Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:119

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
11-01-2019
Zaaknummer
SXM201501131 en SXM201501132
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 29 maart 2018, ECLI:NL:OGEAM:2018:13, had het Gerecht geoordeeld dat het jacht geëxploiteerd wordt door belanghebbende en dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig is voor de winstbelasting. Deze oordelen kunnen als eindbeslissingen worden opgevat. De hoogte van de naheffingsaanslagen winstbelasting staat nog ter discussie. Het Gerecht handhaaft de naheffingsaanslagen. Hij past daarbij de omkering van de bewijslast toe, terwijl de wet die mogelijkheid niet meer kent voor de beroepsfase. Wel is in de wet nog immer de omkering van de bewijslast geregeld voor de bezwaarfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2019/681 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 7 november 2018

BBZ nrs. SXM201501131 en SXM201501132

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 van:

[ X ], statutair gevestigd op de Marshalleilanden,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Sint Maarten,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 juni 2011 een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 2009 opgelegd ten bedrage van NAf 250.000. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van Naf 5.000 (2%) vanwege het niet doen van aangifte.

1.2

Aan belanghebbende is met dagtekening 26 juli 2013 een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 2011 opgelegd ten bedrage van NAf 250.000. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van Naf 10.000 (4%) vanwege het niet doen van aangifte.

1.3

Belanghebbende is op respectievelijk 19 april 2013 en 16 oktober 2013 tegen de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen in bezwaar gekomen. De Inspecteur heeft bij uitspraken van 26 september 2014 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.

1.4

Belanghebbende heeft op 3 februari 2015 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.

1.5

De Inspecteur heeft op 2 november 2015 een verweerschrift ingediend.

1.6

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2016 te Philipsburg. Namens belanghebbende zijn verschenen [ A ] en [ B ]. Namens de Inspecteur is verschenen [C]. De zaken met de nummers SXM201501128 (LB 2008), SXM201501130 (AOV 2008), SXM201501131 (WB 2009), SXM201501132 (WB 2011), SXM2015001137 (BBO jul 2012) en SXM201501145 tot en met SXM201501148 (BBO aug t/m nov 2012) zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft een pleitnota met bijlagen overgelegd. De mondelinge behandeling is aangehouden.

1.7

De mondelinge behandeling is hervat op 15 september 2016. Namens belanghebbende zijn verschenen [ A ] en [ B ]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [ C ] en [ D ]. Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd. Wederom zijn de onder 1.6 genoemde zaken gezamenlijk behandeld.

1.8

Na de zitting heeft belanghebbende overeenkomstig het verzoek van het Gerecht een nader stuk overgelegd. De Inspecteur heeft hierop gereageerd. Een afschrift van de overgelegde stukken is telkens naar de wederpartij gestuurd.

1.9

Het Gerecht heeft bij tussenuitspraak van 29 maart 2018 belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het bedrag van de naheffingsaanslagen.

1.10

Bij brief van 6 juni 2018 heeft belanghebbende aan het Gerecht haar reactie gestuurd. Deze is doorgestuurd aan de Inspecteur.

1.11

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2018 te Philipsburg, Sint Maarten. Namens belanghebbende is verschenen [ S ]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [ D ] en [ E ]. Wederom zijn de onder 1.6 genoemde zaken gezamenlijk behandeld. Beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Het Gerecht heeft het onderzoek gesloten.

2 TUSSENUITSPRAAK

2.1

In de tussenuitspraak van 29 maart 2018, ECLI:NL:OGEAM:2018:13, heeft het Gerecht geoordeeld dat het beroep ontvankelijk is, dat het bezwaar ontvankelijk is, dat het jacht wordt geëxploiteerd door belanghebbende, dat belanghebbende fiscaal niet transparant is, dat de werkelijke leiding van belanghebbende berust bij [ Q ], inwoner van Sint Maarten, en dat belanghebbende derhalve binnenlands belastingplichtig is voor de winstbelasting. Verder heeft het Gerecht geoordeeld dat de verzuimboetes niet in stand kunnen blijven.

2.2

In de tussenuitspraak heeft het Gerecht belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het bedrag van de naheffingsaanslagen.

2.3

Bij brief van 6 juni 2018 heeft belanghebbende aan het Gerecht haar reactie gestuurd. Belanghebbende merkt op dat bij het vaststellen van de winst voor de jaren 2009 en 2011 rekening moet worden gehouden met de volgende verliezen die uit de jaarstukken zouden volgen:

2008 USD 772.844

2009 USD 862.671

2010 USD 632.350

Belanghebbende heeft van deze jaarstukken de verlies en winstrekening bijgevoegd. In de koptekst van deze stukken is opgemerkt ‘compiled without audit or review’.

