Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2017:67

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
SXM201801003 / KG00222/2018
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad door parkeerterrein op strand te handhaven ondanks strijd met eigen beleid en hinder aan omwonenden. Gebod aan de overheid om aan het gebruik van het strand als parkeerterrein een einde te maken. Dwangsommen ten laste van de overheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201801003 / KG00222/2018

Datum: 21 september 2018

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[de vereniging],

gevestigd te Sint Maarten,

-eiseres-,

gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Hofman-Ruigrok,

tegen

1. de openbare rechtspersoon HET LAND SINT MAARTEN,

zetelende te Sint Maarten,

2. [ [het havenbedrijf]

gevestigd te Sint Maarten,

3. DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING, MILIEU EN INFRASTRUCTUUR,

kantoorhoudende te Sint Maarten,

4. DE MINISTER VAN TOERISME, ECONOMISCHE ZAKEN, VERVOER EN TELECOMMUNICATIE,

kantoorhoudende te Sint Maarten,

-gedaagden-,

gemachtigde voor gedaagde 1, 3 en 4: mr. A.A. Kraaijeveld,

gemachtigde voor gedaagde 2: mr. J.J. Deelstra.

Partijen worden hierna aangeduid als, respectievelijk, de vereniging, het Land, het havenbedrijf, de Minister van VROMI, de Minister van TEAT, tenzij hierna anders is vermeld.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties van 30 juli 2018,

  2. producties van het havenbedrijf,

  3. wijziging van eis en nadere producties van de vereniging,

  4. pleitnota namens de vereniging,

  5. pleitnota namens het Land en de twee Ministers,

  6. pleitnota namens het havenbedrijf.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 september 2018, in aanwezigheid van voormelde gemachtigden. Namens de vereniging waren haar directeur, ……, en haar manager …… aanwezig. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd.

1.3.

Vandaag wordt uitspraak gedaan.

2 De feiten

2.1.

De vereniging is de vereniging van eigenaren van het appartementencomplex “A”, gevestigd aan de Frontstreet in Philipsburg. De voorzijde van dit complex komt uit op Frontstreet en de achterzijde op het strand van Great Bay. De bewoners hebben vanuit het appartementencomplex direct toegang tot het strand.

2.2.

Het havenbedrijf is een 100% deelneming van het Land en heeft van het Land als enige een concessie gekregen om de havens te exploiteren.

2.3.

In 2015 is op een perceel gelegen in de directe omgeving van “A” het Walter Plantz Square (hierna: WPZ) ontwikkeld. Dit is een pleintje bedoeld voor toeristen en bewoners van Sint Maarten. Op het pleintje staan mooie palmbomen en er zijn fonteintjes waar kinderen in kunnen spelen. Om het pleintje heen zijn huisjes gebouwd die een gezellige Caribische sfeer uitstralen. Op het strand ter hoogte van WPZ steekt een steiger de zee in. Tussen deze steiger en de cruiseterminal varen boten die opvarenden van de cruiseschepen naar WPZ vervoeren om daar tijd door te brengen.

2.4.

Nadat WPZ open ging heeft het Land tijdelijk toegestaan dat op het strand tussen de steiger en het strand gelegen naast “A” auto’s mogen worden geparkeerd. Die auto’s bereiken het strand via een zijstraat van Front Street, te weten de Schuine Steeg / Pompsteeg. Uit eigen waarneming van de rechter volgt dat dit strand overdag, met name in het weekend intensief, zowel als in de avond wordt gebruikt als parkeerplek. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat in Philipsburg veel te weinig openbare parkeergelegenheid bestaat. Overal parkeren auto’s op de stoep zonder dat de overheid daartegen optreedt.

2.5.

Door de vereniging is zeer uitgebreid gecorrespondeerd met de betrokken instanties, zoals gedaagden, gedurende de jaren 2015 tot en met 2018. De vereniging klaagt in deze correspondentie over het parkeren van de auto’s op het strand; met name de ontstane gevaarzetting voor haar bewoners, derden en de hinder en overlast die van de geparkeerde auto’s en de bestuurders en inzittenden wordt ondervonden (herrie, afval, baldadig gedrag).

