Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2017:42

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
KG 2017/76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding. Opheffing conservatoir beslag. Spoedeisend belang. Stelplicht. Verdachte betalingen met pinautomaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 28 juli 2017

Zaaknummer: KG 2017/76

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[de beslagene],

wonende te Sint Maarten,

eiser,

gemachtigde: mr. C. Merx,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht [de Bank],

mede gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P. Soons.

Partijen worden aangeduid respectievelijk met “[de beslagene]” en “de Bank”, tenzij hierna anders is vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 16 juni 2017,

  2. conclusie van antwoord met producties d.d. 19 juli 2017,

  3. brief van 20 juli 2017 met producties,

  4. pleitnota van mr. M. Merx,

  5. pleitnota van mr. P. Soons.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 21 juli 2017 in aanwezigheid van [de beslagene], de heer D. ………, Country Manager namens de Bank en beide voormelde gemachtigden. Partijen hebben de standpunten toegelicht. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. [

de beslagene] is cliënt van de Bank. Op 23 mei 2017 heeft het Gerecht aan de Bank verlof verleend om beslag onder zichzelf te leggen, te weten op de bankrekening van [de beslagene]. Dit beslag is op 6 juni 2017 gelegd en op dezelfde datum overbetekend aan [de beslagene]. De eis in de hoofdzaak is ingesteld op 26 juni 2017 bij dit Gerecht.

2.2.

Het beslag heeft doel getroffen. Op deze bankrekening stond een bedrag van rond de USD 90.000,00. Deze fondsen waren op de bankrekening van [de beslagene]gestort door [A] op 3 april 2017. Deze vennootschap bedient zich van handelsnamen waarin de woorden “[AA]” voorkomen.

2.3. [

de beslagene] heeft op 3 april 2017 een factuur met nummer 00001 gezonden aan “[AA], Attn: Mr. …….” voor USD 90.000,00 wegens een voorschot op de commissie van 25% voor zijn bemiddeling bij de verkoop van drie boten van [A]. De verkoopprijs was USD 675.000,00 en de commissie in totaal dus USD 168.750,00. Op of kort na 3 april 2017 heeft de Bank de rekening van [de beslagene] geblokkeerd.

2.4. [

A] is ook cliënt van de Bank. Van de Bank heeft [A] een POS-automaat (zeg maar: pinautomaat) ter beschikking gekregen.

2.5.

Met gebruikmaking van de debetcard van ene H. [B] (ingezetene van Kosovo) is betaling ten behoeve van de aankoop van de drie boten geschied. Gedurende de periode 22 maart tot en met 6 april 2017 is deze debetcard 44 keer “door het pinautomaat gehaald”. Totaal is er hierdoor USD 877.834,93 betaald aan [A].

2.6.

De Bank is daarna geconfronteerd met zogenaamde Chargeback requests. Kort gezegd komt dit erop neer dat de betalende bank heeft doorgegeven aan de Bank dat er geen autorisatie was voor de 44 afschrijvingen. De van de rekening van [B] naar de rekening van [A] afgeschreven betalingen moeten door de Bank worden terugbetaald aan de bank van [B]. Ingevolge internationale bankafspraken moet de Bank hieraan gevolg geven en de Bank stelt dat zij USD 276.572,89 schade heeft ondervonden omdat de rekening van [A] tot dit bedrag onvoldoende saldo had voor deze terugboekingen.

2.7.

De Bank houdt [de beslagene] mede aansprakelijk voor de door haar ondervonden schade.

2.8.

De Bank heeft tegen [de beslagene] strafrechtelijke aangifte gedaan.

3 Het geschil

3.1. [

de beslagene] vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de volgende beslissingen neemt:

I. “het gelegde conservatoire beslag op de bankrekening van verzoeker op te heffen, althans gedaagde te bevelen dit beslag binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te heffen, zulks op straffe van verbeurte aan verzoekers van een dwangsom van USD 5.000,- per dag, een gedeelte van een dag tot een gehele dag gerekend, dat gedaagde dit bevel niet mocht nakomen;

II. Gedaagde te verbieden wederom beslag te leggen ten laste van verzoeker [de beslagene] en/of [A] en/of [A] voor de door gedaagde in deze gepretendeerde vordering, totdat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de bodemzaak deze vordering mocht zijn vastgesteld, zulks op straffe van verbeurte aan verzoekers van een dwangsom van USD 5.000,- per dag, een gedeelte van een dag tot een gehele dag gerekend, dat gedaagde dit bevel niet mocht nakomen;

III. Gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, een en ander te voldoen binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn, deze (na)kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum verzuim tot de dag der algehele voldoening.”

3.2.

De Bank concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [de beslagene] in zijn vorderingen, dan wel dat deze aan hem zullen worden ontzegd, met, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeling van [de beslagene] in de proceskosten.

3.3.

