Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:110

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
050/17 en 051/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 375 WvSr van Sint Maarten (oud): het als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft verduisteren [i.e. onttrekken aan zijn bestemming] (het artikel komt overeen met artikel 359 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht). Is er sprake van overtreding van dit artikel als een ambtenaar geld dat is gebudgetteerd voor een specifiek doel voor een ander publiek doel wordt gebruikt? De rechter oordeelt dat zolang publiek geld wordt besteed aan andere publieke doeleinden er geen sprake is van onttrekking aan de publieke bestemming als bedoeld in dit artikel. De hoofdverdachte was directeur van het Sint Maarten Toerisme Bureau en is ambtenaar. Zij wordt vrijgesproken voor zover het verwijt luidt dat zij gelden voor het Sint Maarten Toerisme Bureau in New York heeft besteed aan promotionele activiteiten buiten de Verenigde Staten. Zij wordt echter veroordeeld voor zover zij deze gelden heeft besteed aan een door haarzelf opgericht bedrijf genaamd DMC. Haar wordt verweten met behulp van medeverdachten DMC te hebben opgericht dat tot doel heeft in opdracht van en betaald door het Sint Maarten Toerisme Bureau het toerisme naar dit eiland te bevorderen. De hoofdverdachte ontkent elke betrokkenheid bij DMC. De rechter oordeelt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat zij alle aandelen aan toonder houdt van een Anguilliaanse vennootschap. Deze vennootschap houdt de meerderheid van de aandelen in DMC. Aantoonbaar is ook dat de hoofdverdachte zich intensief bemoeit met DMC en deelneemt aan de aandeelhoudersvergaderingen. Voorts blijken er grote bedragen door DMC aan de hoofdverdachte te worden uitbetaald. Het Gerecht overweegt dat verdachte via DMC stiekem, op onzakelijke en intransparante wijze, zaken deed met zichzelf en daaraan verdiende. Het Gerecht is van oordeel dat in zoverre sprake is van onttrekking van gelden aan hun publieke bestemming en acht de hoofdverdachte deswege schuldig aan onder meer verduistering in haar bediening. De medeverdachten worden onder meer veroordeeld voor het medeplegen van dit ambtsdelict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 100.00221/16 en 100.00415/16

050/17 en 051/17

Uitspraak: 28 november 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE 2],

geboren op […] in Sint Maarten,

wonende in Sint Maarten, […].

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 en 8 november 2018. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. S.R. Bommel, advocaat in Sint Maarten.

De officier van justitie, mr. R.C.P. Rammeloo, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, en 5 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een geldboete van NAf 80.000 en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest naar rato van 2 uren per dag.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte zijn de feiten ten laste gelegd die zijn vermeld op de dagvaarding. Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie, behoudens na te melden verjaarde feiten, ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Verjaring

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een deel van de ten laste gelegde delicten is verjaard en dat het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De officier van justitie heeft dit standpunt beaamd.

Het Gerecht is met de verdediging van oordeel dat de feiten voor zover gebaseerd op artikel 334 (verduistering) en de fiscale delicten voor zover die als overtreding ten laste zijn gelegd, zijn verjaard. Ingevolge artikel 72 Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (SrNA) verjaart het recht tot strafvordering 1° in twee jaren voor overtredingen en 2° in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Het openbaar ministerie zal in zoverre niet-ontvankelijk in de vervolging worden verklaard.

Overschrijding redelijke termijn

De verdediging heeft een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de strafzaak had behoren te worden afgehandeld. Zij acht de overschrijding zodanig ernstig dat zij vindt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Ook het openbaar ministerie heeft de overschrijding erkend, doch wijst er op dat de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring.

Het Gerecht overweegt als volgt. De verplichting om binnen een redelijke termijn recht te spreken is onder meer gegrond op het ook te Sint Maarten geldende artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De termijn vangt aan vanaf het moment dat zijdens de overheid een daad van vervolging jegens verdachte is verricht, zodanig dat verdachte moest begrijpen dat er strafvervolging tegen hem zou volgen. In het algemeen geldt dat de strafzaak vanaf dat moment binnen twee jaar dient te worden afgerond.

In dit geval merkt het Gerecht als eerste daad van vervolging aan de huiszoekingen die hebben plaatsgevonden op 13 oktober 2015. Sedertdien zijn ruim drie jaren verstreken. Er is derhalve sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het Gerecht zal daarmee in de straftoemeting rekening houden, nu een overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. In deze zaak zijn geen zodanig bijzondere omstandigheden gebleken die tot een uitzondering op dit uitgangspunt zouden moeten leiden.

De tolk Engels

De verdediging heeft geklaagd dat er geen tolk Engels aanwezig is geweest en dat verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

