Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2017:40

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
AR 2015/160
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Schadestaat procedure. Causaal verband. Toerekening. Eigen schuld. Omvang van de schade. Matiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 18 juli 2017

Zaaknummer: AR 2015/160

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis

in de zaak van

[de cliënt],

wonende te Sint Maarten,

eiser,

gemachtigde: mr. J.G. Snow

tegen

[advocaat 1],

wonende te Sint Maarten,

gedaagde sub 1,

gemachtigde: mr. A.A. Kraaijeveld

en

[advocaat 2]

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagde sub 2,

tegen wie verstek is verleend.

Partijen worden hierna aangeduid als “[de cliënt]”, “[advocaat 1] ” en “[advocaat 2]”, tenzij hierna anders is vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d.17 november 2015,

  2. conclusie van antwoord met productie,

  3. akte rectificatie van [advocaat 1] ,

  4. akte rectificatie van [de cliënt],

  5. conclusie van repliek met producties,

  6. conclusie van dupliek.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis in hoger beroep van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gemeenschappelijk Hof) d.d. 17 april 2015 (51003 – H 271/11 en AR 309/05, H176/08) is onder andere het volgende beslist:

“verklaart voor recht dat [advocaat 2] en [advocaat 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [de cliënt] als gevolg van de fout van [advocaat 2] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet”.

2.2.

Tegen dit vonnis is geen beroep in cassatie ingesteld zodat dit in kracht van gewijsde is gegaan.

2.3.

Blijkens dit vonnis en de daaraan voorafgaande uitspraken van het Hof en dit Gerecht is de aansprakelijkheid van [advocaat 2] komen vast te staan omdat [advocaat 2] als advocaat van [de cliënt] hem ervan op de hoogte had moeten stellen dat de zaak tussen [de cliënt] als gedaagde en [A] weer op de rol van dit Gerecht was geplaatst. Ook had hij [de cliënt] ervan moeten verwittigen dat hij het Gerecht had bericht dat hij niet meer als gemachtigde van [de cliënt] optrad. Verder had het op zijn weg gelegen om [de cliënt] op de hoogte te brengen van het op 22 april 2003 (AR 1995/416) gewezen vonnis waarin is vermeld dat mr. [advocaat 2] was gedesisteerd als zijn gemachtigde. In dat vonnis is beslist dat de tegen [de cliënt] ingestelde vordering aan [A] wordt toegewezen wegens gebrek aan verweer en wordt [de cliënt] veroordeeld tot betaling van USD 262.500,00 plus vertragingsrente vanaf 22 augustus 1995 aan [A]. [advocaat 2] heeft aldus niet gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan.

2.4.

Wat betreft [advocaat 1] is de dragende overweging van het Gemeenschappelijk Hof in het voormelde vonnis d.d. 17 april 2015 dat [advocaat 2] jegens [advocaat 1] in een relatie van ondergeschiktheid stond in de zin van artikel 6:170 BW. Het Gemeenschappelijk Hof heeft overwogen dat aan de andere vereisten van artikel 6:170 lid 1 BW is voldaan zodat [advocaat 1] aansprakelijk is voor de aan [de cliënt], door de fout van [advocaat 2], toegebrachte schade.

2.5.

Tegen het voormelde vonnis d.d. 22 april 2003 tussen [A] als eiseres en [de cliënt] als gedaagde is geen hoger beroep ingesteld zodat dit in kracht van gewijsde is gegaan.

2.6.

Bij dienstbrief van 25 april 2003 bericht dit Gerecht aan [de cliënt] dat op 22 april 2003 vonnis is gewezen en wordt een kopie van dit vonnis meegestuurd.

2.7.

