Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2018:11

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
SXM2017 00245
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht verklaart zich onbevoegd te oordelen over een beroep tegen een besluit dat is gebaseerd op artikel 38 van de “Regeling vergoeding behandelings- en verplegingskosten overheidsdienaren”. Eiser had zijn beroep moeten richten aan het gerecht in ambtenarenzaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Landsverordening administratieve rechtspraak

Uitspraak:

Zaaknummer: SXM2017 00245

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

C*

wonende op Sint Maarten,

eiser,

gemachtigde: mr R.F. Gibson

en:

het Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekostenverzekeringen

verweerder,

gemachtigde: mr. B.G. Hofman

1 Aanduiding bestreden beschikking

De beschikking van verweerder van 1 juni 2017, waarbij het verzoek van eiser om een vergoeding voor medische kosten, is afgewezen.

2 Procesverloop

Namens eiser is op 3 juli 2017 ter Griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier een beroepschrift ingesteld ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).

Op 30 november 2017 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

3 Beoordeling

De eerste vraag die het Gerecht moet beoordelen is die van haar eigen bevoegdheid. In dat verband is het volgende van belang.

In artikel 1 van de Landsverordening houdende voorzieningen inzake de verlening van gehele of gedeeltelijke betaling of vergoeding van de kosten van geneeskundige behandeling of verpleging en de overige daarmee verband houdende kosten van werknemers in dienst van de overheid of met de overheid nauw verbonden instellingen en hun gezinsleden (citeertitel: Regeling vergoeding behandelings- en verplegingskosten overheidsdienaren, hierna: de Regeling) is bepaald wie als overheidsdienaar moet worden beschouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser als overheidsdienaar moet worden beschouwd. Het in deze zaak relevante deel van artikel 1 van de Regeling is het eerste lid, aanhef en onder 4˚, dat luidt als volgt:

1. In deze landsverordening wordt verstaan onder overheidsdienaren

4°. de werknemers in dienst van Sint Maarten of enig ander binnen Sint Maarten gevestigd openbaar lichaam op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht;

Verder is relevant het hieronder aangehaalde deel van artikel 3 van de Regeling:

1. In deze landsverordening wordt verstaan onder bevoegd gezag:

2°. voor wat betreft de overheidsdienaren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 2°en 4°: de minister (…);

Artikel 38, eerste lid, van de Regeling luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

1. Ten aanzien van de overheidsdienaren (…) jegens wie het bevoegd gezag wordt gevormd door de minister, (…) oordeelt over de beschikkingen, (…) in verband met de toepassing van deze landsverordening bij uitsluiting in eerste aanleg het gerecht in ambtenarenzaken en in hoger beroep de raad van beroep in ambtenarenzaken, ook indien de bezwaarde geen ambtenaar in de zin van de Regeling ambtenarenrechtspraak is.

Uit de combinatie van de twee hier aangehaalde delen van artikelen 1 en 3, volgt dat in het geval van eiser het bevoegd gezag wordt gevormd door de Minister. Uit artikel 38 van de Regeling volgt dan dat in het geval van eiser uitsluitend het gerecht in ambtenarenzaken bevoegd is te oordelen over zijn (beroep tegen de ) beschikking.

Eiser heeft betoogd dat ondanks deze bepalingen het gerecht in eerste aanleg bevoegd is om (op basis van de Landsverordening administratieve rechtspraak) te oordelen over zijn beroep. Eiser brengt daartoe naar voren dat de Memorie van Toelichting op de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) onder meer over de afbakening met andere administratieve rechters meldt dat de vraag gerechtvaardigd is of niet ook de sociale verzekeringsrechtspraak en de rechtspraak met betrekking tot cessantia, alsmede de administratieve rechtspraak door de burgerlijke rechter beter af zullen zijn met een inbouw in een algemene administratiefrechtelijke organisatie. Nadat in de MvT op een aantal aspecten is gewezen, vervolgt deze dan met: “De conclusie moet dan ook zijn dat de rechtspraak inzake sociale – en volksverzekeringen en cessantia het beste kan worden ingepast in de algemene administratieve rechtspraak.” Het Gerecht begrijpt het betoog van eiser aldus dat nu het hier gaat om een zaak betreffende sociale – en volksverzekeringen, het Gerecht in Eerste Aanleg bevoegd is, ook al moet eiser als overheidsdienaar worden beschouwd.

Het Gerecht oordeelt als volgt:

In de MvT op de Lar wordt geschetst waarom is gekozen voor invoering van de Lar. Een van de aspecten daarbij was het grote aantal colleges dat op dat moment, naast de burgerlijk rechter, nog over administratiefrechtelijke zaken oordeelde. De MvT illustreert dat met het navolgende overzicht:

Zoals blijkt uit dit overzicht is bij het opstellen en invoeren van de Lar onder ogen gezien dat er een Gerecht in Ambtenarenzaken is en dat dit Gerecht wordt geschaard onder de administratiefrechtelijke colleges. Ondanks het doel van de Lar heeft de wetgever er niettemin voor gekozen om het Gerecht in Ambtenarenzaken te laten bestaan. Uit de MvT blijkt voorts dat dit een bewuste keuze is geweest, zoals blijkt uit de vermelding om, zoals het is verwoord in de MvT, “vooralsnog geen voorstel te doen om ook de ambtenarenrechtspraak en de belastingrechtspraak in dit kader op te nemen”.

Eisers betoog, met een beroep op deze MvT, dat het GEA in afwijking van de duidelijke wettelijke bepaling van artikel 38 van de Regeling, toch bevoegd is, kan dan ook niet slagen. Hetzelfde geldt voor zover eiser zich heeft beroepen op de MvT op de Regeling. In deze MvT kan veeleer grond voor het tegendeel van wat eiser betoogt worden gevonden, daar waar er staat:

“Zoveel mogelijk wordt voorts de eenheid van rechtspraak met betrekking tot geschillen in vergoedingskwesties nagestreefd. Daarom wordt in alle gevallen waarin het land of een eilandgebied betrokken is, toegang tot de ambtenarenrechter verleend, ook als de bezwaarde overheidsdienaar geen ambtenaar in de zin der wet is.” De laatste regel hierin die eiser heeft aangehaald is in dit geval niet van toepassing. Dat betreft immers het geval dat niet de Minister maar een ander het bevoegd gezag vormt.

Eiser heeft voorts nog gewezen op Artikel LXVII van de Invoeringslandsverordening administratieve rechtspraak, dat luidt als volgt:

Indien ingevolge een wettelijke regeling tegen een beslissing van een bestuursorgaan een recht van beroep is toegekend op het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen dan wel op het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in de Nederlandse Antillen en Aruba, is de Landsverordening administratieve rechtspraak van overeenkomstige toepassing, voor zover die wettelijke regeling of de aard van de betrekkelijke aangelegenheid zich daartegen niet verzet.

Dit artikel kan eiser niet baten. Er is immers geen sprake van dat tegen onderhavige beschikking een recht van beroep is toegekend op het Gerecht in eerste aanleg.

Het oordeel van het Gerecht luidt dat het niet bevoegd is om het beroep van eiser te behandelen. Aan de vraag of eiser de juiste verweerder in dit geding heeft betrokken, komt het Gerecht dan ook niet toe.

4 De beslissing

Het Gerecht in eerste aanleg:

Verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, mr. R.G. Essed en mevrouw M. Lopez-de Weever, bijzondere rechters in het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 19 maart 2018.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.