Het Gerecht merkt daarover op dat de tolk zich in de ochtend van de eerste zittingsdag inderdaad ziek heeft gemeld. Gelet op de kleine schaalgrootte van Sint Maarten was geen andere tolk beschikbaar. De rechter heeft de verdediging en de officier van justitie voorgesteld dat de behandeling van de feiten en persoonlijke omstandigheden door de rechter in het Engels zou geschieden, hetgeen ook is gebeurd, en dat verdachten en de verdediging zouden aangeven indien er iets niet duidelijk was. Daarmee hebben de verdediging en het openbaar ministerie ingestemd. Er is geen aanhoudingsverzoek gedaan. Het requisitoir en de pleidooien zijn door de officier van justitie en de raadslieden in het Nederlands gehouden. De volgende dag, toen de officier en verdediging in tweede termijn het woord kregen, was wel een tolk Engels aanwezig, die achter de verdachten heeft plaatsgenomen om hen bij te staan. Daarvan is – behoudens door de rechter – geen gebruik gemaakt. De verdediging heeft geen consequentie verbonden aan het verweer betreffende de tolk. Het Gerecht passeert daarom het verweer dat verdachte in de verdediging geschaad zou zijn door het deels afwezig zijn van een tolk Engels.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1,4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1.
Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 maart 2009 tot en met 11 juni 2010, in/op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten, in elk geval binnen de Nederlandse Antillen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 1], zijnde die [verdachte 1], als ambtenaar of als persoon voortdurend of tijdelijk belast met enige openbare dienst, en/of (een) ander(en), (telkens) opzettelijk (een of meer) geld(bedrag(en)) (totaal US$ 142.200,21, althans US$ 125.310.91, in elk geval een of meer geldbedrag(en)), welk(e) geld(bedrag(en)) (telkens) toebehoorde(n) aan het Sint Maarten Tourist Bureau, in elk geval een overheidsinstelling van het (toenmalig) eilandgebied Sint Maarten, en welk(e) geld(bedrag(en)) die [verdachte 1], en/of die [verdachte 1] haar mededader(s) (telkens) uit hoofde van haar/hun bediening als hoofd en/of als medewerk(st)er(s) van het Sint Maarten Tourist Bureau onder zich had(den), heeft/hebben verduisterd en/of heeft toegelaten dat bedoeld(e) geld(bedrag(en)) door (een) ander(en) werd(en) weggenomen en/of verduisterd door cheques (Chase / JPMorgan Chase Bank t.n.v. ST. Maarten Tourist Office, account 000937502844365, (cheque(s) nr(s) 3864 ($ 7365.00) en/of 3975 ($ 600.00) en/of 3976 ($ 5400.00) en/of 3979 ($ 4365.00) en/of 3998 ($ 3060.00) en/of 4024 ($ 11728.41) en/of 4033 ($ 20485.00) en/of 4083 ($ 900.00) en/of 4101 ($ 4438.50) en/of 4118 ($ 4095.00) en/of 4157 ($ 12182.00) en/of 4155 ($ 13910.00) en/of 4197 ($ 16332.00) en/of 4232 ($ 11150.00) en/of 4260 ($ 9300.00)) te (doen en/of laten) ondertekenen en/of af te geven en/of beschikbaar te stellen waardoor bovengenoemd(e) geld(bedrag(en)) werd(en) overgemaakt aan en/of betaalbaar gesteld aan East Caribbean Destination Management Company N.V. (DMC) voor (verrichte) werkzaamheden welke niet bestemd waren voor de operationele kosten van de New York Tourist Office (NTO) en/of werkzaamheden en/of betalingen welke niet in directe relatie stonden tot de Noord-Amerikaanse markt en aldus bovengenoemd(e) geld(bedrag(en)) heeft/hebben onttrokken aan hun bestemming;

Feit 4 subsidiair
East Caribbean Destination Management Company N.V. (East CaribbeanDMC) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 mei 2009 tot en met 15 januari 2011, in/op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten, in elk geval binnen de Nederlandse Antillen, en/of in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met en/of (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) terwijl East Caribbean Destination Management Company N.V. (East Caribbean DMC) ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen, verplicht is/was tot het binnen een gestelde termijn (als bedoeld in artikel 8 van de Algemene landsverordening landsbelastingen) doen van (een) aangifte(n) Loonbelasting en Premies AOV/AWW en AVBZ en/of aangiften voor de Belasting op Bedrijfsomzetten (telkens) opzettelijk, althans niet opzettelijk, de aangifte(n) Loonbelasting en Premies AOV/AWW en AVBZ en/of de aangiften voor de Belasting op Bedrijfsornzetten over het/de maand(en) januari 2009 en/of februari 2009 en/of maart 2009 en/of april 2009 en/of mei 2009 en/of juni 2009 en/of juli 2009 en/of augustus 2009 en/of oktober 2009 en/of november 2009 en/of december 2009 en/of januari 2010 en/of februari 2010 en/of maart 2010 en/of april 2010 en/of mei 2010 en/of juni 2010 en/of juli 2010 en/of augustus 2010 en/of september 2010 en/of oktober 2010 en/of november 2010 en/of december 2010 niet, in elk geval niet binnen de gestelde termijn, immers nog niet op 19 juni 2016, heeft gedaan, terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn, dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor he t/een (van de) eilandgebied(en) (Sint Maarten) en/of (het land) Sint Maarten kon ontstaan, hebbende zij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

Feit 5 subsidiair
East Caribbean Destination Management Company N.V. (East Caribbean DMC) op een of weer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2011, en/althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2011, in/op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten, in elk geval binnen de Nederlandse Antillen, en/of in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) terwijl East Caribbean Destination Management Company N.V. (East Caribbean DMC) ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen, verplicht is/was tot het binnen een gestelde termijn (als bedoeld in artikel 15 van de Algemene landsverordening landsbelastingen) doen van (een) (voorlopige en/of (een) definitieve) aangifte(n) Winstbelasting (over het/de jaar/jaren 2009 en/of 2010), (telkens) opzettelijk, althans niet opzettelijk, de (voorlopige en/of de definitieve) aangifte(n) Winstbelasting over het/de jaar/jaren 2009 en/of 2010 niet, in elk geval niet binnen de gestelde termijn, immers nog niet op 19 juni 2016, heeft gedaan, terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn, dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor het/een (van de) eilandgebied(en) (Sint Maarten) en/of (het land) Sint Maarten kon ontstaan, hebbende zij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1

Feit 1:

De in de voetnoten 5 tot en met 19 en 22 tot en met 24 genoemde wettige bewijsmiddelen.