2.6.

Op 9 juni 2016 vindt er een bespreking plaats om de problemen te bespreken en afspraken te maken die moeten leiden tot een oplossing. Bij die vergadering zijn vertegenwoordigd: de vereniging, de natuurbescherming, het Ministerie van economische zaken en het havenbedrijf. Uit de notulen blijkt onder andere van de volgende afspraken:

  1. parkeren wordt niet toegestaan over de grens van het strand voor A,

  2. de tijdelijke parkeerplaats op het strand zal niet langer dan twee jaar bestaan,

  3. er wordt gezocht naar alternatieven om tot een permanente parkeerplaats te komen.

2.7.

Volgens de vereniging is van deze afspraken niets terecht gekomen zodat zij gedaagden bij brief van 21 juni 2018 heeft gesommeerd de tijdelijke parkeerplek op het strand te beëindigen. Daaraan is geen gehoor gegeven waarna het kort geding verzoekschrift werd ingediend.

3 De vorderingen en het verweer

3.1.

De vereniging verzoekt het Gerecht om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de volgende beslissingen te nemen:

  1. gedaagden te bevelen om binnen 10 dagen na het in deze te wijzen vonnis het rijden en parkeren met auto’s over en op Great Bay Beach recht voor en direct naast het appartementencomplex A te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden en verder te (doen) voorkomen in de toekomst, en geen auto’s meer toe te laten op Great Bay Beach op straffe van een dwangsom van $ 10.000 per dag of gedeelte van een dag dat gedaagden weigeren te voldoen aan het in deze te wijzen vonnis;

  2. eiseres toestemming te verlenen, althans te machtigen, om zelf de noodzakelijke maatregelen te treffen om het parkeren op Great Bay Beach recht voor en direct naast het gebouw van A te stoppen en gestaakt te houden;

  3. gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

Gedaagden concluderen dat het Gerecht de vereniging in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, dan dat deze aan haar worden ontzegd, met veroordeling van de vereniging in de proceskosten.

3.3.

Op de argumenten gaat het Gerecht hierna in, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

4 De beoordeling

De formele verweren van het Land en de Ministers

4.1.

De Ministers voeren aan dat de vereniging in haar vorderingen tegen hen niet ontvankelijk is. Zij hebben als organen van het Land zelf geen rechtspersoonlijkheid en kunnen niet in een burgerlijk geding optreden. De vereniging stelt daar tegenover dat de Ministers specifieke toezeggingen hebben gedaan en verwachtingen hebben gecreëerd waardoor zij wel in dit geding kunnen worden betrokken.

4.2.

Het verweer van de Ministers slaagt. De Hoge Raad heeft in het arrest van 30 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2233) namelijk het volgende overwogen:

“3.4.1

Dit betoog is terecht door het hof verworpen. De bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden komt in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Een uitzondering hierop valt uitsluitend aan te nemen als daartoe een bijzondere grond bestaat, zoals in het geval dat de wet een orgaan van een rechtspersoon uitdrukkelijk procesbevoegdheid toekent. (Vgl. o.m. HR 25 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4696, NJ 1984/297) Voor het aannemen van procesbevoegdheid is ontoereikend dat de wet het orgaan vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent, al dan niet in rechte (vgl. o.m. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3653, NJ 2015/36).”

4.3.

Gesteld noch gebleken is dat er een wet is die de Ministers procesbevoegdheid verstrekt in burgerlijke zaken als de onderhavige. Dat de Ministers specifieke toezeggingen zouden hebben gedaan en verwachtingen hebben gecreëerd is een inhoudelijk argument dat pas aan de orde kan komen als de ontvankelijkheidsdrempel is genomen. Zo nodig moet het Gerecht beoordelen of eventuele toezeggingen en opgewekte verwachtingen aan het Land moeten worden toegerekend.

4.4.

In haar vorderingen tegen de Ministers wordt de vereniging dus niet-ontvankelijk verklaard. Als in het ongelijk gestelde partij wordt de vereniging in de proceskosten van de Ministers veroordeeld. Deze worden begroot op nihil nu niet is gebleken dat de Ministers specifiek kosten hebben gemaakt om dit verweer te voeren. Hun verweer maakt immers onderdeel uit van het verweer dat door dezelfde gemachtigde mede namens het Land is gevoerd.

