Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2017:5

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
AR 2015/72
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Burenrecht. Hinder veroorzaakt door de buurman vanaf een aan zijn perceel grenzend waterperceel dat niet zijn eigendom is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 7 februari 2017

Zaaknummer: AR 2015/72

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van Anguilla

[de vennootschap],

en

[A],

kantoorhoudende, respectievelijk wonende te Sint Maarten,

eisers,

gemachtigde: mr. S.J. Fox en mr. V.C. Choennie

tegen

[gedaagde],

wonende te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. W.J. Nelissen.

Partijen worden aangeduid als “[de vennootschap]”, “[A]” en “[gedaagde]”, tenzij hierna anders is vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 3 juni 2015,

  2. conclusie van antwoord met producties,

  3. conclusie van repliek met producties,

  4. conclusie van dupliek,

  5. tussenvonnis d.d. 9 augustus 2016.

1.2.

De op grond van het tussenvonnis bepaalde gerechtelijke plaatsopneming en comparitie hebben plaatsgevonden op 27 oktober 2016 in aanwezigheid van partijen en hun voormelde gemachtigden. Daarvan is geen proces-verbaal opgemaakt, zoals de rechter ter zitting heeft toegelicht. De rechter wilde weten hoe de feitelijke situatie in elkaar stak ten behoeve van de eigen oordeelsvorming. Partijen hebben de standpunten toegelicht en de rechter rondgeleid. De rechter heeft de gewraakte steiger in ogenschouw genomen. De bevindingen van de rechter worden in dit vonnis weergegeven.

1.3.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[de vennootschap] is eigenaresse van het perceel grond (meetbrief ../2000) in de Sardinie Yacht Club te Lowlands, Sint Maarten. De aankoop dateert van 1997. Een gedeelte van het perceel heeft [de vennootschap] door verkrijgende verjaring verkregen, blijkens een vonnis van dit Gerecht d.d. 10 februari 2015 (AR 16/2013). Op dit perceel staat een huis dat door [de vennootschap] als vakantiehuis wordt gebruikt. Dat huis wordt bewoond c.q. gebruikt door [A], althans bewoond door personen die [de vennootschap] daarin toelaat. [A] is een van de bestuurders van [de vennootschap]. Parallel aan het perceel van [de vennootschap] is een steiger op hoge palen, die op de bodem van de Simpson Bay Lagoon rusten, aangelegd.

2.2.

Op 13 februari 2014 heeft [gedaagde] het direct aan dat van [de vennootschap] grenzende perceel met meetbrief ../2000 in eigendom verkregen. [gedaagde] heeft, op basis van een vonnis van dit Gerecht d.d. 10 maart 2015 (AR 145/2014), een gedeelte van dit perceel door verkrijgende verjaring in eigendom verworven. Op dit perceel staat een huis. Dat wordt bewoond door [gedaagde].

2.3.

[gedaagde] heeft in de Simpson Bay Lagoon haaks vanaf zijn perceel een lange steiger met drie zijvakken gebouwd. Daartoe zijn de nodige palen in de bodem van de lagune aangebracht. Totaal biedt de steiger plaats aan minimaal vijf aanlegplaatsen voor flinke motor- of zeiljachten. De eigendom van dit gedeelte van de Simpson Bay Lagoon berust bij het Land Sint Maarten (hierna: het Land). Voor de aanleg van deze steiger is geen toestemming van het Land gevraagd en evenmin verkregen, hetgeen door de het Ministerie van Vromi bij brief aan mr. Fox van 21 mei 2015 is bevestigd.

2.4.

Voorafgaande aan de bouw van deze steiger door [gedaagde] is tussen partijen hierover geen overleg geweest.

2.5.

De door [gedaagde] gebouwde steiger grenst nergens aan het perceel van [de vennootschap]. Het grenst uitsluitend aan het perceel van [gedaagde].

