Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2017:81

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
30-07-2017
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
100.00313/16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ambtelijke verduistering en witwassen door voormalig hoofd Veiligheidsdienst Sint Maarten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats] aan de [adres].

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op woensdag 9 augustus 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouwen, mrs. S.R. Bommel en S.D.M. Roseburg.

De officier van justitie, mr. M.R. van Nes, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van feit 1 primair (ambtelijke verduistering) en feit 2 (witwassen) te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouwen hebben vrijspraak bepleit.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1.

hij, als ambtenaar of als persoon voortdurend of tijdelijk belast met enige openbare dienst,

te weten (als) Diensthoofd Veiligheidsdienst Sint Maarten,

op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 25 februari 2011 tot en met 29 mei 2013

in/op Sint Maarten

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een of meer) (girale en/of chartale) geld(bedrag(en))

(totaal NAF 727.145,-- of daaromtrent), in elk geval een of meer geldbedrag(en),

welk(e) geld(bedrag)(en) (telkens) toebehoorde(n) aan de Veiligheidsdienst Sint Maarten en/of het Ministerie van Algemene Zaken, in elk geval een overheidsinstelling van het (toenmalig) eilandgebied Sint Maarten,

en

welk(e) geld(bedrag)(en) hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

(telkens) uit hoofde van zijn bediening als Diensthoofd van de Veiligheidsdienst Sint Maarten en/of medewerk(st)er(s) van de Veiligheidsdienst Sint Maarten onder zich had(den),

heeft/hebben verduisterd

en/of

(opzettelijk) heeft/hebben toegelaten dat (dat/die) geldbedrag(en) door (een) ander(en) werd(en) weggenomen en/of verduisterd werd(en),

door van/met dat/die geldbedrag(en)

-al dan niet met gebruikmaking van een debetcard nummer [banknummer 1]

van de Veiligheidsdienst Sint Maarten en/of een Visa kredietkaart

[banknummer 2] van de Veiligheidsdienst Sint Maarten-

==privébestedingen en/of privéuitgaven te doen en/of te laten doen:

(waaronder)

vakantie(s) en/of (een) reis/reizen met (een) familielid/leden en/of (een) ander(en),

en/of alleen, in elk geval niet voor de Veiligheidsdienst Sint Maarten bestemde

reizen en/of (een) niet in het kader en/of belang van werkzaamheden voor de

Veiligheidsdienst Sint Maarten (dienstgerelateerde) bestemde reis/reizen, te boeken;

en/of

bestedingen aan / aankopen van kleding en/of sieraden en/of juwelen te doen

en/of te laten doen;

en/of

bestedingen aan / aankopen van luxe artikelen (audio/computerapparatuur/cable

tv /louis vuitton) te doen en/of te laten doen;

en/of

in- / aankopen van levensmiddelen voor eigen gebruik bij Supermarkten te doen

en/of te laten doen; en/of

==betaling(en) voor/aan hotelverblijf en/of autohuur te doen en/of te laten doen;

en/of

==hypotheekbetalingen te doen; en/of

==stortingen (voor aflossing schuld ) op privéleningen te doen; en/of

==betalingen van niet voor de Veiligheidsdienst bestemde (dienstgerelateerde)

telefoonrekening(en) te doen; en/of

==betaling(en) van studie(schuld(en)) en/of (aanbetaling) studie zoon/familielid te

doen en/of te laten doen; en/of

==buitenproportionele aanschaf en/of betaling(en) voor de bouw van een buitenmuur

bij woning [adres 1] te Sint Maarten te doen; en/of

==betalingen aan niet aan de Veiligheidsdienst Sint Maarten (dienst)gerelateerde

“bronnen” te doen; en/of

==(andere) uitgaven te doen en/of te laten doen welke niet betroffen betalingen aan

en/of ten behoeve van operationele kosten en/of niet zijnde dienstgerelateerde

kosten (ten behoeve) van de Veiligheidsdienst Sint Maarten;

en (aldus) bovengenoemd(e) geld(bedrag)(en) (telkens) heeft/hebben onttrokken aan hun bestemming;

(artikel 375 Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen)

(artikel 2:348 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, indien het vorenstaande onder feit 1. niet tot een bewezenverklaring

en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij

op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 25 februari 2011 tot en met 19 juli 2016

in/op Sint Maarten

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een of meer) (girale en/of chartale) geld(bedrag(en))

(totaal NAF 727.145,-- of daaromtrent),

in elk geval enig(e) geldbedrag(en)/goed(eren),

welk(e) geld(bedrag)(en) (telkens) toebehoorde(n) aan de Veiligheidsdienst Sint Maarten en/of het Ministerie van Algemene Zaken, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s),

en

welk(e) geldbedrag(en)/goed(eren) verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

(telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking en/of beroep van/als Diensthoofd Veiligheidsdienst Sint Maarten, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den),

(telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

(artikel 334/335 Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen)

(artikel 2:298/2:299 Wetboek van Strafrecht)

Feit 2.

hij

op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 25 februari 2011 tot en met 19 juli 2016

in/op Sint Maarten en/of de Verenigde Staten van Amerika en/of St Kitts en/of Trinidad & Tobago en/of Aruba en/of Jamaica

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) (een) voorwerp(en),

te weten (een of meer) (girale en/of chartale) geld(bedrag(en))

(totaal NAF 727.145,-- of daaromtrent),

in elk geval een of meer geldbedrag(en),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet,

en/of

van (een) voorwerp(en),

te weten (een of meer) (girale en/of chartale) geld(bedrag(en))

(totaal NAF 727.145,-- of daaromtrent),

in elk geval een of meer geldbedrag(en),

gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

wist(en) of begre(e)p(en),

dat voormeld(e)/vorenbedoeld(e) geldbedrag(en)/voorwerp(en)

- onmiddellijk of middellijk –

afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een gewoonte gemaakt van het plegen van witwassen;

(artikel 435a lid 1 onder b Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen)

(artikel 435b Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen)

(artikel 2:404 Wetboek van Strafrecht)

(artikel 2:405 Wetboek van Strafrecht).

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.

Het Gerecht is van oordeel dat het namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het Gerecht heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het Gerecht overweegt hierover in het bijzonder als volgt.

Het Gerecht stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat verdachte als directeur/diensthoofd van de VDSM (hierna: de Dienst) rekenplichtig ambtenaar was. De dienst moest na 10-10-10 opgebouwd worden. Het ging destijds om een kleine organisatie zonder solide infrastructuur en zonder een functionerend systeem van administratie en verantwoording. De Rekenkamer, die volgens de wet het financieel toezicht op de Dienst moest uitoefenen, was daar niet klaar voor. Verdachte was, als directeur, de enige die financiële beslissingen nam. Hij beschikte over de bankpassen en creditcards van de Dienst. In de praktijk nam hij die beslissingen geheel zelfstandig, zonder daarover met anderen te overleggen. Verdachte had aldus een grote macht over het geld van de Dienst. Grote macht gaat in een democratische context vanzelfsprekend gepaard met grote verantwoordelijkheid. Dit betekent naar het oordeel van het Gerecht dat van verdachte mag worden verwacht dat hij een verantwoording kan geven voor de uitgaven die hij voor rekening van de Dienst heeft gedaan.

Daarbij neemt het Gerecht de bijzondere situatie waarin verdachte zich bevond in ogenschouw. Als gezegd verkeerde de Dienst in een opstartfase en kon verdachte niet terugvallen op een soepel draaiende organisatie. Gelet op de vele verantwoordelijkheden van verdachte kan er enigszins begrip voor worden opgebracht dat de administratie, die ook tot zijn verantwoordelijkheden behoorde, onvolmaakt is gebleven.

Daarnaast onderkent het Gerecht dat op verdachte, als voormalig directeur van de Veiligheidsdienst, een geheimhoudingsplicht rust, waardoor hij gehinderd kan worden bij het afleggen van verantwoording. Denkbaar is dat het verstrekken van informatie over bepaalde uitgaven raakt aan belangen van nationale veiligheid. Dat verdachte niet om ontheffing van die geheimhoudingsplicht heeft gevraagd acht het Gerecht begrijpelijk, omdat die ontheffing niets zou veranderen aan de risico’s – zowel voor het Land als voor verdachte zelf – die met het openbaar maken van de betreffende informatie gepaard kunnen gaan.

Ondanks deze verzachtende context volgt uit het dossier dat verdachte op grote schaal misbruik heeft gemaakt van de macht die hij over de financiën van de Dienst had. De administratie door verdachte is niet slechts onvolmaakt, maar ontbreekt te enen male. Voor vele uitgaven kan hij bovendien geen redelijke verklaring geven.

Ambtelijke verduistering

In het ontnemingsdossier1, dat deel uitmaakt van het dossier in de strafzaak, is een overzicht gegeven van de geldbedragen waarvan verdachte wordt verdacht deze te hebben verduisterd. Het overzicht houdt het volgende in:

Omschrijving

NAf.