4.5.

Het Land voert verder aan dat deze zaak gaat om een verzoek om handhaving van de openbare orde op het strand. Uit de correspondentie van de vereniging met de autoriteiten volgt namelijk dat zij daarom vraagt maar dat het Land daar niet op ingaat. Dat zijn fictieve weigeringen waartegen bezwaar had kunnen worden gemaakt en beroep had kunnen worden ingesteld bij de bestuursrechter. Daarom is de civiele rechter niet bevoegd van deze vorderingen kennis te nemen en moet de vereniging dus niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen. De vereniging stelt hiertegenover dat de civiele rechter wel degelijk bevoegd is hiervan kennis te nemen omdat zij zich baseert op de afspraken die op 9 juni 2016 met een vertegenwoordiger van het Land zijn gemaakt en zij daar de nakoming van wil afdwingen.

4.6.

Het Gerecht overweegt dat dit argument van de vereniging doel treft. De stelling dat de overheid als contractspartij heeft te gelden, en dat daarop haar vorderingen zijn gebaseerd, is voldoende om de vorderingen tegen het Land ontvankelijk te achten. Uit het verzoekschrift volgt overigens dat de vereniging het Land illegaal handelen, dan wel nalaten, verwijt waarvan zij schade ondervindt. Daaruit volgt dat de vereniging zich ook beroept op onrechtmatige daad. Met dit kort geding wil zij verdere schade voorkomen. Ook de stelling dat de overheid onrechtmatig handelt is reeds voldoende om eiseres in haar vorderingen tegen het Land ontvankelijk te achten. De vorderingen van de vereniging tegen het Land zijn dus ontvankelijk.

De formele verweren van het havenbedrijf

4.7.

Het havenbedrijf voert aan dat gedaagde sub 2 niet bestaat. Kennelijk doelt de vereniging op de groep vennootschappen die de havens van Sint Maarten exploiteert. De gemachtigde van [gedaagde sub 2], als hoofd van deze groep vennootschappen, is naar de zitting gekomen om de belangen van “het havenbedrijf” te verdedigen. Daarom moet de vereniging in haar vorderingen tegen gedaagde sub 2 niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.8.

De vereniging verwijst naar de brief van 7 september 2016 die is geschreven namens en op briefpapier van “[handelsnaam]” zonder verwijzing naar een enige vennootschap of nummer uit het handelsregister. Bij die brief worden de notulen van 9 juni 2016 toegestuurd, opgesteld door het havenbedrijf. Ook in deze notulen wordt als aanwezige “[handelsnaam]” genoemd. In de tekst wordt verwezen naar plannen van “[handelsnaam]” met betrekking tot het parkeerterrein. Op zich is het Gerecht het eens met het havenbedrijf dat de vereniging in het handelsregister had moeten checken of “[handelsnaam]” een bestaande onderneming is. Echter, als dat wel zou zijn gebeurd, was het duidelijk geworden dat dit niet het geval was. In dat geval zou de vereniging gerechtigd zijn geweest om “[handelsnaam]” in het geding te betrekken. Er is dan immers sprake zijn van een entiteit die in strijd met de Handelsregisterverordening wel deelneemt aan het handelsverkeer maar niet is ingeschreven. Nu uit de pleitnota van het havenbedrijf volgt dat zij zich inhoudelijk kan verweren zal het Gerecht in plaats van “[handelsnaam]” als gedaagde sub 2 aanmerken [de holding](hierna: het havenbedrijf) en dat in de kop van dit vonnis verwerken. Dit ontvankelijkheidsverweer is hiermee voldoende beoordeeld en beslist.

4.9.