Op 4 april 2008 is een notariële akte verleden die namens of door de volgende personen is ondertekend: [de cliënt], zijn echtgenote, ………. (de nieuwe statutaire naam van [A]) en ene [B]. De considerans luidt als volgt:

“WHEREAS, pursuant to a settlement agreement, prior to an intended foreclosure and public auction Sidney ([de client], GEA), has agreed as full and final settlement for certain disputes between him and [A], to transfer and convey all his rights, interest and title (half undivided part and portion) to the registered property to be described hereinafter to [A];

WHERAS, subsequently [C] (echtgenote van [de client], GEA) has agreed to sell and transfer to [A], and [A] has agreed to purchase and accept all her rights, interest and title (half undivided part and portion) to the registered property to be described hereinafter, such in consideration of the sum of (…) (US$.250.000,00);

WHEREAS, [A] has proceeded to resell all and any of its rights, interest and title (more in particular [A]’s claim to conveyance of title to the said property) to and into the registered property to be described hereinafter to the buyer ([B], GEA), and buyer has purchased the said property from [A], such in consideration of the sum of (…) (US$.300.000);”

3 Het geschil

3.1.

[de cliënt] vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

“…. gedaagden hoofdelijk, zo de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de cliënt] te vergoeden c.q. te betalen een schade bedrag van US$ 250.000,--, althans een schadebedrag door U E.A. in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2008, althans een datum door U E.A. in goede justitie te bepalen, tot aan de dag der algehele voldoening en gedaagden voorts eveneens hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, de griffierechten daaronder begrepen.”

3.2.

[advocaat 1] concludeert als volgt:

“I de vorderingen van [de cliënt] voor de vergoeding van schade van een bedrag van US$ 250.000,-, af te wijzen, althans te matigen tot nihil, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag;

II [de cliënt] te veroordelen in de kosten van de procedure, onder uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de proceskostenveroordeling.”

3.3.

Op de argumenten van partijen zal het Gerecht hierna ingaan, voor zover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

Deze procedure heeft als onderwerp de vraag of [advocaat 1] en [advocaat 2] gehouden zijn aan [de cliënt] schade te vergoeden als gevolg van de beroepsfout van [advocaat 2] waarvoor [advocaat 1] op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is. Tegen [advocaat 2] is verstek verleend. Door [advocaat 1] wordt een groot aantal verweren gevoerd waarop het Gerecht als volgt ingaat.

Formeel verweer 1 – “geen veroordeling tot vergoeden van schade”

4.2.

[advocaat 1] voert onder 8 van de conclusie van antwoord aan dat het Gemeenschappelijk Hof een verklaring voor recht heeft gegeven, doch geen veroordeling tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 612 Rv. [de cliënt] moet eerst een condemnatoir vonnis zien te krijgen. Aldus moet [de cliënt] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Een en ander wordt door [de cliënt] bestreden en bij akte tot rectificatie verzoekt hij het Gerecht, waar nodig, om zijn verzoekschrift tevens als een regulier verzoekschrift op grond van onrechtmatige daad te beschouwen.

4.3.

Het Gerecht overweegt het volgende. Uit het procesdebat in eerste aanleg en in hoger beroep is het voor het Gerecht helder geworden dat partijen voluit hebben geprocedeerd over de aansprakelijkheid van [advocaat 1]. Het klopt dat [de cliënt] geen veroordeling van [advocaat 1] heeft gevraagd tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de wet (artikel 612 Rv). Hij heeft uitsluitend om de verklaring voor recht gevraagd.

4.4.

Die verklaring voor recht, zoals uitgesproken door het Gemeenschappelijk Hof, laat echter geen ruimte voor enig misverstand. [advocaat 1] is hoofdelijk mede-aansprakelijk voor de door [de cliënt] als gevolg van de fout van [advocaat 2] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het Gerecht ziet niet in welk procesbelang hij is geschaad, temeer nu [advocaat 1] dit niet althans onvoldoende uitlegt en het Gemeenschappelijk Hof in zijn tussenvonnis d.d. 4 oktober 2013 er ook vanuit gaat dat een schadestaat procedure na zijn eindvonnis zal moeten volgen. Zie onder 2.7. van dit tussenvonnis: “(…) Dit betoog miskent evenwel dat voor veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, wat betreft het element schade, niet meer is vereist dan dat de mogelijkheid van schade als gevolg van onrechtmatige daad aannemelijk is.” Als [advocaat 1] het daarmee niet eens was dan had hij het Gemeenschappelijk Hof op de onjuistheid van deze overweging kunnen wijzen.

4.5.