Ad. 1

Totaal aan stortingen op de privérekening van de verdachte (overzicht 3)

171.692,61

Ad. 2

Abusievelijk gebruik van de debet- en kredietkaart van de dienst door de verdachte (overzicht 4)

27.525,58

Ad. 3

Betalingen waarmee de verdachte werd geconfronteerd en zich niet kan herinneren

6.027,28

Ad. 4

Kosten van de privéreizen van de verdachte en betalingen in relatie met die reizen met de kredietkaart van de dienst (overzicht 5)

11.071,20

Ad. 5

Betaling aan beveiligingsbedrijf en aannemer voor beveiliging huis verdachte

80.000,-

Ad. 6

Betalingen aan bronnen voor informatie inbraak in de woning van verdachte

324.000,-

Ad. 7

Betalingen aan bronnen voor informatie bedreiging van de zoon van verdachte

13.500,-

Ad. 8

Betaald aan een bron die in nood was

9.000,-

Ad. 9

Betaling van hotelkosten en autoverhuur in verband met de bedreiging zoon

68.785,-

Ad. 10

Betaling van de privé telefoonkosten van de verdachte bij TELEM

15.570,61

Het Gerecht is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor verduistering van de bedragen, genoemd in de posten 5 tot en met 9. Voor deze posten geldt dat er een begin van aannemelijkheid is dat de kosten dienstgerelateerd zijn. De kosten van beveiliging van de woning van verdachte dienden volgens de Minister van Algemene Zaken ten laste van de Dienst gebracht worden. De kosten kunnen, achteraf bezien, mogelijk beoordeeld worden als te hoog of strikt genomen niet noodzakelijk. Ook was het verstandig geweest als verdachte tussentijds had overlegd over de kosten. Toch kan niet worden uitgesloten dat verdachte te goeder trouw heeft gemeend deze kosten in het belang van de Dienst te maken. Er is daarom onvoldoende bewijs dat verdachte deze bedragen opzettelijk heeft onttrokken aan hun bestemming; de verduistering van deze bedragen kan derhalve niet worden bewezen. Eenzelfde redenering geldt voor post 9, waarvan getuigen hebben verklaard dat deze uitgaven ten minste aanvankelijk gerechtvaardigd waren.

Ten aanzien van de betalingen aan bronnen overweegt het Gerecht als volgt. Verdachte heeft grote contante bedragen van de Dienst opgenomen en heeft verklaard dat geld aan bronnen te hebben betaald. Verdachte heeft, met name gelet op de hoogte van de betalingen en het ontbreken van enige administratie, bepaald de schijn tegen. Toch kan, gezien de context van geheimhouding bij het gebruik van informanten, niet worden uitgesloten dat de verklaring van verdachte, dat deze betalingen in het belang van de Dienst zijn gedaan, juist is. Daarmee ontbreekt wettig en overtuigend bewijs van ambtelijke verduistering.

Met betrekking tot de overige geldbedragen in het overzicht staat wel vast dat verdachte deze heeft onttrokken aan hun bestemming en het Gerecht acht bewezen dat de verdachte deze bedragen heeft verduisterd.

Ten aanzien van post 1 overweegt het Gerecht in het bijzonder als volgt. Uit het dossier blijkt dat verdachte gedurende langere tijd grote contante geldbedragen van de WIB-rekening van de Dienst heeft opgenomen. In dezelfde periode doet verdachte een groot aantal contante stortingen op zijn WIB- en RBC-rekening, contante afbetalingen op zijn RBC-creditcard en contante (af)betalingen op zijn WIB-hypotheek rekening.

De suggestie van de verdediging dat niet kan worden uitgesloten dat, naast verdachte zelf, ook de kwartiermaker gebruik heeft gemaakt van de bankpas van de Dienst verwerpt het Gerecht. In het dossier zijn geen aanwijzingen te vinden voor de juistheid van de suggestie.

Verdachte heeft gesteld dat de contante stortingen, althans gedeeltelijk, betrekking hebben op huurinkomsten van woningen in Aruba en Sint Maarten. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte contante huurinkomsten in Aruba en Sint Maarten heeft ontvangen. Gebleken is dat verdachte girale huurinkomsten ontvangt in Aruba. Van huurinkomsten van Sint Maarten is in het geheel niet gebleken, noch van enige andere legale bron van contante inkomsten.

Nu in de tenlastegelegde periode vele contante opnames van de rekening van de VDSM zijn gedaan en in diezelfde periode vele contante stortingen op de rekeningen van verdachte zijn gedaan, waarvoor verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, is het Gerecht van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte de betreffende bedragen aan hun bestemming, te weten het belang van de dienst, heeft onttrokken.