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de volgende beslissingen neemt:

  1. “[gedaagde] te verbieden om binnen 48 uren na het te wijzen vonnis de genoemde pier te verwijderen en/of af te breken en verwijderd en afgebroken te houden;

  2. [gedaagde] te verbieden om op enige wijze handel te drijven vanuit of vanaf de Sardinie Yacht Club;

  3. [gedaagde] te veroordelen tot een boetebedrag van US$ 1000,-- m per dag of dagdeel bij het verzuim van genoemde boden te voldoen.

  4. Kosten rechtens.”

3.2.

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van eisers in hun vorderingen, dan wel dat deze hun zullen worden ontzegd, met hoofdelijke veroordeling van eisers in de proceskosten, zulks bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.

3.3.

Op de argumenten van partijen zal het Gerecht hierna ingaan, voor zover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Het Gerecht heeft hiervoor vastgesteld dat de steiger van [gedaagde] in de Simpson Bay Lagoon is gebouwd, behoudens wellicht een klein gedeelte dat nog op het perceel van [gedaagde] is gelegen. De steiger is met palen in de bodem van de lagune verankerd. Het Gerecht stelt dus vast dat het Land, als eigenaar van de lagunebodem, door natrekking eigenaar is geworden van de steiger.

4.2.

Overwogen wordt dat dit geen belemmering is voor de eventuele toewijzing van de vordering uit onrechtmatige daad die door eisers wordt ingesteld. De buurman kan immers hinder veroorzaken die onrechtmatig is door gebruikmaking van een aan zijn eigen perceel grenzend stuk grond of water dat toebehoort aan een ander. Bovendien heeft [gedaagde] de steiger zonder enig protest van het Land gebouwd zodat valt aan te nemen dat hij deze zo nodig ook weer zonder toestemming mag afbreken. [gedaagde] voert overigens niet aan dat hij voor een gebod tot afbraak een sloopvergunning van het Land zou benodigen.

4.3.

Door [gedaagde] wordt gesteld dat eisers geen belang zouden hebben bij de onderhavige vorderingen. Hij stelt dat [A] niet in het huis woont en dus geen belang heeft bij de ingestelde vorderingen. Bij repliek stellen eisers dat [A] de “begunstigde van [de vennootschap]” is en regelmatig in het huis verblijft. Hij is dus de “fysieke eigenaar”.

4.4.

Het Gerecht overweegt hierover dat het niet begrijpt om welke reden [A] als mede-eiser optreedt. [A] is een van de directeuren van [de vennootschap] en dus niet de eigenaar van het perceel. Dat hij geregeld in het huis op het perceel woont betekent nog niet dat hij belanghebbende bij de ingestelde vorderingen is. Als hij dat per se zou hebben gewild dan had hij de eigendom van het perceel moeten verwerven en niet [de vennootschap]. Bovendien stelt [A] zèlf bij repliek (bladzijde 3): “[de vennootschap] heeft het onroerend goed gekocht nu juist met het doel om haar begunstigden en haar bestuursleden woongenot te verschaffen.” Dit betekent dat [A] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.5.

Anders dan [gedaagde] aanvoert heeft [de vennootschap] wel voldoende belang bij de ingestelde vorderingen. Haar stelling is immers dat het aan haar in eigendom toebehorende perceel hinder ondervindt van de door [gedaagde] aangelegde steiger; bestaande uit verminderd woongenot van de bewoners die [de vennootschap] op het perceel toelaat.

4.6.

De hinder die de steiger veroorzaakt wordt door [de vennootschap], kort en zakelijk weergegeven, als volgt omschreven. Verzoekschrift onder 6: “Immers de pier ligt pal voor zijn woonhuis. Het voortdurende aan en afmeren van boten leidt tot geluids- en stankoverlast. Door de positie van de bouw van de pier heeft [de vennootschap] zelf nauwelijks toegang tot zijn bootslip aan de voorkant van zijn perceel. De bootslips geven slechts de mogelijkheid tot het aanmeren van een enkele persoonlijke boot aan de voorkant van de percelen. De aangemeerde boten nemen overigens het ongestoorde uitzicht aan [de vennootschap].” Bij repliek op bladzijde 7: “….dat er een betonnen kolos aan de voorkant van zijn perceel aan het water is gebouwd. Deze constructie en de boten die daar worden aangemeerd, blokkeren zijn uitzicht. Het wegvaren van de boten leidt tot stank en geluidsoverlast …”

4.7.