Aan [advocaat 1] kan worden toegegeven dat niet naar de letter van de wet is gehandeld door [de cliënt]. Het procesdebat over de aansprakelijkheid is niettemin voltooid. Aldus is hier materieel sprake van een schadestaat procedure, alhoewel blijkens het verzoekschrift [de cliënt] die niet als zodanig aanduidt. Dus gaat het Gerecht voorbij aan de akte van rectificatie van [de cliënt]. Aldus, zo overweegt het Gerecht ten overvloede, behoeft het Gerecht niet in te gaan op het processuele bezwaar van [advocaat 1] tegen de akte tot rectificatie.

Formeel verweer 2 – “geen (betekende) schadestaat”

4.6.

Onder 12. van de conclusie van antwoord stelt [advocaat 1] dat [de cliënt] geen gespecificeerde opgave heeft laten “betekenen” bij [advocaat 1]. Een schadestaat is ook niet aan het verzoekschrift gehecht. Ook dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van [de cliënt] in zijn vorderingen.

4.7.

Het Gerecht overweegt het volgende. Uit het verzoekschrift en de bijlagen is voldoende duidelijk welk bedrag [de cliënt] van [advocaat 1] vordert en welke gronden hij daartoe aanvoert. Er is geen goede reden om een schadestaat te vergen als uit het verzoek duidelijk wordt welk bedrag wordt gevorderd en welke argumenten daaraan ten grondslag worden gelegd. In dat verband geldt dat door [de cliënt] de nodige bewijsstukken aan het verzoekschrift zijn gehecht. Nu uit de inhoudelijke stellingen van [advocaat 1] blijkt dat hij zich inhoudelijk weet te verweren tegen het gevorderde schadebedrag is het Gerecht van oordeel dat [advocaat 1] niet in enig processueel belang is geschaad. Ook dit formele verweer faalt.

Inleiding op de materiële discussie

4.8.

Om de stellingen van partijen inhoudelijk te kunnen beoordelen, en de verweren van [advocaat 1] te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk om in te gaan op de rechtsverhouding tussen [A] en [de cliënt] en het verloop van de procedure die eindigde met het vonnis van 22 april 2003. Daarom geeft het Gerecht hier weer waar het, zakelijk samengevat, om gaat. [A] heeft op 2 augustus 1995 bij dit Gerecht een “Verzoekschrift van waardeverklaring gelegd conservatoir beslag onroerend goed” ingediend, na verkregen verlof van dit Gerecht om ten laste van [de cliënt] beslag te leggen op een aan hem in eigendom toebehorende onroerende zaak op Sint Maarten. Blijkens dit verzoekschrift verwijt [A] [de cliënt] dat hij op 25 januari 1991 conservatoir beslag heeft doen leggen op roerende zaken (voertuigen en bouwmaterieel), dat dit beslag nooit van waarde is verklaard en dat [de cliënt] dan wel de door hem aangestelde bewaarder (………..) de beslagen zaken heeft verwaarloosd waardoor deze in het ongerede zijn geraakt. Daardoor heeft [A] een door een deskundige vastgestelde schade geleden van USD 201.000,00 die zij van [de cliënt] in de voormelde procedure heeft gevorderd. Omdat er geen verweer is gevoerd heeft het Gerecht het door [A] gevorderde bedrag van USD 262.500,00 plus rente toegewezen. Bij dienstbrief van 25 april 2003 is dit vonnis door het Gerecht aan [de cliënt] toegezonden. Tegen het vonnis is geen hoger beroep ingesteld door [de cliënt]. Uiteindelijk heeft [de cliënt] de zaak met [A] geschikt (zie de onder 2.7. vermelde notariële akte), maar de hierdoor geleden schade dient door [advocaat 2] en [advocaat 1] te worden vergoed.

De stellingen van [de cliënt] betreffende de gevorderde schade

4.9.

