Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:111

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
056/17 en 061/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 375 WvSr van Sint Maarten (oud): het als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft verduisteren [i.e. onttrekken aan zijn bestemming] (het artikel komt overeen met artikel 359 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht). Is er sprake van overtreding van dit artikel als een ambtenaar geld dat is gebudgetteerd voor een specifiek doel voor een ander publiek doel wordt gebruikt? De rechter oordeelt dat zolang publiek geld wordt besteed aan andere publieke doeleinden er geen sprake is van onttrekking aan de publieke bestemming als bedoeld in dit artikel. De hoofdverdachte was directeur van het Sint Maarten Toerisme Bureau en is ambtenaar. Zij wordt vrijgesproken voor zover het verwijt luidt dat zij gelden voor het Sint Maarten Toerisme Bureau in New York heeft besteed aan promotionele activiteiten buiten de Verenigde Staten. Zij wordt echter veroordeeld voor zover zij deze gelden heeft besteed aan een door haarzelf opgericht bedrijf genaamd DMC. Haar wordt verweten met behulp van medeverdachten DMC te hebben opgericht dat tot doel heeft in opdracht van en betaald door het Sint Maarten Toerisme Bureau het toerisme naar dit eiland te bevorderen. De hoofdverdachte ontkent elke betrokkenheid bij DMC. De rechter oordeelt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat zij alle aandelen aan toonder houdt van een Anguilliaanse vennootschap. Deze vennootschap houdt de meerderheid van de aandelen in DMC. Aantoonbaar is ook dat de hoofdverdachte zich intensief bemoeit met DMC en deelneemt aan de aandeelhoudersvergaderingen. Voorts blijken er grote bedragen door DMC aan de hoofdverdachte te worden uitbetaald. Het Gerecht overweegt dat verdachte via DMC stiekem, op onzakelijke en intransparante wijze, zaken deed met zichzelf en daaraan verdiende. Het Gerecht is van oordeel dat in zoverre sprake is van onttrekking van gelden aan hun publieke bestemming en acht de hoofdverdachte deswege schuldig aan onder meer verduistering in haar bediening. De medeverdachten worden onder meer veroordeeld voor het medeplegen van dit ambtsdelict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 100.00034/17 en 100.00416/16

056/17 en 061/17

Uitspraak: 28 november 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

East Caribbean Destination Management Company N.V.,

East Caribbean DMC,

gevestigd te Sint Maarten, Buncamper Road 4 Plaza Building 13.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 en 8 november 2018. De verdachte is telkens verschenen, vertegenwoordigd door haar directeuren [verdachten 2 en 3], bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. S.R. Bommel, advocaat in Sint Maarten.

De officier van justitie, mr. R.C.P. Rammeloo, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een geldboete van NAf 100.000.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte zijn de feiten ten laste gelegd die zijn vermeld op de dagvaarding. Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie, behoudens na te melden verjaarde feiten, ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Verjaring

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een deel van de ten laste gelegde delicten is verjaard en dat het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De officier van justitie heeft dit standpunt beaamd.

Het Gerecht is met de verdediging van oordeel dat de feiten voor zover gebaseerd op artikel 334 (verduistering) en de fiscale delicten voor zover die als overtreding ten laste zijn gelegd, zijn verjaard. Ingevolge artikel 72 Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (SrNA) verjaart het recht tot strafvordering 1° in twee jaren voor overtredingen en 2° in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Het openbaar ministerie zal in zoverre niet-ontvankelijk in de vervolging worden verklaard.

Overschrijding redelijke termijn

De verdediging heeft een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de strafzaak had behoren te worden afgehandeld. Zij acht de overschrijding zodanig ernstig dat zij vindt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Ook het openbaar ministerie heeft de overschrijding erkend, doch wijst er op dat de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring.

Het Gerecht overweegt als volgt. De verplichting om binnen een redelijke termijn recht te spreken is onder meer gegrond op het ook te Sint Maarten geldende artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De termijn vangt aan vanaf het moment dat zijdens de overheid een daad van vervolging jegens verdachte is verricht, zodanig dat verdachte moest begrijpen dat er strafvervolging tegen hem zou volgen. In het algemeen geldt dat de strafzaak vanaf dat moment binnen twee jaar dient te worden afgerond.