Feiten 4 en 5:

De in de voetnoten 14 tot en met 19 en 25 tot en met 28 genoemde wettige bewijsmiddelen.

Bewijsoverwegingen

Feit 1

Feiten 1 betreft de overtreding van artikel 375 SrNA, dat van toepassing was ten tijde van de verweten gedragingen. Het artikel luidt:

Artikel 375: De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon die opzettelijk geld, ongemunt goud of geldwaardig papier, dat hij in zijne bediening onder zich heeft, verduistert of toelaat dat het door een ander weggenomen of verduisterd wordt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Het artikel is verwant aan artikel 359 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht (SrNL):

Artikel 359: De ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, die opzettelijk geld of geldswaardig papier dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduistert of toelaat dat het door een ander weggenomen of verduisterd wordt, of die ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Uit de wetsgeschiedenis van deze bepalingen, hun plaats in de beide wetboeken (namelijk bij de ambtsdelicten en niet bij de vermogensdelicten) en de jurisprudentie2, blijkt dat deze delictsomschrijvingen niet – zoals bij ‘gewone’ verduistering (zoals het subsidiair ten laste gelegde artikel 334 SrNA) het geval is – als bestanddeel kennen het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening’. De Hoge Raad oordeelde dat van verduistering in de zin van art. 359 SrNL sprake is bij onttrekking aan de bestemming van gelden en geldswaardig papier. Voorts beschermt art. 359 SrNL volgens de Hoge Raad het belang van een juiste vervulling van het ambt, ter wille van de integriteit van de openbare dienst, ‘welk belang van een goede taakvervulling gelijkelijk heeft te gelden ten aanzien van de persoon die in persoonlijke dienstbetrekking staat tot zijn werkgever’.3

In deze zaak is de vraag gerezen of er eveneens sprake is van ‘onttrekking aan de bestemming’ van overheidsgelden. Dit zou gebeurd zijn doordat medeverdachte [verdachte 1] als diensthoofd van het Sint Maarten Toerisme Bureau gelden die door de Sint Maartense regering werden gestort op de rekening van Chase Bank ten behoeve van de bevordering van het toerisme vanuit de Verenigde Staten van Amerika naar Sint Maarten, voor andere doeleinden is gebruikt. Uit na te melden bewijsmiddelen blijkt dat er inderdaad gelden van die Chase rekening zijn gebruikt voor promotionele activiteiten op andere plekken dan de Verenigde Staten. Medeverdachte [verdachte 1] geeft dit ook toe en stelt dat dit geoorloofd was en dat ‘iedereen’ binnen het Toerisme Bureau en het Ministerie van Financiën hiervan wist. Er bestonden volgens haar ook geen regels die dit zouden verbieden.

De vraag waarvoor het Gerecht zich gesteld ziet, is hoever het begrip ‘onttrekking aan de bestemming’ dient te reiken. Is er steeds sprake van strafrechtelijke aansprakelijkheid bij elke besteding anders dan voor het doel waarvoor de bevoegde autoriteiten het budget hebben gealloceerd? In dat geval zou er sprake kunnen zijn van strafbaar handelen wanneer, bijvoorbeeld, een ambtenaar geld uit het ‘potje’ reiskosten zou besteden aan bijvoorbeeld bureau-artikelen, zonder dat er een begrotingsregel is dat dit mag of zonder dat de bevoegde autoriteit daarvoor toestemming geeft. Een zodanig ruime uitleg van een strafrechtelijke bepaling acht het Gerecht te ver gaan, nu in het gegeven voorbeeld de gelden bestemd blijven voor de openbare dienst. Een te ruime uitleg zou op gespannen voet komen met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht dat inhoudt dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke bepaling. Het legaliteitsbeginsel dient er mede toe dat voor eenieder voorspelbaar is welk gedrag strafbaar is. In het in voetnoot 3 aangehaalde arrest van de Hoge Raad ging het om een medewerker die contant geld van de overheid mee naar huis nam. In het door de officier van justitie aangehaalde arrest van de Hoge Raad4 ging het om een justitiemedewerker die de koffie die zij moest rondbrengen, aanlengde met water. In beide gevallen ging het dus om onttrekking van overheidsgelden of –middelen aan de dienst en niet om aanwending van overheidsgelden voor de overheidsdienst, doch op een andere wijze dan gebudgetteerd. Om deze reden zal het Gerecht ook in de onderhavige zaak uitgaan van een uitleg van artikel 375 SrNA, inhoudende dat strafbaar is gedrag waardoor overheidsgeld geheel of gedeeltelijk wordt onttrokken aan de publieke bestemming.

Het Gerecht zal verdachte derhalve vrijspreken voor zover de ten laste gelegde gedragingen enkel betrekking hebben op betalingen van de Chase Bank voor toeristische promotie van Sint Maarten buiten de Verenigde Staten.