Kort en zakelijk weergegeven voert [de cliënt] het volgende aan. Door de vaststaande beroepsfout van [advocaat 2] is het volgende fout gegaan in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 22 april 2003:

  1. het Gerecht heeft USD 262.500,00 toegewezen aan [A]. Dat is sowieso te veel omdat daar in de 30% opslag zit op grond van de begroting van de beslagrechter in het beslagrekest;

  2. de hoofdsom had door het Gerecht evenmin mogen worden toegewezen aan [A] omdat de op 25 januari 1991 door hem beslagen zaken niet in eigendom aan [A] toebehoorden en dat heeft mr. Verzijl [advocaat] namens [A] aan het kantoor van [advocaat 1] bij brief van 6 februari 1991 duidelijk gemaakt. [de cliënt] brengt documentatie in het geding waaruit blijkt dat derden daarvan de eigenaar zijn;

  3. er had geen schadevergoeding mogen worden toegewezen omdat daarvoor enkel een onbetrouwbaar deskundigenrapport in het geding is gebracht;

  4. er is tussen [A] en [de cliënt] nooit een rente van 15% per jaar overeengekomen zodat dit ook niet door het Gerecht toegewezen had mogen worden;

  5. [de cliënt] heeft de gerechtelijk bewaarder niet kunnen aanspreken op het beweerdelijk niet onderhouden van de beslagen roerende zaken.

4.10.

Als [advocaat 2] de beroepsfouten niet zou hebben gemaakt dan zou het Gerecht, na kennisneming van deze verweren, niet [de cliënt] hebben veroordeeld om aan [A] USD 262.500,00 te betalen, vermeerderd met rente en proceskosten.

De inhoudelijke verweren – inleiding

4.11.

[advocaat 1] voert bij antwoord de volgende verweren in een primair-subsidiair verband:

  1. er is geen sprake van schade in verband met de beslagen auto’s en machinerie;

  2. schadebeperking: hoger beroep was mogelijk;

  3. toerekenbaarheid: er moet een billijkheidscorrectie plaatsvinden;

  4. e omvang van de schade wordt betwist.

4.12.

Per verweer worden meerdere argumenten aangevoerd. Daarop gaat het Gerecht hieronder in. Tevens zal hierna blijken dat het Gerecht aanleiding ziet ook in te gaan op de verweren die door [advocaat 1] worden gevoerd naar aanleiding van de akte rectificatie van [de cliënt]. Opmerking verdient (ten behoeve van de leesbaarheid) dat [advocaat 1] aanvoert dat het vonnis van 22 april 2003 terecht is gewezen. Feitelijk stelt [advocaat 1] dus, dat indien de beroepsfout niet zou zijn gemaakt en [de cliënt] dus wel zijn standpunt aan de rechter kenbaar had kunnen maken, [de cliënt] de procedure tegen [A] toch zou hebben verloren en hij dus geen schade kan hebben ondervonden van de beroepsfout.

Verweren a, b en c

4.13.

Het Gerecht zal de eerste drie verweren in onderlinge samenhang beoordelen. [advocaat 1] voert aan dat [de cliënt] er ten onrechte vanuit gaat dat de door hem in beslag genomen roerende zaken niet in eigendom toebehoorden aan [A].

4.14.

Het Gerecht overweegt daarover als volgt. Er is de brief van 6 februari 1991 (productie 14 bij verzoekschrift) van de advocaat van [A] aan het kantoor van [advocaat 1]. Daarin staat:

“Op 29 januari jl. toonde ik u de originele bescheiden waaruit blijkt dat de namens uw cliënt in beslag genomen equipment en voertuigen met uitzondering van een auto, niet aan [A] toebehoren. Van die originelen heb ik fotokopieën gemaakt die de volgende dag bij u werden bezorgd.”

Door het beslag te handhaven lijdt cliënte enorme schade en daarvoor houdt cliënte uw cliënte uitdrukkelijk aansprakelijk. Het directe schadebedrag beloopt US$ 2,890.00 per day, exclusief schade wegens niet doorgegane opdrachten.”

4.15.