Het Gerecht zal deze stellingen bespreken aan de hand van de waarnemingen van de rechter tijdens de descente:

  1. het is niet zo dat de steiger pal voor het perceel van [de vennootschap] ligt. De steiger ligt uitsluitend in het verlengde van het perceel van [gedaagde];

  2. voor het Gerecht staat vast, alhoewel de rechter dat tijdens de descente niet heeft kunnen waarnemen omdat er toen maar één boot was afgemeerd, dat het aan- en afmeren van meer dan twee boten van behoorlijke afmetingen aan de steiger leidt tot geluids- en stankoverlast voor [de vennootschap];

  3. de door [gedaagde] aangelegde steiger belemmert de toegang tot de aanlegplaats van [de vennootschap] niet;

  4. ten tijde van de descente lag er één boot. Het is ontegenzeggelijk waar dat de steiger en een enkele boot, en zeker als er vijf boten liggen, het vrije uitzicht over de lagune vanaf het perceel van [de vennootschap] belemmeren. Uit de rechterlijke waarneming is ook duidelijk geworden, zoals [A] aanvoerde bij de descente, dat hij inkijk heeft vanaf de steiger en de aangelegde boten en dat hij daardoor inbreuk op zijn privacy ervaart als bewoners zich op het terras of in het zwembad van [de vennootschap] bevinden;

  5. de term “betonnen kolos” komt zeker in de buurt van wat de rechter heeft waargenomen. Het is een hele grote steiger die orkaanbestendig is en groter is dan de andere steigers in de buurt. Door die steiger ontstaat het reële beeld dat het perceel van [de vennootschap] en zijn uitzicht op de lagune aan een kant stevig wordt afgepaald en ingeperkt. De zichtlijnen vanaf het perceel van [de vennootschap] zijn tot een heel eind de lagune in onderbroken.

4.8.

Door [de vennootschap] wordt aangevoerd dat [gedaagde] een charterbedrijf voor boten exploiteert en dat hij daarvoor de steiger nodig heeft. Ter descente werd dit door de rechter aan [gedaagde] gevraagd. Hij ontkende dit en zei dat hij de steiger nodig had voor zijn hobby, te weten boten. De discussie of sprake is van een charterbedrijf of niet acht het Gerecht niet zo relevant. Het gaat erom dat er vijf ligplaatsen zijn en die zal [gedaagde], in het kader van hobby of bedrijf, heus gebruiken omdat hij anders een dergelijke grote steiger niet zou hebben gebouwd.

4.9.

De door het Gerecht toe te passen norm luidt als volgt. De eigenaar van een erf staat het in principe vrij dit naar eigen goeddunken te gebruiken, mits dit niet in strijd komt met de rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel het recht heeft zijn percelen aan te wenden zoals hem goeddunkt, door daarvan gebruik te maken door een steiger aan te leggen en boten aan te te meren. Dat recht wordt echter wel begrensd in die zin dat [gedaagde] anderen, zoals [de vennootschap], geen onrechtmatige hinder mag toebrengen in een mate of een wijze die onrechtmatig is. Dit betekent dat op [gedaagde] een zorgplicht rust inhoudende dat hij ervoor dient te zorgen dat vanaf de waterpercelen geen geluids-, stankoverlast, inbreuk op privacy, onnodige beperking van uitzicht wordt veroorzaakt. De vraag of hiervan sprake is hangt af van de ernst en de duur ervan en de daardoor veroorzaakte schade, bezien in verband met alle andere omstandigheden van het geval, zoals de plaatselijke omstandigheden (zie Gerechtshof Den Bosch, 21 februari 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012: BV6904).

4.10.

Bij de toepassing van deze norm zal het Gerecht voor deze zaak [gedaagde] beschouwen als eigenaar van het gedeelte van de lagune dat hij ten behoeve van zijn steiger zich heeft toegeëigend en waarop hij, door deze steiger te bouwen en te gebruiken, bezitsdaden als ware hij eigenaar verricht.