Het Gerecht acht desalniettemin wettig en overtuigend bewezen dat de onder feit 1 ten laste gelegde betalingen, met inbegrip van de dubbele betalingen, gedaan aan van rekeningen van het Sint Maarten Toerisme Bureau of het New York Tourist Office (NTO) aan het bedrijf East Caribbean Destination Management Company NV (verder: DMC) een overtreding inhouden van artikel 375 SrNA. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Medeverdachte [verdachte 1] heeft verklaard dat zij vanaf 1999 hoofd werd van het Sint Maarten Tourist Bureau (verder: SMTB) tot juli 2011.5 Uit het opsporingsonderzoek is gebleken dat medeverdachte [verdachte 1] uit hoofde van haar functie op grote schaal zaken heeft gedaan met DMC. Van DMC waren directeur verdachte [verdachte 2] en medeverdachte [verdachte 3]. 6 [verdachte 2] had eerder bij het SMTB gewerkt. Met [verdachte 3] was [verdachte 1] bevriend en met hem kreeg zij later een affectieve relatie. Verdachte en [verdachte 3] waren eveneens aandeelhouder in DMC. Verder was aandeelhouder de vennootschap naar Anguilliaans recht Pelham incorporated (verder: Pelham). Hoewel in alle toonaarden door verdachte en medeverdachten ontkend, is in het onderzoek naar het oordeel van het Gerecht uit de gebezigde bewijsmiddelen overtuigend gebleken dat verdachte [verdachte 1] de economisch eigenaresse van Pelham was. Het bedrijf werd opgericht met medewerking van haar zus Christina7, [verdachte 1]’s business card werd gevonden tussen de oprichtingsstukken, evenals een kopie van haar paspoort. 8 Er is een kopie gevonden van een certificaat waaruit blijkt dat verdachte [verdachte 1] houdster was van de meerderheid van de (toonder)aandelen in Pelham en dat hierover niet anders dan met haar toestemming mocht worden beschikt.9Er is een factuur gevonden nr 11675 van Private International Trust Corporation gericht aan ‘Pelham Inc. c/o [verdachte 1] voor ‘taking instructions to obtain from the Registry of Companies a Certificate of Good Standing to execute a Shareholders Resolution and to prepare a job letter.10 En voorts een factuur nr 10336 met dezelfde adressering terzake ‘Professional charges in connection with the formation of the company and matters connected therewith inclusive of Government formation fee and the first year’s registered Office’.11Er is een mail aangetroffen d.d. 23 april 2009 gericht aan verdachte [verdachte 1] van een zekere J. Brice, die schrijft, zakelijk weergegeven: ‘voor de zekerheid, het bedrijf is Pelham Inc. De enige aandelen zijn aan toonder. Technisch gesproken zijn er geen named shareholders. [verdachte 2] heeft een machtiging. Als dit correct is, laat dan weten of er een recente beslissing is om [verdachten 1 en 2] directeuren te maken van het bedrijf. En tot slot, laat even weten waarom je liever een beslissing van de aandeelhouders hebt dan van de directeuren om een bankrekening te openen bij Windward’.12 Er is een werkgeversverklaring gevonden d.d. 19 mei 2009 gericht aan Pelham en verdachte [verdachte 1] waarin J. Brice als authorised signatory ten behoeve van het krijgen van financiering door een bank een dienstverband bevestigt tussen verdachte [verdachte 1] en Pelham, waarin zij Accountmanager was tegen een salaris van US$ 45.000,--.13 Er is een mail d.d. 11 januari 2009, waaruit blijkt dat [verdachte 1] zich intensief met de dagelijkse activiteiten van DMC bezig houdt (een lijst met aandachtspunten van a tot en met i, van dagelijkse omgang met relaties, ze blijkt kennis te nemen van de contacten met het bedrijf CVC waarmee DMC zaken doet en ze vraagt om alle financiële documenten van vorige week). De mail is van verdachte [verdachte 1] aan verdachte en medeverdachte [verdachte 3].14 Uit de verslagen van de aandeelhoudersvergaderingen15 blijkt dat verdachte [verdachte 1] daar aanwezig was en zich intensief bemoeide met de gang van zaken in DMC, onder andere over de financiën van het bedrijf en over nieuwe klanten. Zij gaf daarbij gedetailleerde aanwijzingen aan [verdachte 2] en [verdachte 3]. Tevens komt zij voor in financiële stukken onder de vermelding “RL”, waarbij sprake is van verdeling van winst en inkomen.16 De door DMC ingeschakelde boekhouder Dosoe heeft verklaard dat hij heeft geïnformeerd wie RL was. Vervolgens heeft hij met pen op het document aangetekend: [verdachte 1].17 In de computer van verdachte [verdachte 1] is een concept-overeenkomst aangetroffen tussen DMC en CVC Brasil.18 Noch [verdachte 1], noch [verdachte 2] en [verdachte 3] hebben enige alternatieve verklaring wie die ‘RL’ zou kunnen zijn geweest als het niet [verdachte 1] was. Evenmin hebben zij kunnen of willen aangeven wie anders dan [verdachte 1] de persoon achter Pelham zou kunnen zijn dan wel wie een belang erbij zou kunnen hebben verdachte een loer te draaien door ten onrechte haar naam te gebruiken. Indien daarbij wordt opgeteld dat ook alle verdachten hebben toegegeven dat er geld uit DMC rechtstreeks is betaald aan verdachte [verdachte 1], dan is er naar het oordeel van het Gerecht geen andere conclusie mogelijk dan dat [verdachte 1] de (belangrijkste) eigenaar van DMC was. Dat bedoelde betalingen aan [verdachte 1] (tenminste US$ 40.000,--19) ten titel van lening zouden zijn verstrekt, omdat [verdachte 1] krap bij kas zou zitten, acht het Gerecht niet aannemelijk. Een dergelijke lening is nergens schriftelijk vastgelegd en evenmin is gebleken dat [verdachte 1] ooit iets heeft terug betaald. Echter ook in het geval er sprake zou zijn van een lening dan nog acht het Gerecht overtreding van artikel 375 SrNA bewezen. Immers, SMTB was in zodanige mate de belangrijkste klant van DMC dat de omzet van dit bedrijf voor een belangrijk deel20 werd verdiend met geld van SMTB en dus met overheidsgeld, waarvan het niet de bedoeling kan zijn geweest dat dit via DMC weer terecht zou komen bij [verdachte 1], als lening of anderszins. Zelfs in die mate is DMC verknocht aan SMBT dat verdachte [verdachte 3] ter zitting van 7 november 2018 heeft verklaard dat hij daarom, per ongeluk, zelfs een voor het campagneteam van [politicus] bestemde factuur had geadresseerd aan SMTB.