Ten aanzien van de posten 2, 3, 4 en 10 geldt dat de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze uitgaven dienstgerelateerd zijn. Het had gezien het hiervoor overwogene op zijn weg gelegen om te onderbouwen dat deze geldbedragen ten behoeve van de Dienst zijn aangewend. Met betrekking tot post 2 heeft verdachte aangevoerd dat het geld per abuis, dus niet-opzettelijk, een verkeerde (privé)bestemming heeft gekregen. Dit verweer wordt verworpen. Naar het oordeel van het Gerecht blijkt de opzet van verdachte uit feit dat hij keer op keer de passen van de Dienst heeft gebruikt voor privé-uitgaven zonder het geld terug te storten. Ten aanzien van post 3 overweegt het Gerecht dat verdachte dit geld van de Dienst kennelijk in de privésfeer heeft uitgegeven en nalaat daarvoor verantwoording af te leggen. Reeds daaruit volgt dat het geld aan zijn bestemming is onttrokken. Post 4 betreft kosten met betrekking tot privéreizen, die niet ten laste van de Dienst hadden mogen komen. Het Gerecht heeft gezien haar eigen verklaring geen reden om aan te nemen dat de kosten met betrekking tot [persoon 1] wel dienstgerelateerd zijn geweest. Ten slotte heeft verdachte niet aannemelijk gemaakt dat de hij de uitgaven voor zijn privételefoons aan Telem met goede grond ten laste van de Dienst heeft gebracht.

Zelfs een terughoudende en welwillende benadering van de uitgaven door verdachte leidt dan ook tot de conclusie dat verdachte een bedrag van NAf. 231.887,28, eigendom van de Dienst, aan zijn bestemming heeft onttrokken en bovendien ten goede heeft laten komen aan zichzelf.

Witwassen

Verdachte heeft een bedrag van NAf. 231.887,28 verduisterd door het aan zijn bestemming te onttrekken. Hij heeft dat geld verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat het uit (zijn eigen) misdrijf afkomstig was.

Daarnaast heeft hij het geld overgedragen, door het uit te geven. Voor de hiervoor onder posten 2, 3, 4 en 10 genoemde kosten is dat evident. Voor post 1 geldt, dat de contante stortingen op de creditcard en hypotheek ook als betalingen moeten worden aangemerkt en dus als ‘overdragen’. Uit de in het dossier gevoegde rekeningafschriften blijkt dat de contante stortingen op de RBC- en WIB-rekeningen zijn uitgegeven (het saldo benadert na de stortingen de nul) en aldus zijn overgedragen. Ook heeft hij aldus van het geld gebruik gemaakt. Dit maakt dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond met betrekking tot het ‘enkele verwerven en voorhanden hebben van geld uit eigen misdrijf’, die hier wordt besproken omdat zij is ingezet als verweer strekkende tot vrijspraak, zich niet voordoet.

Het Gerecht is concluderend van oordeel dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen met dien verstande dat verdachte geldbedragen tot een totaalbedrag van NAf. 231.887,28 heeft verduisterd en witgewassen.

Voor wat betreft de pleegperiode van het witwassen zoekt het Gerecht aansluiting bij respectievelijk de eerste storting op de RBC-creditcard (20 mei 2011) en het moment, na de laatste contante opname, dat de WIB-rekening het saldo nul benaderde (afschrift van 9 juni 2013).

4B. Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen. Het verweer strekkende tot uitsluiting van het bewijs van het SOAB-rapport wordt gepasseerd, nu dat rapport niet voor het bewijs gebezigd wordt.

4C. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

Feit 1.

hij, als ambtenaar, te weten als Diensthoofd Veiligheidsdienst Sint Maarten, op tijdstippen in de periode van maart 2011 tot en met mei 2013 in Sint Maarten meermalen telkens opzettelijk girale of chartale geldbedragen (totaal NAf. 231.887,28 welke geldbedragen telkens toebehoorden aan de Veiligheidsdienst Sint Maarten en welke geldbedragen hij, verdachte, telkens uit hoofde van zijn bediening als Diensthoofd van de Veiligheidsdienst Sint Maarten onder zich had, heeft verduisterd door met die geldbedragen -al dan niet met gebruikmaking van een debetcard nummer [banknummer 1] van de Veiligheidsdienst Sint Maarten en/of een Visa kredietkaart [banknummer 2] van de Veiligheidsdienst Sint Maarten-