In dit geval merkt het Gerecht als eerste daad van vervolging aan de huiszoekingen die hebben plaatsgevonden op 13 oktober 2015. Sedertdien zijn ruim drie jaren verstreken. Er is derhalve sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het Gerecht zal daarmee in de straftoemeting rekening houden, nu een overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. In deze zaak zijn geen zodanig bijzondere omstandigheden gebleken die tot een uitzondering op dit uitgangspunt zouden moeten leiden.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 3

Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 mei 2009 tot en met 15 januari 2011, in/op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten, in elk geval binnen de Nederlandse Antillen, en/of in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) terwijl zij, verdachte, (de rechtspersoon East Caribbean Destination Management Company N.V. (East Caribbean DMC)) ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen, verplicht is/was tot het binnen een gestelde termijn (als bedoeld in artikel 8 van de Algemene landsverordening landsbelastingen) doen van (een) aangifte(n) Loonbelasting en Premies AOV/AWW en AVBZ en/of aangiften voor de Belasting op Bedrijfsomzetten (telkens) opzettelijk, althans niet opzettelijk, de aangifte(n) Loonbelasting en Premies AOV/AWW en AVBZ en/of de aangiften voor de Belasting op Bedrijfsomzetten over het/de maand(en) januari 2009 en/of februari 2009 en/of maart 2009 en/of april 2009 en/of mei 2009 en/of juni 2009 en/of juli 2009 en/of augustus 2009 en/of oktober 2009 en/of november 2009 en/of december 2009 en/of januari 2010 en/of februari 2010 en/of maart 2010 en/of april 2010 en/of mei 2010 en/of juni 2010 en/of juli 2010 en/of augustus 2010 en/of september 2010 en/of oktober 2010 en/of november 2010 en/of december 2010 niet, in elk geval niet binnen de gestelde termijn, immers nog niet op 19 juni 2016, heeft gedaan, terwijl daaraan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn, dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor het/een (van de) eilandgebied(en) (Sint Maarten) en/ of (het land) Sint Maarten kon ontstaan;

Feit 4

Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2011, en/althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2011, in/op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten, in elk geval binnen de Nederlandse Antillen, en/of in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) terwijl zij, verdachte, (de rechtspersoon East Caribbean Destination Management Company N.V. (East Caribbean DMC)) ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen, verplicht is/was tot het binnen een gestelde termijn (als bedoeld in artike115 van de Algemene landsverordening landsbelastingen) doen van (een) (voorlopige en/of (een) definitieve) aangifte(n) Winstbelasting (over het/de jaar/jaren 2009 en/of 2010), (telkens) opzettelijk, althans niet opzettelijk, de (voorlopige en/of de definitieve) aangifte(n) Winstbelasting over het/de jaar/jaren 2009 en/of 2010 met, in elk geval met binnen de gestelde termijn, immers nog niet op 19 juni 2016, heeft gedaan, terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn, dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor het/ een (van de) eilandgebied(en) (Sint Maarten) en/of (het land) Sint Maarten kon ontstaan;

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1

Bewijsoverwegingen

Feit 1.

Aan verdachte is onder 1. ten laste gelegd het witwassen van uit misdrijf verkregen gelden. De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak, omdat er geen sprake is van uit misdrijf afkomstige gelden. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring.