4.11.

Het Gerecht is van oordeel dat de bouw van de steiger onrechtmatig is jegens [de vennootschap] om de redenen die hiervoor onder 2, 4 en 5 zijn genoemd. Vast staat dat er sprake is van geluids- en stankoverlast indien de steiger wordt gebruikt voor haar doel: te weten het aanmeren en vertrekken van tamelijk grote speedboten. Verder is het uitzicht van [de vennootschap] over de lagune zeer beperkt door de steiger. Van links af gezien is er bepaald geen ongestoord uitzicht meer en inderdaad is het zo dat opvarenden en personen op de steiger van [gedaagde] het terras en het zwembad van [de vennootschap] goed kunnen waarnemen, hetgeen een privacy inbreuk oplevert die vóór de bouw van de steiger niet mogelijk was. Tot slot geldt dat, gezien de feitelijke situatie van aan elkaar grenzende woonhuizen met aanlegplaatsen voor boten, het perceel van [de vennootschap] door de enorme steiger van [gedaagde] veel minder ruim oogt.

4.12.

Door de bouw van de steiger heeft [de vennootschap] dus schade ondervonden. Deze schade moet, wat [de vennootschap] betreft, ongedaan worden gemaakt door de steiger af te breken. Het Gerecht zal deze vordering beperkt toewijzen. Een gedeelte van de steiger dient te worden afgebroken. [gedaagde] heeft immers wel het recht om een of twee boten te mogen aanmeren bij zijn perceel. Dit betekent dat de steiger moet worden afgebroken, zodanig dat enkel de twee boxen links vanaf het perceel van [gedaagde] gezien over blijven. Het haakse gedeelte van de steiger voorbij de tweede box moet worden afgebroken en dus ook het parallelle gedeelte.

4.13.

Het Gerecht zal [gedaagde] niet verbieden om handel te drijven vanaf de steiger. Wel wordt het hem verboden om meer dan twee boten tegelijk aan te meren.

4.14.

Het gebod tot afbraak en verbod tot het afmeren van meer dan twee boten tegelijk zal worden voorzien van dwangsommen, die worden gemaximeerd zoals hieronder is vermeld.

4.15.

[gedaagde] bepleit dat het Gerecht de uitvoerbaarheid bij voorraad aan de veroordeling tot afbraak zal onthouden vanwege de onomkeerbaarheid van deze maatregel. [de vennootschap] verzet zich hiertegen met een verwijzing naar het onrechtmatig handelen van [gedaagde]. Het Gerecht zal de afbraakverplichting niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren vanwege deze onomkeerbaarheid en de mogelijkheid van het ontstaan van schade als in hoger beroep anders wordt gedacht over deze zaak.

4.16.

De overige argumenten van partijen behoeven geen bespreking meer.

4.17.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagde] in de proceskosten van [de vennootschap] te worden veroordeeld, zoals hieronder is vermeld. [A] dient te worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde].

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

1. verklaart [A] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk en veroordeelt hem in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil,

2. veroordeelt [gedaagde] tot afbraak van de steiger zodanig dat enkel de twee boxen links vanaf het perceel gezien over blijven, het haakse gedeelte van de steiger voorbij de tweede box moet worden afgebroken en dus ook het parallelle gedeelte en bepaalt dat [gedaagde] dwangsommen verbeurt van USD 1.000,00 per dag, indien hij daarmee in gebreke is, ingaande vijf werkdagen nadat dit vonnis kracht van gewijsde heeft en maximeert de dwangsommen op USD 100.000,00,

3. veroordeelt [gedaagde] tot het aanleggen van maximaal twee boten tegelijkertijd aan de steiger en bepaalt dat [gedaagde] dwangsommen verbeurt van USD 1.000,00 per overtreding en maximeert de dwangsommen op USD 100.000,00,

4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [de vennootschap] begroot op NAf 296,50 aan oproepingskosten, NAf 450,00 aan griffierecht en NAf 3.750,00 aan salaris gemachtigde,

5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de veroordelingen onder 3 en 4,

6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.