Dat [verdachte 1] krap bij kas zat, zoals zij en de medeverdachten ter zitting hebben verklaard, is overigens wel aannemelijk. Haar salaris bij SMTB bedroeg Naf. 6.258, terwijl zij twee hypotheken had voor in totaal Naf. 8.608,-- per maand.21 Zij moest dus extra inkomsten verwerven om rond te kunnen komen. Hierin acht het Gerecht een motief aanwezig voor de opzet van het bedrijf DMC door [verdachte 1] in bewuste en nauwe samenwerking met verdachte en [verdachte 3]. Het kan niet anders dan dat verdachte opzettelijk heeft meegewerkt aan DMC, wetende dat [verdachte 1] de langs deze weg stiekem extra inkomsten probeerde te vergaren.

Hierbij zij opgemerkt dat de getuigen [getuige 1]22 en [getuige 2]23 hebben verklaard – kort gezegd – dat de inzet van DMC niet nodig was omdat dit bedrijf werkzaamheden verrichtte die SMBT zelf eerder zelf verrichte. Tevens vonden zij het erg veel geld dat DMC in rekening bracht voor hetgeen ze deed.

Nu verdachten tot het uiterste hun best hebben gedaan om het eigenaarschap van [verdachte 1] van DMC te verhullen, kan het dus niet anders zijn dan dat verdachten niet wilden dat bekend zou worden dat verdachte [verdachte 1] via SMTB zaken deed met zichzelf en dus buiten het zicht overheidsgeld naar zichzelf liet vloeien en daarmee onttrok aan de publieke bestemming. Een dergelijke stiekeme en onzakelijke manier van werken met de overheid acht het Gerecht voor [verdachte 1] in strijd met artikel 375 SrNA. Dat DMC feitelijk wel werkzaamheden verrichtte ten behoeve van de toeristische sector, doet daaraan niet af. Door de betrokkenheid van [verdachte 1] te verbergen, werd voor de autoriteiten verhuld dat er een ambtenaar aan de overheid verdiende.

Ook de ‘dubbele betalingen’24 acht het Gerecht in strijd met artikel 375 SrNA. Een aantal facturen, die betrekking hadden op andere promotionele activiteiten dan betreffende toerisme vanuit de Verenigde Staten, werd niet alleen betaald vanaf de daartoe geëigende rekening van de WIB, maar tevens vanaf de Chase-rekening. Deze dubbele betalingen werden niet door verdachte ontdekt en gecorrigeerd. Ook DMC heeft de dubbele betalingen niet ongedaan gemaakt. Deze onregelmatigheid werd van twee zijden, vertegenwoordigd door verdachte en haar medeverdachten, getolereerd. Het kan niet anders dan dat deze facturen tot tweemaal toe ter betaling zijn aangeboden. De dubbele betalingen vormen een onttrekking van het daarmee gemoeide te veel betaalde geld een onttrekking aan de publieke bestemming. Ook hier geldt dat ‘wederrechtelijke toe-eigening’ niet behoeft te worden bewezen.

Gebleken is dat [verdachte 1] ambtenaar was. Zijdens [verdachte 2] en [verdachte 3] is aangvoerd dat zij geen ambtenaar waren en het voor ambtenaren geldende delict van artikel 375 SrNA dus niet hebben kunnen plegen. Het Gerecht verwerpt dit verweer. Immers kunnen delicten als deze ook worden medegepleegd door personen die zelf de kwalificatie van (in dit geval) ambtenaar missen, mits het opzet van de medeplegers mede was gericht op de positie van hun medeverdachte [verdachte 1] als ambtenaar. Hetgeen hiervoor is overwogen, laat daarover geen twijfel bestaan.

Wat betreft het deel van het onder 1 primair ten laste gelegde waarvan verdachte wordt vrijgesproken, merkt het Gerecht tot slot nog op dat de bewijsmiddelen geen reden geven voor de conclusie dat verdachte zich in zoverre heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van verduistering in dienstbetrekking in de zin van artikel 335 SrNA, zoals meer subsidiair ten laste gelegd. DMC heeft immers wel degelijk werkzaamheden verricht, zodat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, zoals vereist voor de toepassing van artikel 335 SrNA niet kan worden bewezen.

Wat betreft het deel van het onder 1 primair ten laste gelegde waarvan verdachte wordt vrijgesproken, merkt het Gerecht tot slot nog op dat de bewijsmiddelen geen reden geven voor de conclusie dat verdachte zich in zoverre heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van verduistering in dienstbetrekking in de zin van artikel 335 SrNA, zoals meer subsidiair ten laste gelegd. DMC heeft immers wel degelijk werkzaamheden verricht, zodat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, zoals vereist voor de toepassing van artikel 335 SrNA niet kan worden bewezen.

Ook de meer subsidiair ten laste gelegde heling acht het Gerecht – om deze reden - niet bewezen.

Feit 2

Aan verdachte is onder 2. ten laste gelegd het witwassen van uit misdrijf verkregen gelden. De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak, omdat er geen sprake is van uit misdrijf afkomstige gelden. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring.