2.4

Het Gerecht zal slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. Van een uitzonderlijk geval is in dit geval niet gebleken, zodat de in de tussenuitspraak gegeven oordelen – waaronder het oordeel dat de verzuimboetes niet in stand kunnen blijven – als eindbeslissingen kunnen worden opgevat.

3 OVERWEGINGEN

Omkering en verzwaring bewijslast

3.1

Sedert de inwerkingtreding van de Landsverordening invoering hoger beroep in belastingzaken op 30 april 2016 – waarbij onder meer artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is komen te vervallen en geen overgangsmaatregel is getroffen – voorziet de LBB niet langer expliciet in de mogelijkheid van omkering en verzwaring van de bewijslast in de beroepsfase.

3.2

Wel is in artikel 30, lid 6, Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) nog immer de omkering en de verzwaring van de bewijslast geregeld voor de bezwaarfase. Daarin is bepaald dat de belastingaanslag wordt gehandhaafd indien ten onrechte geen aangifte is gedaan, de vereiste aangifte niet is gedaan, of niet volledig is voldaan aan verplichtingen van artikel 40, 41, 42 en 43 ALL, waaronder de administratie- en bewaarplicht. Dit is slechts anders als de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre deze belastingaanslag onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast).

3.3

In een beroepsprocedure bij de belastingrechter ligt de uitspraak op bezwaar van de inspecteur ter toetsing voor. In dat verband zal de rechter ook moeten beoordelen of de inspecteur terecht de dwingende regeling van de omkering en verzwaring van de bewijslast van artikel 30, lid 6, ALL al dan niet heeft toegepast. Als vaststaat dat de belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan, of in gebreke is gebleven om aan zijn fiscale verplichtingen als bedoeld in artikel 40, 41, 42 en 43 ALL te voldoen, dan moet de inspecteur in beginsel de omkering toepassen.

3.4

In het onderhavige geval heeft de Inspecteur zich in de uitspraken op bezwaar niet uitgelaten over de omkering en verzwaring van de bewijslast, aangezien hij de bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege termijnoverschrijding. In de tussenuitspraak heeft het Gerecht overwogen dat de Inspecteur de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Als gevolg daarvan zijn de onderhavige naheffingsaanslagen ter inhoudelijke toetsing komen voor te liggen. In dat verband heeft de Inspecteur tijdens het boekenonderzoek belanghebbende gewezen op de omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege schending van de administratie- en bewaarplicht. In de beroepsfase heeft de Inspecteur eveneens het standpunt ingenomen dat als de bezwaren ontvankelijk worden verklaard, bij de beoordeling van de naheffingsaanslagen de regeling van de omkering en verzwaring van de bewijslast toepassing moet vinden. In het vorenstaande vindt het Gerecht aanleiding te toetsen of er omstandigheden zijn die moeten leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

3.5

Belanghebbende heeft zowel voor het jaar 2009 als voor het jaar 2011 geen aangifte winstbelasting gedaan. In de tussenuitspraak heeft het Gerecht overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat aangiftebiljetten zijn uitgereikt. Nu geen aangiftebiljetten zijn uitgereikt, kan geen sprake zijn van het ten onrechte niet doen van aangifte, en dus ook niet van een omkering van de bewijslast op die grond (vgl. HR 24 juni 2016, nr. 15/02345 ECLI:NL:HR:2016:1268).

Administratieplicht

3.6

Ingevolge artikel 43, lid 1, aanhef en letter c, ALL zijn alle lichamen administratieplichtig. Onder lichamen worden op grond van artikel 2, lid 1, aanhef en letter c, ALL verstaan verenigingen en andere rechtspersonen, vennootschappen, trusts en doelvermogens.

3.7

In de tussenuitspraak heeft het Gerecht overwogen dat belanghebbende als een rechtspersoon kan worden aangemerkt (zie r.o. 4.3.1). Belanghebbende is derhalve een administratieplichtig lichaam in de zin van artikel 43 ALL.

3.8

In artikel 43, lid 2, ALL is, voor zover hier van belang, bepaald dat administratieplichtigen gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

3.9

In artikel 43, lid 6, ALL is bepaald dat administratieplichtigen verplicht zijn hun administratie en de daartoe behorende gegevensdragers gedurende tien jaar te bewaren.