Op de argumenten van partijen zal het Gerecht hierna ingaan, voor zover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Anders dan de Bank bepleit is voor opheffing van een conservatoir beslag in kort geding geen spoedeisendheid vereist. De reden daarvoor is dat het verlenen van het beslagverlof zonder hoor en wederhoor plaatsvindt. De beslagene dient zich daarom zonder enig beletsel tot de kort gedingrechter te kunnen wenden, zodat alsnog hoor en wederhoor plaatsvindt.

4.2.

Op grond van artikel 705 lid 2 Rv kan de rechter het beslag onder meer opheffen indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht is gebleken. [de beslagene] stelt dat daarvan sprake is.

4.3.

De Bank stelt daartegenover dat [de beslagene] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door de voormelde transactie (de verkoop van de drie boten) te faciliteren als “makelaar” of “sales agent”. Hierdoor heeft zij een vordering op [de beslagene] wegens schadevergoeding. Kort en zakelijk weergegeven licht de Bank dit als volgt toe. Directeur … van [A] heeft verklaard dat [de beslagene] de debetcard van [B] op zak zou hebben. [de beslagene] heeft de debetcard vervolgens 44 keer gebruikt. Hoe [de beslagene] aan de debetcard is gekomen wordt echter niet duidelijk en evenmin of [B] toestemming heeft gegeven voor het gebruik van de debetcard. Ook is niet duidelijk waarom met de debetcard van [B] de koopsom werd betaald terwijl de koper ene [D] zou zijn. [de beslagene], uitgenodigd voor gesprekken met de Bank, heeft hierover geen duidelijkheid kunnen geven, evenmin over de vraag waarom er meer dan twee ton boven de koopprijs is gepind en ook heeft hij geweigerd de contactgegevens van [B] aan de Bank door te geven. Verder geldt dat een dergelijke koopsom niet per pinpas wordt betaald maar normaliter via een bankoverschrijving. De Bank wijst er verder op dat [de beslagene] in dienst was van makelaarskantoor [C] op Sint Maarten en dat zijn werkgever niets wist van de opgestelde commissiefactuur en dat het dienstverband op initiatief van [C] vanwege deze factuur is geëindigd. Het komt erop neer dat [de beslagene] het er mede toe heeft geleid dat de rekening van [A] bij de Bank door de pinbetalingen is gedebiteerd en dat de Bank, ondanks haar verrekeningen met [A] vanwege de charge backs, met een verlies blijft zitten, aldus de Bank.

4.4.

Het Gerecht overweegt het volgende. In het verzoekschrift en in de pleitnota van [de beslagene] worden letterlijk tientallen vragen gesteld aan de Bank wegens allerlei vermeende onduidelijkheden in het betoog in het beslagrekest en in de conclusie van antwoord van de Bank. Terecht echter voert de Bank aan dat de stelplicht in dit kort geding rust op [de beslagene] als eiser en dat hij tegenover het hiervoor weergegeven inhoudelijke verweer van de Bank aannemelijk moet maken dat diens vordering ondeugdelijk is. Het Gerecht mist het inhoudelijke verhaal van [de beslagene], ondanks overigens dat het Gerecht [de beslagene] ter zitting de gelegenheid heeft gegeven, na het uitvoerige betoog van zijn advocaat, zelf zijn standpunt te verwoorden.

4.5.

Zo wordt door [de beslagene] niet dan wel onvoldoende betwist dat hij de debetcard in voormelde periode zo intensief heeft gebruikt, zodat het Gerecht daarvan uit moet gaan. Hij legt niet uit waarom met een debetcard is betaald en niet via een gewone bankoverschrijving. Evenmin legt hij uit waarom er ruim 2 ton te veel (boven de overeengekomen koopprijs) is gepind, waarom gebruik werd gemaakt van de debetcard van [B] terwijl [D] de koper zou zijn, waarom zijn werkgever van zijn commissiefactuur niet wist en of het inderdaad klopt, zoals de Bank ook nog aanvoert, dat een van de verkochte drie boten allang niet meer eigendom was van [A].

4.6.

Het Gerecht oordeelt dat in dit kort geding, door onvoldoende betwisting, voorlopig is komen vast te staan dat [de beslagene] mede heeft bewerkstelligd dat [A] jegens de Bank toerekenbaar tekort is geschoten door te faciliteren dat er vele pinbetalingen zijn gedaan, die de Bank moest terugstorten na ontvangst van de Charge Back verzoeken, waardoor de Bank schade van per saldo USD 276.572,89 heeft ondervonden. Hierdoor heeft [de beslagene] onrechtmatig jegens de Bank gehandeld. Dit betekent dat de vordering van Bank summierlijk vaststaat. Een belangenafweging kan hieraan niet afdoen, nu gebleken is dat kort voor de beslaglegging [de beslagene] nog circa USD 10.000,00 heeft weten op te nemen van zijn bankrekening, zijn echtgenote een inkomen uit dienstbetrekking heeft maar, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, vooral omdat de Bank er alle belang bij heeft het beslag te handhaven.

4.7.

Als in het ongelijk gestelde partij dient [de beslagene] in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

rechtdoende in kort geding:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [de beslagene] in de proceskosten, aan de zijde van de Bank begroot op nihil aan verschotten en op NAf 1.500,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.