Het Gerecht merkt op dat artikel 375 SrNA onderdeel is van TITEL XXVIII (Ambtsmisdrijven) en derhalve geen deel uitmaakt van de elders in het wetboek opgenomen vermogensmisdrijven. De nadruk ligt hierbij op het handelen in strijd met ambtsverplichtingen. Het voor vermogensdelicten kenmerkende ‘oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening’ vormt geen onderdeel van de delictsomschrijving. Het bestanddeel ‘verduistering’ zoals in de delictsomschrijving van artikel 375 is opgenomen, is dus niet synoniem aan de term zoals die wordt gebruikt in artikel 334. Al kan overtreding van artikel 375 wederrechtelijke toe-eigening mede omvatten, noodzakelijk is dit niet. Daardoor kan niet zonder meer worden geoordeeld dat de gelden die SMTB aan DMC betaalde, ‘uit misdrijf’ afkomstig waren. Medeverdachte [verdachte 1] heeft immers vooral haar ambtsplicht geschonden door DMC op te richten en via dat bedrijf zaken met zichzelf te doen. De aan dit bedrijf betaalde gelden waren bovendien gebaseerd op opdrachten waarvoor werd gedeclareerd en waarvoor ook werkzaamheden werden uitgevoerd. Dat de verhoudingen onzakelijk waren, is inherent aan de schending van de ambtsplicht, maar duidt daarmee nog niet vanzelf erop dat het daarmee verdiende geld uit misdrijf afkomstig was. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn ten aanzien van de ‘dubbele betalingen’ maar over de vraag hoe dat heeft kunnen gebeuren, blijkt feitelijk vrijwel niets uit de bewijsmiddelen. Bijkomende feiten en omstandigheden die dit anders maakt, zijn niet gesteld of gebleken. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 3

Aan verdachte is ten laste gelegd deelname aan een criminele organisatie die tot doel had opzettelijke overtreding van artikel 375 SrNA, verduistering, het niet of onjuist doen van belastingaangiften, het plegen van valsheid in geschrift, witwassen en oplichting, alles gerelateerd aan het hiervoor ter zake van overtreding van artikel 375 SrNA beschreven feitencomplex.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van dit feit. De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak.

Het Gerecht acht deelname aan een criminele organisatie niet bewezen. Zoals overwogen bij de bespreking van feit 1, acht het Gerecht niet alle betalingen vanaf de rekening bij Chase die geen betrekking hebben op activiteiten in de Verenigde Staten strafbaar in de zin van artikel 375 SrNA. Tevens is gebleken dat DMC wel werkzaamheden ter bevordering van het toerisme uitvoerde. Daarmee is ook verduistering, dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening veronderstelt, al dan niet in dienstbetrekking, niet bewezen. Voor de bewezenverklaring van overtreding van artikel 375 SrNA is het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening geen bestanddeel. Dat DMC alleen maar schijn was, of als zodanig als oplichting aangemerkt kan worden, is derhalve evenmin gebleken. Van witwassen worden verdachten vrijgesproken. De valsheid in geschrifte ten aanzien van de werkgeversverklaring ten aanzien van medeverdachte [verdachte 1] acht het Gerecht niet bewezen. Dat verdachten van meet af aan of gaandeweg met elkaar het plan hadden opgevat systematisch en in georganiseerd verband geen (volledige) aangiften bij de belastingdienst te doen, blijkt evenmin uit de bewijsmiddelen. Afspraken ter zake, blijken niet uit de bewijsmiddelen. Zij hebben voorts de heer Dosoe in de arm genomen om de aangiften te doen. Dat deze dat uiteindelijk niet heeft gedaan, kan ook door versloffing zijdens verdachten zijn gekomen. Het Gerecht acht, kortom, de bewijsmiddelen onvoldoende aanleiding geven om de conclusie te trekken dat er tussen verdachten een zodanig eenduidige samenspanning is geweest dat deelname aan een criminele organisatie wettig en overtuigend bewezen is te achten. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Feiten 4 en 5

De onder 4 subsidiair en 5 subsidiair ten laste gelegde opzettelijk begane fiscale delicten acht het Gerecht bewezen. Verdachte heeft aangevoerd dat de heer Dosoe als accountant was aangetrokken om de fiscale aangiften te doen, zodat zij en de medeverdachten vrijuit gaan. De heer Dosoe heeft het erbij laten zitten. Het Gerecht verwerpt dit verweer. Vast staat dat de heer Dosoe in de arm is genomen en dat deze opdracht heeft gekregen de aangifte winstbelasting te verzorgen, maar dit is er niet van gekomen, volgens de heer Dosoe omdat verdachte en DMC hem niet betaalden. Dit laatste werd door verdachte ter zitting ontkend. In het dossier bevindt zich evenwel een brief van de heer Dosoe waarin deze aan verdachte schrijft: “we are now in an advanced stage for closing the accounting period of 2009 for DMC. The deadline for filing the Profit Tax is 30 June2010. We did not receive additional documents (receipts, invoices etc.) despite our telephone conversations with you, where we requested these documents. We would like to urge you once more to bring in any document that you may still have for DMC pertaining to the account year 2009.” Hij stuurt hen op de onbetaald gebleven facturen van november en december 2009 en januari, februari en maart 2010.25 Hieruit blijkt dat verdachten de heer Dosoe niet de documenten hadden gegeven om de aangifte winstbelasting te doen en hem ook niet hadden betaald. Verdachte heeft zich – als directeur van DMC, die zich blijkens de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen26 mede feitelijk leiding gaf aan de dagelijkse werkzaamheden van DMC – niet vergewist of /dat de aangiften werden gedaan. Dit levert – al dan niet in voorwaardelijke zin - opzet op de overtreding van de fiscale aangifteverplichtingen.