3.10

Wat betreft de administratieplicht van artikel 43, lid 2, ALL heeft als uitgangspunt te gelden dat de eisen aan de administratie niet verder mogen reiken dan voor een goede uitvoering van de belastingheffing noodzakelijk is. Belanghebbende is belastingplichtig voor onder meer de winstbelasting, zodat op grond van artikel 43 ALL van belanghebbende geëist kan worden dat haar administratie inzicht verschaft in de bepaling van de fiscale winst.

3.11

Namens de Inspecteur is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de jaren 2006 tot en met 2008. De bevindingen zijn neergelegd in een concept-rapport. Belanghebbende heeft in een brief van 16 april 2010 als volgt daarop gereageerd:

Administratieplicht, bewaarplicht en factuurplicht

In uw rapport merkt u op dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 43, lid 2, ALL, de bewaarplicht van artikel 43, lid 6, ALL alsmede factuurplicht van artikel 44 ALL. In verband met vorenstaande concludeert u tot omkering van de bewijslast op grond van artikel 30, lid 6, ALL.

Gezien het feit dat wij in het voorgaande hebben aangegeven dat onze cliënt van mening is dat zij niet belastingplichtig is op Sint Maarten heeft zij haar inziens geen administratieplicht, bewaarplicht en factuurplicht in Sint Maarten.”

3.12

In het definitieve rapport van 4 mei 2011 is over de administratie het volgende opgemerkt:

2.1 Administrateur belastingplichtige

De jaarrekening over het jaar 2008 werd intern samengesteld door de heer [ Q ]. Op deze jaarrekening werd geen accountantscontrole toegepast.

2.2.

Financiële administratie

Volgens dhr. [ Q ] wordt de financiële administratie niet op het eiland bijgehouden. De jaarrekening 2008 wordt in excel verwerkt door de heer [ Q ].

2.3

Salarisadministratie

De salarisadministratie is niet aangeleverd en wordt niet verwerkt en bijgehouden. De aangiften LB worden ook niet verzorgd.

2.4

Administratieplicht

Op basis van artikel 43, lid 2 ALL zijn administratieplichtigen onder andere gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen evenals de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens, hieruit duidelijk blijken.

Tijdens het onderzoek is gebleken dat op de volgende onderdelen niet is voldaan aan de hiervoor omschreven verplichting:

(…)

  • -

    Er is geen kasboek opgesteld;

  • -

    Er wordt geen kascontrole toegepast;

  • -

    Er zijn geen saldilijsten debiteuren en crediteuren opgesteld;

  • -

    Er wordt geen voorraadadministratie gevoerd;

  • -

    De uitgeschreven doorlopend genummerde facturen en de ontvangen inkoop-/ kostenfacturen zijn niet gepresenteerd.

Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de administratieplicht ingevolge artikel 43, lid 2 ALL. In dit verband heb ik belastingplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zgn. omkering bewijslast.

2.5

Bewaarplicht

(…)

Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de volgende delen van de administratie niet zijn bewaard:

  1. De loonbelastingverklaringen over de jaren 2006 tot en met 2008;

  2. De loonstaten over de jaren 2006 tot en met 2008;

  3. De VZL staten over de jaren 2006 tot en met 2008;

  4. Het grootboek over de jaren 2006 tot en met 2008;

  5. De jaarrekeningen over de jaren 2006 tot en met 2008;

  6. De uitgeschreven doorlopend genummerde facturen;

  7. De ontvangen inkoop-/kostenfacturen;

  8. Bankboeken;

  9. Net-/kladkasboek;

  10. Debiteuren- en/of crediteurenadministratie;

  11. Voorraadadministratie;

  12. Agenda’s.

Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de bewaarplicht ingevolge artikel 43, leden 2 en 6 ALL. In dit verband heb ik belastingplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL de zgn. omkering bewijslast.