Verder is er een document d.d. 30 september 1989 “Car Rental” tussen [D] als Lessor en [A] als Lessee waarin [D] een van de beslagen auto’s (de “Oldsmobile”) verhuurt aan [A]. Een dergelijk document, maar dan gedateerd 21 juni 1990, is er ook betreffende een “Chevy”. Er is ook een Certificate of Title d.d. 28 december 1989 betreffende de Chevy waarin is vermeld dat deze auto op naam staat van een lease maatschappij en dat er een pandhouder is, te weten een Amerikaanse Bank. Ook voor een “Isuzu Trooper” is er een soortgelijke Car Rental overeenkomst gedateerd 10 september 1990. Er is een pro forma factuur d.d. 3 september 1990 van Caribbean Auto Sales, uitgemaakt aan [D], en een “echte” factuur van 4 september 1990. Ook is in het geding gebracht een, op verzoek van het Gerecht uit het Spaans naar het Engels vertaalde brief d.d. 14 maart 1988, van de Venezolaanse firma “[E] C.A.” waaruit blijkt dat er USD 27.426,40 kosten zijn gemaakt om bepaalde “machinery” te reviseren en te verschepen naar Sint Maarten ingevolge een contract tussen [E] en [A]. Deze documenten, en nog enige andere, zijn door [de cliënt] in het geding gebracht.

4.16.

Het Gerecht overweegt hierover het volgende. Wat betreft de Oldsmobile, de Chevy en de Isuzu Trooper heeft [de cliënt] voldaan aan zijn stelplicht. Hij heeft immers de documenten overgelegd waaruit volgt dat niet [A] de eigenaar hiervan was maar andere partijen. Tegenover deze gemotiveerde uitleg volstaat [advocaat 1] met een enkele ongemotiveerde betwisting zodat hij niet voldoet aan zijn stelplicht. Dit betekent dat het Gerecht ervan uitgaat dat deze drie auto’s niet aan [A] toebehoorden.

4.17.

Wat betreft de machinerie komt het Gerecht tot hetzelfde oordeel maar dan langs andere lijnen. Uit de brief van 14 maart 1988 volgt dat de machinerie is verscheept om een contract tussen [E] en [A] uit te voeren op Sint Maarten. Uit deze brief volgt niet dat [A] eigenaar is van de machinerie, maar veeleer [E]. Die heeft de machinerie immers gereviseerd en verscheept van uit Venezuela en stuurt daarvoor een factuur aan [A]. Er zijn door [advocaat 1] geen documenten in het geding gebracht waaruit volgt dat [A] wel de eigenaar was. Verder hecht het Gerecht waarde aan de brief van mr. Verzijl [advocaat] d.d. 6 februari 1991 waarin hij, namens [A], met zoveel woorden aan het kantoor van [advocaat 1] mededeelt dat de beslagen zaken niet aan zijn cliënt toebehoren. Aldus is door [advocaat 1] onvoldoende weersproken dat de machinerie niet aan [A] toebehoorde.

4.18.

Het Gerecht overweegt verder dat is gebleken dat in het inleidend verzoekschrift d.d. 22 augustus 1994 gesproken wordt over een (enkele) schadepost van USD 201.000,00. Het Gerecht kent echter USD 262.500,00 toe hetgeen blijkens het verzoekschrift het bedrag is waarvoor beslagverlof is verleend. Aldus is er sowieso USD 61.500,00 te veel toegewezen, waarbij het Gerecht overigens opmerkt dat uit het vonnis d.d. 22 april 2003 niet blijkt van enige inhoudelijke motivering, behoudens dat ten aanzien van de rente.

4.19.

Indien de beroepsfout niet zou zijn gemaakt zou in de procedure de kwestie van de eigendom van de beslagen zaken aan de orde zijn gekomen. Door [de cliënt] zou zijn aangevoerd dat [A] niet de eigenaar van de beslagen auto’s en machinerie was zodat [A] niet vorderingsgerechtigd was betreffende de schade aan de beslagen zaken. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [de cliënt] dit argument met succes zou hebben kunnen aanvoeren. Het Gerecht heeft, op grond van de in deze procedure overgelegde inhoudelijke documenten, immers geoordeeld dat [A] niet de eigenaar van de beslagen zaken was. Ook de hoofdsom zou niet zijn toegewezen of daartegen had [de cliënt] hoger beroep kunnen instellen (zie hieronder 4.21. tot en met 4.24.). Terecht voert [de cliënt] verder aan dat een bekwaam handelende advocaat (subsidiair) verweer zou hebben gevoerd ten aanzien van de door [A] gevorderde schade op basis van het in opdracht van [A] opgestelde deskundigenrapport. Anders dan [de cliënt] aanvoert heeft het Gerecht niet 15% rente toegewezen maar de wettelijke rente. Het Gerecht is dus van oordeel dat, indien de beroepsfout niet zou zijn gemaakt, de door [de cliënt] ondervonden schade niet, of niet geheel, zou zijn ingetreden. Daarmee is het causale verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade gegeven.