==privébestedingen en privéuitgaven te doen:

waaronder vakanties en/of reizen, in elk geval niet voor de Veiligheidsdienst Sint Maarten bestemde reizen en niet in het kader en/of belang van werkzaamheden voor de Veiligheidsdienst Sint Maarten (dienstgerelateerde) bestemde reizen, te boeken;

en

bestedingen aan / aankopen van kleding en sieraden te doen; en

bestedingen aan / aankopen van luxe artikelen (audio/computerapparatuur/cable

tv /louis vuitton) te doen; en

in- / aankopen van levensmiddelen voor eigen gebruik bij Supermarkten te doen; en

==hypotheekbetalingen te doen; en

==stortingen (voor aflossing schuld ) op privéleningen te doen; en

==betalingen van niet voor de Veiligheidsdienst bestemde (dienstgerelateerde) Telefoonrekeningen te doen; en

==betaling van studie te doen;

en aldus bovengenoemde geldbedragen telkens heeft onttrokken aan hun bestemming;

Feit 2.

hij op tijdstippen in de periode van 20 mei 2011 tot en met 9 juni 2013 in Sint Maarten of de Verenigde Staten van Amerika of St Kitts of Trinidad & Tobago of Aruba of Jamaica meermalen telkens een voorwerp, te weten een giraal of chartaal geldbedrag (totaal NAf 231.887,28), heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, en van voorwerpen, te weten girale en chartale geldbedragen (totaal NAf 231.887,28), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat vorenbedoelde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, een gewoonte gemaakt van het plegen van witwassen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren, meermalen gepleegd;

feit 2

gewoontewitwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. De feiten zijn derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Verdachte heeft zich gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan ambtelijke verduistering en witwassen van een uiteindelijk groot geldbedrag: NAf. 231.887,28. Verdachte heeft, teneinde dit bedrag te kunnen verduisteren, misbruik gemaakt van zijn functie, van het ontbreken van deugdelijk toezicht bij de Dienst en van het in hem gestelde vertrouwen. Het geld dat verdachte heeft verduisterd was bedoeld om invulling te geven aan de taak van de VDSM en hij heeft met zijn handelwijze de samenleving van Sint Maarten gedupeerd. Het is dan ook niet meer dan logisch dat het handelen van verdachte tot publieke verontwaardiging heeft geleid. Door zijn handelwijze heeft verdachte niet enkel de reputatie van Dienst geschaad maar tevens de overheidsinstanties in het algemeen. Door het plegen van de strafbare gedraging heeft verdachte zich bij het nemen van beslissingen niet laten leiden door de belangen van de Dienst en de samenleving, maar door persoonlijk financieel gewin, en heeft hij het adequaat en integer functioneren van de overheid in gevaar gebracht. Hiermee heeft hij het vertrouwen van de burger in de objectiviteit van de overheid in ernstige mate aangetast. Verdachte heeft doelbewust, op schaamteloze wijze en gedurende langere tijd misbruik van zijn positie gemaakt.

Witwassen vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving.

Verdachte heeft grote sommen geld besteed aan luxe goederen voor zichzelf en zijn naasten en het handhaven van een, normaal gesproken voor hem, te hoge levensstandaard. Verdachte heeft geen blijk gegeven van enig inzicht in de aard en ernst van de feiten. Verdachte heeft de verduistering van gelden slechts gestaakt en moeten staken omdat de strafbare feiten aan het licht zijn gekomen. Uit niets is gebleken dat verdachte uit zichzelf zou zijn gestopt met het verduisteren en witwassen van geld van de Dienst. Kwalijk is tevens dat verdachte, ondanks zijn toezegging daartoe, nog niet is begonnen met het terugbetalen van het geld waarvan hij erkent dat het onjuist besteed is.

Het uitkomen van de strafbare feiten heeft voor verdachte zelf gevolgen gehad. Volgens het Gerecht is het evident dat verdachte, die niet eerder voor een strafbaar feit veroordeeld is, de consequenties van zijn handelen in maatschappelijke zin al heeft ervaren. Voorts is gelet op de omstandigheid dat de onderhavige feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden.

Feit is evenwel dat het hier gaat om ernstige strafbare feiten, waarbij verdachte jarenlang keer op keer misbruik heeft gemaakt van zijn positie en het (daardoor) in hem gestelde vertrouwen. Het voorgaande afwegend, acht het Gerecht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. Aangezien het Gerecht een lager verduisterd en witgewassen geldbedrag bewezen acht, zal het Gerecht de officier van justitie niet volgen in zijn eis.

Het Gerecht ziet voorts geen aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 1:136 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 375, 435a en 435b van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (oud).

9 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4C omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat de bewezen verklaarde feiten de in rubriek 5 genoemde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) jaren;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. D. Gruijters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 30 augustus 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Zie het PV Ontneming, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden werkzaam bij de Landsrecherche Sint Maarten, op 22 maart 2017, pagina 12.