2.7

Oordeel administratie

Naast de in de onderdelen “Administratieplicht” en “Bewaarplicht” genoemde gebreken heb ik geconstateerd dat de administratie in de gecontroleerde periode dusdanige ernstige tekortkomingen vertoont dat deze verworpen dient te worden. (…)

Ondanks de genoemde gebreken wordt de administratie toch als grondslag voor de berekening van de bedrijfsomzetten, loonbelasting en premies geaccepteerd. (…)”

3.13

Belanghebbende heeft op de zitting van 4 oktober 2018 desgevraagd verklaard dat ook in de jaren nadien, zoals 2011 en 2012, de administratie op dezelfde wijze is gevoerd als de tijdens het boekenonderzoek gecontroleerde jaren 2006 tot en met 2008. Ook in die latere jaren verkeerde zij immers in de veronderstelling dat zij niet belastingplichtig, en daarmee niet administratieplichtig, was in Sint Maarten, aldus belanghebbende. Gelet op deze verklaring kunnen naar het oordeel van het Gerecht de resultaten van het boekenonderzoek over de jaren 2006 tot en met 2008 worden doorgetrokken naar de onderhavige jaren 2009 en 2011. Het Gerecht gaat daarom ervan uit dat ook in 2009 en 2011 niet is voldaan aan de administratie- en bewaarplicht van artikel 43 ALL, ten gevolge waarvan de omkering en verzwaring van de bewijslast toepassing vindt.

Redelijke schatting

3.14

De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correctie niet naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft de geschatte winst gebaseerd op de door leidinggevende [ Q ] destijds verstrekte excel-sheets (zie 3.9), alsmede op branchecijfers. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat deze correctie onredelijk of willekeurig is vastgesteld.

Verzwaard tegenbewijs

3.15

Indien en voor zover een belanghebbende de juistheid van de voor de schatting gebruikte gegevens of de juistheid van de schatting van de Inspecteur anderszins betwist, dient hij daarvoor overtuigend tegenbewijs te leveren (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184). Belanghebbende heeft in dat verband gewezen op de op 6 juni 2018 ingebrachte jaarstukken van belanghebbende over 2008, 2009 en 2010 waaruit zou blijken dat in die jaren verliezen zijn geleden. De schatting voor de aanslag winstbelasting 2009 is volgens belanghebbende onjuist, nu in dat jaar een verlies zou zijn geleden. Verder is volgens belanghebbende de aanslag winstbelasting 2011 onjuist, nu daarbij geen rekening is gehouden met de te verrekenen verliezen uit de voorgaande jaren. Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende met deze jaarstukken niet op overtuigende wijze de onjuistheid aangetoond van de schatting van de Inspecteur of de voor de schatting gebruikte gegevens. Redengevend daarvoor is dat de jaarrekeningen zijn samengesteld ‘without audit or review’, dat de jaarrekeningen eerst medio 2018 zijn ingebracht hetgeen acht tot tien jaar na de desbetreffende jaren (2008 t/m 2010) betreft, en dat de daarin gepresenteerde cijfers niet overeenstemmen met de destijds door leidinggevende [ Q ] aangeleverde cijfers. Deze jaarrekeningen zijn derhalve niet dermate overtuigend dat daarmee elke redelijke twijfel is uitgesloten dat de schatting onjuist is.

Slotsom

3.16

Gelet op het vorenstaande handhaaft het Gerecht de naheffingsaanslagen en vernietigt de verzuimboetes. Wel heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, zodat het beroep ook in zoverre gegrond is. Ter voorlichting van belanghebbende merkt het Gerecht op dat de uitspraken van de Inspecteur inzake de naheffingsaanslagen om procedurele redenen worden vernietigd, maar dat belanghebbende inhoudelijk geen gelijk krijgt.

4 PROCESKOSTEN

4.1

Het Gerecht ziet aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers SXM201501128 (LB 2008), SXM201501130 (AOV 2008), SXM201501131 (WB 2009), SXM201501132 (WB 2011) en SXM2015001137 (BBO jul 2012) samenhangen.

4.2

In artikel 15, lid 2, Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 (hierna: LBB) is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd.

4.3

Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 2.625 (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor verschijnen ter zitting van 2 juni 2016, 0,5 punt voor verschijnen ter nadere zitting van 15 september 2016, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1, samenhangende zaken factor 1,5). In dat verband merkt het Gerecht op dat de gegrondverklaring ziet op het bezwaar dat ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en op de ten onrechte opgelegde verzuimboetes. Deze beslissingen zijn reeds neergelegd in de tussenuitspraak van 29 maart 2018, zodat geen aanleiding bestaat om voor de nadien verrichte proceshandelingen een vergoeding toe te kennen.

5 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- verklaart het bezwaar tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2009 ongegrond;

- verklaart het bezwaar tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2011 ongegrond;

- vernietigt de verzuimboete 2009;

- vernietigt de verzuimboete 2011; en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Afl. 2.625.

Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter in dit gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2018, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Frontstreet 58 (The Courthouse)

Philipsburg

Sint Maarten

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van NAf 300 verschuldigd. In het beroepschrift kan aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.