Verder voert het havenbedrijf aan dat onvoldoende is gebleken dat het bestuur van de vereniging machtiging heeft gekregen van de ledenvergadering om deze procedure te voeren. Het havenbedrijf verwijst naar modelreglementen die notarissen bij appartementengebouwen als “A” plegen te gebruiken. Daarin staat dat vereiste. Hiertegenover voert de vereniging aan dat haar directeur door de appartementseigenaren wel degelijk is gemachtigd maar dat zij deze machtiging niet aan het procesdossier heeft toegevoegd. Ter zitting heeft de rechter gevraagd of het havenbedrijf het splitsingsreglement van “A” heeft ingezien. Dat bleek niet het geval te zijn. Daarom oordeelt het Gerecht dat dit verweer onvoldoende feitelijke onderbouwing heeft. Van het havenbedrijf had mogen worden verwacht dat zij aan de hand van het splitsingsreglement zou hebben uitgelegd op grond van welke bepaling zij dit ontvankelijkheidsverweer voert. Temeer nu het splitsingsreglement uiteraard opvraagbaar is bij het kadaster. Dit ontvankelijkheidsverweer treft dus geen doel.

4.10.

Tot slot voert het havenbedrijf als formeel verweer aan dat de vorderingen zich vooral lijken te richten tot het Land want het havenbedrijf beschikt niet over de bevoegdheden om gehoor te kunnen geven aan een eventueel toewijzend vonnis. Het Gerecht merkt dit verweer aan als materieel van aard en zal daarop later ingaan.

De inhoudelijke kant van de zaak

De vereniging tegen het Land

4.11.

Gesteld noch gebleken is dat er door het Land, althans de bevoegde Minister, een besluit is genomen om het bewuste strand aan te wijzen als tijdelijk parkeerterrein. Dit betekent dat de vereniging als direct belanghebbende bij deze aanwijzing geen gelegenheid heeft gekregen om hiertegen bezwaar te kunnen maken of in beroep te kunnen gaan bij de bestuursrechter. Uit de brief van 26 november 2015 van de Minister van VROMI aan de Ombudsman blijkt dat door de Minister is toegezegd om begin januari 2016 permanent te voorkomen dat auto’s op het strand rijden. Van dat voornemen is niets terecht gekomen en evenmin van de afspraken die mede namens de Minister van TEAT op 9 juli 2016 zijn gemaakt. Het voorlopig oordeel is dat de aanwijzing van het strand, en de voortzetting van het strand als parkeerplek ondanks toezegging daarmee te stoppen, een feitelijke handeling c.q. nalatigheid van de overheid is geweest.

4.12.

Het Gerecht overweegt dat uit de door de vereniging aangehaalde Beach Policy duidelijk blijkt dat stranden niet bedoeld zijn als parkeerterrein. Dat daarvan volgens de Beach Policy mag worden afgeweken moge zo zijn, maar omdat het Land geen formeel besluit heeft genomen om het strand als tijdelijk parkeerterrein aan te wijzen en evenmin een besluit heeft genomen waaruit volgt waarom en tot wanneer een uitzondering op de Beach Policy geldt, kan het Gerecht daarvan niet uitgaan. Uit de foto’s en de vele krantenberichten, alsmede uit de eigen waarnemingen van de rechter, is duidelijk dat het strand regelmatig en intensief als parkeerterrein wordt gebruikt. Dat gebeurt ook op het strand gelegen voor het appartementengebouw van A. Op zich terecht wordt door het Land opgemerkt dat het Land de eigenaar is van het strand en niet de vereniging, maar het is duidelijk dat door het parkeren in strijd met de Beach Policy hinder en overlast is ontstaan en in de toekomst zal blijven bestaan voor de vereniging, althans de appartementseigenaren.

4.13.

Door het Land wordt aangevoerd dat de vorderingen van de vereniging eigenlijk neerkomen op een verzoek tot handhaving. Het Land stelt dat de overheid zelf bepaalt waarvoor zij haar financiële middelen aanwendt en dat het niet aan de rechter is daarover te beslissen. Verder voert het Land aan dat de vereniging een verzoek tot handhaving aan politie en OM moet richten. Het Gerecht oordeelt dat deze verweren niet opgaan. Het Land heeft zelf de onderhavige ongewenste situatie gecreëerd door het strand als tijdelijke parkeerplek aan te wijzen, door niet aan te geven wanneer dit tijdelijke gebruik zou eindigen en door niet voldoende maatregelen te nemen om overlast te voorkomen. Daarom ziet het Gerecht de vorderingen van de vereniging niet als een verzoek tot handhaving maar als gericht op het beëindigen van een door het Land zelf gecreëerde onrechtmatige en schadetoebrengende handelingen vanaf een stuk strand dat haar eigendom is.