Bewezen is dat DMC in de jaren 2009 tot en met 2011, met uitzondering van september 2009, geen aangiften van belastingen heeft ingediend, noch voor de BBO, de loonbelasting, premies volksverzekeringen en winstbelasting.27 Dat er fiscaal nadeel is geleden voor genoemde belastingen blijkt uit de berekening van de fiscus.28

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1, 4 en 5 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 375 van het Wetboek van Strafrecht oud en artikel 49 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Feit 1
Medeplegen van als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijne bediening onder zich heeft verduisteren.

Feit 4
Feitelijk leiding geven aan het opzettelijk een bij de Algemene Landsverordening Landsbelastingen voorziene aangifte niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl het gevolg van de handeling zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 5
Feitelijk leiding geven aan het opzettelijk een bij de Algemene Landsverordening Landsbelastingen voorziene aangifte niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl het gevolg van de handeling zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het verwijt dat verdachte treft, is dat zij via een door medeverdachte [verdachte 1] opgericht bedrijf stiekem een graantje mee wilde pikken van de zaken die de Sint Maartense overheid doet om het toerisme naar Sint Maarten te bevorderen. Zij heeft [verdachte 1] geholpen zich daarbij achter een door [verdachte 1] zelf opgerichte Anguilliaanse vennootschap te verbergen om te voorkomen dat bekend wordt dat [verdachte 1] in feite zaken deed met zichzelf.

Het aldus doen van zaken met een ambtenaar is niet transparant, onzakelijk, voorkomt een deugdelijke controle op de recht- en doelmatige besteding van overheidsgeld en is daarmee schadelijk voor deze samenleving. Ook het aanzien van de eerlijkheid van het Sint Maartense bestuur is door verdachte ernstig beschadigd.

Hetzelfde geldt voor het systematisch geen aangifte doen bij de Sint Maartense fiscus. Ook dat is een vorm van oneerlijk handelen die verdachte als directeur van DMC valt aan te rekenen. Bovendien wordt zo een ongelijke concurrentieverhouding geschapen ten aanzien van personen en bedrijven die wel eerlijk zaken doen.

Verdachte verdient te worden gestraft. Deze straf dient er tevens toe aan de samenleving te laten zien dat dit gedrag, waarvan verdachte zelf ter zitting heeft gesteld het kwalijke nog steeds niet in te zien, onaanvaardbaar is, om anderen van dit gedrag te weerhouden en om verdachte zelf ervan te weerhouden weer de fout in te gaan. Verdachte heeft ter zitting blijk gegeven niet te hebben geleerd van haar gedrag. Zij vindt dat zij niets fout heeft gedaan.

Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het Gerecht een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf hebben opgelegd. Thans zal het Gerecht volstaan met een boete, een voorwaardelijke gevangenisstraf en ontzegging van verdachtes recht een overheidsambt uit te oefenen. De straf valt lager uit dan die van medeverdachte [verdachte 1], nu [verdachte 1] een groter deel van de aandelen hield, verdachte een meer ondergeschikte rol speelde en financieel minder heeft geprofiteerd. Verdachte is nu bovendien – in tegenstelling tot [verdachte 1] die nog steeds als ambtenaar werkt - werkloos. Ook vanwege de deelvrijspraken komt het Gerecht tot een lagere straf dan de officier van justitie.

De verdediging heeft, verwijzend naar artikel 28, tweede lid, SrNA, aangevoerd dat de boete maximaal NAf. 15.000,-- zou kunnen bedragen. Op artikel 375 is immers geen geldboete gesteld, zodat hoogstens teruggevallen kan worden op dat artikel. Het Gerecht verwerpt dit verweer. Op opzettelijke overtreding van artikel 49 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen staat een geldboete van honderdduizend gulden of, indien de te weinig geheven belasting hoger is dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven belasting. Er is in dit geval sprake van samenloop van (medegepleegde) strafbare feiten, zodat ingevolge artikel 1:136 onderdeel c, SrStM maximaal aan geldboeten opgelegd kan worden het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld. Het totale fiscale nadeel dat verdachte en haar medeverdachten hebben veroorzaakt, bedraagt NAf. 463.880,--29. De onderstaand op te leggen boete blijft ruimschoots onder dit – ook onder SrNA geldende30- benadelingsbedrag. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat de maximaal op te leggen boete ingevolge het thans geldende Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten (SrStM) hoger ligt: ingevolge artikel 2:348 SrStM, de ‘tegenhanger’ van artikel 375 SrNA, bedraagt de maximaal aan verdachte (zelf geen ambtenaar) als medepleger op te leggen boete NAf. 100.000,-- (categorie 5).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is/zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 27, 28, 32, 375 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (SrNA (oud)), 1:224 SrStM en artikel 49 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart de officier van justitie vanwege verjaring niet ontvankelijk voor zover de tenlastelegging is gebaseerd op artikel 334 (verduistering) en de fiscale delicten voor zover die als overtreding ten laste zijn gelegd;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 4 subsidiair en 5 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte overigens ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 3 (drie) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van NAf 50.000,-- (vijftigduizendgulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde boete in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van NAf. 50 (vijftiggulden) per in voorarrest doorgebrachte dag;

ontzet verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaren uit het recht ambten te bekleden.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.A.H. Lemaire, bijgestaan door A.R. Osepa-Ritfeld, (zittingsgriffier), en op 28 november 2018 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Sint Maarten.

uitspraakgriffier

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Sint Maarten, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Colade”, alles zakelijk weergegeven.

