijn binnengekomen voor wat betreft de jaren 2010, 2011 en 2013 (zie de door de verdediging ingebrachte aangiften, gemarkeerd als documenten L.I, M.I en N.I).

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 17 december 2016, pagina 6 tot en met 8 van het zaaksdossier.

14 Proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [A] d.d. 17 maart 2017, pagina 18 van het zaaksdossier.

15 Proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [A] d.d. 17 maart 2017, pagina 28 tot en met 30 van het zaaksdossier.

16 Proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [A] d.d. 17 maart 2017, pagina 27 en 28 van het zaaksdossier.