4.14.

Hiermee zijn de inhoudelijke verweren van algemene aard van het Land besproken. Het Gerecht is van oordeel dat het Land moet worden veroordeeld om te voorkomen dat auto’s op het strand kunnen parkeren. Dit zal als veroordeling in de beslissing in algemene zin worden opgenomen. Specifiek wordt het Land veroordeeld om de Schuine Steeg / Pompsteeg bij de strandtoegang af te sluiten, zodanig dat geen voertuigen vanuit die steeg naar het strand kunnen rijden. Door het Land wordt nog aangevoerd dat hulpvoertuigen het strand moeten kunnen bereiken. Het Gerecht merkt daarover op dat meerdere stegen in Philipsburg richting strand met betonnen barrières zijn afgesloten, zonder dat dit kennelijk door het Land als belemmerend wordt gezien voor hulpvoertuigen. Tot slot geldt dat hulpvoertuigen natuurlijk via de boardwalk, waarover regelmatig politieauto’s en andere auto’s van overheidsdiensten rijden, het strand kunnen bereiken.

4.15.

Het Land bepleit verder dat de uitvoerbaarheid bij voorraad aan dit vonnis wordt onthouden. De reden is dat hoger beroep zou moeten worden afgewacht, met name omdat het Gerecht in dit kort geding onvoldoende gelegenheid zou hebben om alle betrokken belangen mee te wegen en derden mogelijk schade zullen lijden door dit vonnis. Het Gerecht overweegt daarover in de eerste plaats dat aan het belangrijke middel van rechterlijke interventie in kort geding ernstig afbreuk zou worden gedaan als het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad zou kunnen worden verklaard. Dan zou het immers geen zin hebben om een kort geding aan te vangen. Verder geldt dat het Land niet aannemelijk maakt dat derden schade zouden kunnen ondervinden als het gebruik van het strand in overeenstemming wordt gebracht met het eigen beleid van het Land als beschreven in de Beach Policy. Tot slot geldt dat de vereniging terecht aan voert dat zij ook een derde is die schade ondervindt van het parkeerterrein op het strand. Zij verdient dus de rechtsbescherming die de kortgedingrechter moet bieden.

4.16.

Verder voert het Land aan dat geen dwangsommen moeten worden opgelegd, dan wel dat deze sterk moeten worden gematigd en gemaximeerd. Dit omdat het gevorderde gebod zeer ruim is en executieproblemen voor de hand liggen. Het Land staat er financieel slecht voor zodat het niet redelijk is om de belastingbetaler hiervoor op te laten draaien.

4.17.

Het Gerecht stelt voorop dat juist van de overheid mag worden verwacht dat zij rechterlijke uitspraken opvolgt zonder dat daarvoor de dreiging van dwangsommen nodig zou zijn. Helaas is het zo dat op Sint Maarten de overheid rechterlijke uitspraken, zelfs indien voorzien van dwangsommen, met enige regelmaat naast zich neerlegt. Daarmee manoeuvreert het Land het Gerecht zelf in de positie dat dwangsommen wèl moeten worden opgelegd zodat de rechtzoekende een machtsmiddel in handen krijgt om de overheid te dwingen rechterlijke uitspraken na te komen. Helaas is het Gerecht om die reden genoodzaakt een forse dwangsom, zij het gemaximeerd, zoals hieronder is vermeld, op te leggen. Verder zal het Land 30 dagen de tijd krijgen om te voldoen aan de veroordeling. In geval van executieproblemen kan het Land uiteraard het oordeel van de kortgedingrechter op grond van artikel 438 Rv vragen.

4.18.

Het Gerecht ziet geen aanleiding om de vereniging te machtigen om zelf de noodzakelijke maatregelen te treffen om het parkeren op het strand recht voor en direct naast het gebouw van de vereniging te stoppen en gestaakt te houden. Het is aan het Land om daarvoor, met inachtneming van deze uitspraak, te zorgen.