2 Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, commentaar op artikel 359 Sr.

3 HR 02-06-2015, ECLI:NL:HR:2015:1449.

4 HR 27 maart 1990, NJB 1990, 103.

5 Het in de wettige vorm op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 30 mei 2016, houdende de verklaring van verdachte [verdachte 1], persoonsdossierpagina 138: I believe in 1999 I became the head of department until July 2011. We say director but the official name is Department Head of Tourism.

6 Het in de wettige vorm op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 30 mei 2016, houdende de verklaring van verdachte [verdachte 3], p. 3, voor zover inhoudende: I was co-owner, shareholder and the Managing Director of the company. Het in de wettige vorm op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 30 mei 2016, houdende de verklaring van verdachte [verdachte 2], op p. 2, voor zover inhoudende: My position in [ECDMC] was managing director.

7 Het in wettige vorm op ambtseed en –belofte opgemaakte proces-verbaal houdende de verklaring van getuige C.E. [verdachte 1], p. 4 (dossierpagina 720 getuigendossier E-2), zakelijk weergegeven: When ECDMC started up, I was the one who went to the notary to get the ball rolling. En op blz 12 (728): My sister asked me to help [verdachten 1 en 2] set up the business.

8 Bijlagen 1 en 2 bij het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 30 mei 2016, dossierpagina 137 e.v. (Persoonsdossier [verdachte 1]).

9 Idem Bijlage 4.

10 Idem Bijlage 8.

11 Idem Bijlage 9.

12 Idem Bijlage 17.

13 Idem Bijlage 20.

14 Bijlage 6 bij het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 1 juni 2016 dossierpagina 298 e.v., houdende verklaringen van verdachte [verdachte 1].

15 Idem Bijlagen 7 en 8.

16 Idem Bijlage 20.

17 Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 11 januari 2016 houdende verklaringen van getuige Dosoe, dossierpagina 677, laatste alinea, en de bijlage op dossierpagina 685 (Getuigendossier E-2).

18 Bijlage 13 bij het in wettige vorm op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 31 mei 2016 houdende verklaring van [verdachte 2]. (dossierpagina 157 e.v. Persoonsdossier [verdachte 2]).

19 Het in wettige vorm op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen geldstroom DMC e.a. d.d. 17 mei 2016, p. 6 (dossierpagina 17 Algemeen Dossier) inzake de direct of indirect door of namens DMC aan [verdachte 1] overgemaakte bedragen groot US$ 5.000, 11.000,--, 5.000,--, 12.000,--, 6.900,-- en 3.000,--. En tevens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 1 juni 2016 houdende verklaringen van getuige C. [verdachte 1], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: The only involvement from my company Hazelwood Invenstments is that when ECDMC got started they used my bank account, because they didn’t have a bank account yet. I remember them depositing the money on my account. I also wrote cheques.

20 $ 142.200 is aan DMC betaald, terwijl de door de fiscus berekende omzet over 2009 3n 2010 bedroeg 211.506 en 474.187. (Proces-verbaal bevindingen geldstroom DMC e.a. p. 4 en p. 9, resp dossierpagina’s 15 en 20 van het Algemeen Dossier en p. 2 van het Algemeen proces-verbaal (aanvulling 1) van het Belastingdossier.)

21 Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal houdende verklaringen van verdachte [verdachte 1] d.d. 2 juni 2016, p.6 (449).

22 Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 4 juni 2014 houdende verklaringen van getuige [1], voor zover inhoudende: To be honest much op what the company was engaged to do, the staff of the SMTB was already doing. I didn’t see a reason to bring in this company. To host travel agents and press writers, we can do it ourselves. Op de vraag wat de getuige ervan vindt dat een bedrag groot US$ 155.796 aan DMC is betaald, antwoordt de getuige: I think it is an exorbitant amount. I would have to see the scope of work that they did to justify this amount.

23 Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 13 maart 2014 houdende verklaringen van getuige [2], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: op de vraag kent u het bedrijf DMC antwoordt zij, yes I do. The invoices, in my humble opinion are very high/expensive, particularly considering the SMTB having been escorting press/agents etc. for a number of years without needed additional outside support. However the instruction to have [verdachte 3] work with us was given by the director of tourism, Ms [verdachte 1].

24 Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.d. 17 mei 2016 van bevindingen dubbele betalingen d.d. 4 februari 2016, p. 8 tot en met pagina 11 (Algemeen Dossier A1) en tevens het proces-verbaal van bevindingen dubbele betalingen, de tabel op pagina 10 en 11(dossierpagina’s 145 10 en 145-11 zaaksdossier ECDMC).

25 Brief van 4 juni 2010, bijlage D-037bij het Belastingdossier, Algemeen proces-verbaal.

26 Zie de voetnoten 5 tot en met 19.

27 Algemeen proces-verbaal van de Belastingdienst Sint Maarten, Sectie Inlichtingen & Opsporing, opgemaakt door de buitengewoon agent van politie L.M.A. Sendar, op ambtseed, op 24 juni 2016, p. 5, het daarachter gevoegde ambtsedige proces-verbaal d.d. 15 juni 2016, met bijlagen D-38 01 tot en met 05.

28 Proces-verbaal van aanvang onderzoek fiscaal strafbare feiten, d.d. 22 maart 2016, opgemaakt door Sendar voornoemd, de tabel onderaan p. 7 en bijlage D-026. Het totale fiscale nadeel dat verdachte en haar medeverdachten hebben veroorzaakt, bedraagt NAf. 463.880,--.

29 Zie voetnoot 28.

30 Zie ook artikel 59, jo. 96 SrNA (oud).