Het Gerecht merkt op dat verdachte (verder: DMC) werd opgericht door haar aandeelhouder [verdachte 1]. Door als directeur zaken te doen met haar eigen bedrijf heeft [verdachte 1] artikel 375 SrNA overtreden, dat onderdeel is van TITEL XXVIII (Ambtsmisdrijven). Dit artikel maakt derhalve geen deel uit van de elders in het wetboek opgenomen vermogensmisdrijven. De nadruk ligt hierbij op het handelen in strijd met ambtsverplichtingen. Het voor vermogensdelicten kenmerkende ‘oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening’ vormt geen onderdeel van de delictsomschrijving. Het bestanddeel ‘verduistering’ zoals in de delictsomschrijving van artikel 375 is opgenomen, is dus niet synoniem aan de term zoals die wordt gebruikt in artikel 334. Al kan overtreding van artikel 375 wederrechtelijke toe-eigening mede omvatten, noodzakelijk is dit niet. Daardoor kan niet zonder meer worden geoordeeld dat de gelden die SMTB aan DMC betaalde, ‘uit misdrijf’ afkomstig waren. Medeverdachte [verdachte 1] heeft immers vooral haar ambtsplicht geschonden door DMC op te richten en via dat bedrijf zaken met zichzelf te doen. De aan DMC betaalde gelden waren bovendien gebaseerd op opdrachten waarvoor werd gedeclareerd en waarvoor ook werkzaamheden werden uitgevoerd. Dat de verhoudingen onzakelijk waren, is inherent aan de schending van de ambtsplicht, maar duidt daarmee nog niet vanzelf erop dat het daarmee verdiende geld uit misdrijf afkomstig was. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn ten aanzien van de ‘dubbele betalingen’ maar over de vraag hoe dat heeft kunnen gebeuren, blijkt feitelijk vrijwel niets uit de bewijsmiddelen. Bijkomende feiten en omstandigheden die dit anders maakt, zijn niet gesteld of gebleken. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 2

Aan verdachte is onder 2. ten laste gelegd deelname aan een criminele organisatie die tot doel had opzettelijke overtreding van artikel 375 SrNA, verduistering, het niet of onjuist doen van belastingaangiften, het plegen van valsheid in geschrift, witwassen en oplichting, alles gerelateerd aan het hiervoor ter zake van overtreding van artikel 375 SrNA beschreven feitencomplex.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van dit feit. De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak.

Het Gerecht acht deelname aan een criminele organisatie niet bewezen. Zoals overwogen bij de bespreking van feit 1, acht het Gerecht niet alle betalingen vanaf de rekening bij Chase die geen betrekking hebben op activiteiten in de Verenigde Staten strafbaar in de zin van artikel 375 SrNA. Tevens is gebleken dat DMC wel werkzaamheden ter bevordering van het toerisme uitvoerde. Daarmee is ook verduistering, dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening veronderstelt, al dan niet in dienstbetrekking, niet bewezen. Voor de bewezenverklaring van overtreding van artikel 375 SrNA is het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening geen bestanddeel. Dat DMC alleen maar schijn was, of als zodanig als oplichting aangemerkt kan worden, is derhalve evenmin gebleken. Van witwassen wordt verdachte vrijgesproken. De valsheid in geschrifte ten aanzien van de werkgeversverklaring ten aanzien van medeverdachte [verdachte 1] acht het Gerecht niet bewezen. Dat verdachten van meet af aan of gaandeweg met elkaar het plan hadden opgevat systematisch en in georganiseerd verband geen (volledige) aangiften bij de belastingdienst te doen, blijkt evenmin uit de bewijsmiddelen. Afspraken ter zake, blijken niet uit de bewijsmiddelen. Zij hebben voorts de heer Dosoe in de arm genomen om de aangiften te doen. Dat deze dat uiteindelijk niet heeft gedaan, kan ook door versloffing zijdens verdachten zijn gekomen. Het Gerecht acht, kortom, de bewijsmiddelen onvoldoende aanleiding geven om de conclusie te trekken dat er tussen verdachten een zodanig eenduidige samenspanning is geweest dat deelname aan een criminele organisatie wettig en overtuigend bewezen is te achten. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Feiten 3 en 4

De onder 3 en 4 ten laste gelegde opzettelijk begane fiscale delicten acht het Gerecht bewezen. Namens verdachte is aangevoerd dat de heer Dosoe als accountant was aangetrokken om de fiscale aangiften te doen, zodat zij en de medeverdachten vrijuit gaan. De heer Dosoe heeft het erbij laten zitten. Het Gerecht verwerpt dit verweer. Vast staat dat de heer Dosoe in de arm is genomen en dat deze opdracht heeft gekregen de aangifte winstbelasting te verzorgen, maar dit is er niet van gekomen, volgens de heer Dosoe omdat verdachte en DMC hem niet betaalden. Dit laatste werd door verdachte ter zitting ontkend. In het dossier bevindt zich evenwel een brief van de heer Dosoe waarin deze aan medeverdachte [verdachte 2] schrijft: “we are now in an advanced stage for closing the accounting period of 2009 for DMC. The deadline for filing the Profit Tax is 30 June2010. We did not receive additional documents (receipts, invoices etc.) despite our telephone conversations with you, where we requested these documents. We would like to urge you once more to bring in any document that you may still have for DMC pertaining to the account year 2009.” Hij stuurt hen op de onbetaald gebleven facturen van november en december 2009 en januari, februari en maart 2010.2 Hieruit blijkt dat verdachten de heer Dosoe niet de documenten hadden gegeven om de aangifte winstbelasting te doen en hem ook niet hadden betaald. Verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] hebben zich – als directeuren van DMC niet vergewist of /dat de aangiften werden gedaan. Dit levert – al dan niet in voorwaardelijke zin - opzet op de overtreding van de fiscale aangifteverplichtingen.