4.19.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt het Land in de proceskosten van de vereniging veroordeeld.

De vereniging tegen het havenbedrijf

4.20.

Het havenbedrijf voert enige verweren die door het Gerecht hiervoor, in de verhouding tussen de vereniging en het Land, reeds zijn beoordeeld. Daarom verwijst het Gerecht naar de overwegingen onder 4.11. tot en met 4.18.

4.21.

Door het havenbedrijf wordt aangevoerd dat het strand waarop wordt geparkeerd geen onderdeel van het strand is maar onderdeel van de openbare weg. Voor de volledigheid overweegt het Gerecht daarover dat door het havenbedrijf noch door het Land een besluit in het geding is gebracht waaruit volgt dat dit deel van het strand openbare weg is. Evenmin heeft het Gerecht kennis genomen van een besluit van de overheid waaruit volgt dat die eventuele openbare weg is aangewezen als parkeerterrein. Overigens ziet het gedeelte waarop geparkeerd wordt er niet uit als een parkeerterrein maar gewoon als een strand.

4.22.

Door de vereniging wordt niet dan wel onvoldoende betwist dat het havenbedrijf niet de eigenaar is van het strand waarop wordt geparkeerd. Één van haar dochtervennootschappen is erfpachter van de WPS. Daarom zegt het havenbedrijf dat zij met deze zaak niets te maken heeft. Het aanrijden van de auto’s gebeurt niet via percelen waarover het havenbedrijf zeggenschap heeft.

4.23.

Duidelijk is echter wel dat de reden van het parkeerterrein op het strand is gelegen in de opening van WPS en dat het havenbedrijf dus belang heeft bij het voortbestaan van het parkeerterrein op het strand omdat een alternatief niet voorhanden is. Mede in aanmerking genomen de afspraken die door de vereniging met het Land en het havenbedrijf zijn gemaakt, ziet het Gerecht aanleiding om ook het havenbedrijf te veroordelen om al het mogelijke te doen om te voorkomen dat auto’s van haar bezoekers, huurders of personeel op het strand parkeren. Vast staat, door eigen waarneming van de rechter, dat het havenbedrijf op WPS continu beschikt over beveiligingspersoneel dat daarvoor kan worden ingezet. Daarbij neemt het Gerecht in overweging dat het havenbedrijf als concessiehouder van het Land gehouden is, op grond van de Verordening Havenconcessies (artikel 6 lid 2 sub c), er voor te zorgen dat de wettelijke regels worden nagekomen. Daaronder valt het voorkomen van onrechtmatige hinder door auto’s van voormelde personen.

4.24.

Met het havenbedrijf is het Gerecht het wel eens dat deze veroordeling niet met dwangsommen kan worden gesanctioneerd. Daarvoor is deze veroordeling te ruim en leidt deze tot executieproblemen.

4.25.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt het havenbedrijf in de proceskosten van de vereniging veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht:

verklaart de vereniging in haar vorderingen tegen de Ministers niet-ontvankelijk,

veroordeelt de vereniging in de proceskosten, aan de zijde van de Ministers begroot op nihil,

veroordeelt het Land om binnen 30 dagen het rijden en parkeren met auto’s over en op het strand te voorkomen voor nu en in de toekomst, in het bijzonder door het afsluiten van Schuine Steeg / Pompsteeg bij de strandtoegang, zodanig dat via die steeg geen auto’s meer het strand op kunnen rijden,

bepaalt dat het Land een dwangsom van $ 1000 per dag verbeurt, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat het Land met de uitvoering van deze veroordeling in gebreke blijft en maximeert de totaal te verbeuren dwangsommen op $ 1.000.000,

veroordeelt het havenbedrijf om al het mogelijke te doen om te voorkomen dat auto’s van haar bezoekers, huurders of personeel op het strand parkeren,

veroordeelt het Land en het havenbedrijf in de proceskosten van de vereniging, aan de zijde van de vereniging begroot op NAf 593,00 aan oproepingskosten, NAf 450,00 aan griffierecht en op NAf. 1.000,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart de veroordelingen en de beslissing over de dwangsommen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 21 september 2018.