Bewezen is dat DMC in de jaren 2009 tot en met 2011, met uitzondering van september 2009, geen aangiften van belastingen heeft ingediend, noch voor de BBO, de loonbelasting, premies volksverzekeringen en winstbelasting.3 Dat er fiscaal nadeel is geleden voor genoemde belastingen blijkt uit de berekening van de fiscus.4

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 3 en 4 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Feit 3
Medeplegen van het opzettelijk een bij de Algemene Landsverordening Landsbelastingen voorziene aangifte niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl het gevolg van de handeling zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 4
Medeplegen van het opzettelijk een bij de Algemene Landsverordening Landsbelastingen voorziene aangifte niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl het gevolg van de handeling zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Als rechtspersoon bestaat verdachte nog immer, al is zij volgens de verdediging niet meer actief.

Gelet op de deelvrijspraak zal het Gerecht een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist. Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het Gerecht een boete hebben opgelegd van NAf. 75.000,--. Thans wordt volstaan met na te melden boete.

De verdediging heeft, verwijzend naar artikel 28, tweede lid, SrNA, aangevoerd dat de boete maximaal NAf. 15.000,-- zou kunnen bedragen. Op artikel 375 is immers geen geldboete gesteld, zodat hoogstens teruggevallen kan worden op dat artikel. Het Gerecht verwerpt dit verweer. Op opzettelijke overtreding van artikel 49 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen staat een geldboete van honderdduizend gulden of, indien de te weinig geheven belasting hoger is dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven belasting. Er is in dit geval sprake van samenloop van (medegepleegde) strafbare feiten, zodat ingevolge artikel 1:136 onderdeel c, SrStM maximaal aan geldboeten opgelegd kan worden het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld. Het totale fiscale nadeel dat verdachte en haar medeverdachten hebben veroorzaakt, bedraagt NAf. 463.880,--5. De onderstaand op te leggen boete blijft ruimschoots onder dit – ook onder SrNA geldende6- benadelingsbedrag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 27 en 28 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (SrNA (oud)), 1:224 SrStM en artikel 49 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart de officier van justitie vanwege verjaring niet ontvankelijk voor zover de tenlastelegging is gebaseerd op de fiscale delicten voor zover die als overtreding ten laste zijn gelegd;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van NAf 50.000,-- (vijftigduizendgulden);

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.A.H. Lemaire, bijgestaan door A.R. Osepa-Ritfeld, (zittingsgriffier), en op 28 november 2018 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Sint Maarten.

uitspraakgriffier:

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Sint Maarten, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Colade”, alles zakelijk weergegeven.

2 Brief van 4 juni 2010, bijlage D-037bij het Belastingdossier, Algemeen proces-verbaal.

3 Algemeen proces-verbaal van de Belastingdienst Sint Maarten, Sectie Inlichtingen & Opsporing, opgemaakt door de buitengewoon agent van politie L.M.A. Sendar, op ambtseed, op 24 juni 2016, p. 5, het daarachter gevoegde ambtsedige proces-verbaal d.d. 15 juni 2016, met bijlagen D-38 01 tot en met 05.

4 Proces-verbaal van aanvang onderzoek fiscaal strafbare feiten, d.d. 22 maart 2016, opgemaakt door Sendar voornoemd, de tabel onderaan p. 7 en bijlage D-026. Het totale fiscale nadeel dat verdachte en haar medeverdachten hebben veroorzaakt, bedraagt NAf. 463.880,--.

5 Zie voetnoot 4.

6 Zie ook artikel 59, jo. 96 SrNA (oud).