4.20.

Gelet hierop moet het Gerecht beoordelen of [de cliënt] de kans had om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 22 april 2003. [de cliënt] zegt van niet en [advocaat 1] zegt dat dit wel had gekund. Als dat wel had gekund dan had [de cliënt] zijn schade kunnen beperken. Als dat niet had gekund dan gaat dit verweer niet op. Kort en zakelijk weergegeven komen hun standpunten op het volgende neer.

4.21.

[advocaat 1] stelt, kort en zakelijk weergegeven, het volgende. De beroepstermijn tegen het vonnis van 22 april 2003 is pas gaan lopen op het moment dat [de cliënt] bekend raakte met het vonnis. Zie het huidige artikel 264 Rv dat in werking is getreden op 1 augustus 2005. [de cliënt] heeft echter geen hoger beroep ingesteld. Het oude artikel 264 Rv, dat hier mogelijk van toepassing is, luidt als volgt: “De termijn van beroep is dertig dagen, gerekend van de dag der uitspraak, of, indien de eiser in beroep bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens de wet is medegedeeld.” Artikel 119 lid 3 Rv bepaalt dat de inhoud van het eindvonnis bij aangetekende dienstbrief door de griffier moet worden medegedeeld aan de partij die niet bij de uitspraak aanwezig was. In beide gevallen gaat de beroepstermijn dus lopen op het moment dat de veroordeelde partij kennis draagt van de uitspraak. In 2008 is de woning van [de cliënt] en zijn echtgenote, volgens de hiervoor geciteerde considerans van de notariële akte, verkocht dus voordien was er kennelijk nog niet geëxecuteerd. De procedure tussen [de cliënt] en [advocaat 1] is ingeleid met een verzoekschrift d.d. 17 november 2005, zodat [de cliënt] pas kort daarvoor kennis moet hebben gekregen van het vonnis tegen hem en hij had toen dus hoger beroep moeten instellen. De voormelde dienstbrief van het Gerecht d.d. 25 april 2003 is niet aangetekend verzonden zodat de hoger beroepstermijn niet is gaan lopen.

4.22.

[de cliënt] stelt hier, kort en zakelijk weergegeven, tegenover dat hij van de Court Recorder van het GEA, mevrouw M.A. James-Christina, op 4 oktober 2010 te horen heeft gekregen dat de dienstbrief van 25 april 2003 wel degelijk aangetekend is verzonden en hij biedt aan dat te bewijzen door het horen van James als getuige. [de cliënt] heeft het vonnis pas jaren na vonniswijzing onder ogen gekregen. Het adres in de dienstbrief klopt namelijk niet en dat komt ook weer door [advocaat 2] die heeft gedesisteerd zonder het Gerecht te informeren over het correcte adres waar hij per post bereikbaar was. Die dienstbrief heeft [de cliënt] dus nooit ontvangen.

4.23.

Het Gerecht overweegt als volgt. Uit de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof in hoger beroep d.d. 4 oktober 2013 volgt dat het Hof de kwestie omtrent de mogelijkheid al dan niet hoger beroep in te stellen door [de cliënt] tegen het vonnis van 22 april 2003 aan de schadestaat rechter heeft overgelaten. In zijn vonnis onder 2.7. overweegt het Hof hetgeen hiervoor onder 4.4. is aangehaald. Daarmee is gegeven dat het Gerecht in deze schadestaat procedure dit argument in volle omvang moet toetsen. Dat is ook logisch omdat schadebeperking typisch een verweer is dat in de schade staat procedure aan de orde dient te komen. Het hoort niet thuis in de procedure over de aansprakelijkheid. De andersluidende argumenten van [de cliënt] hiertegen gaan niet op.

4.24.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.19. is overwogen zou hoger beroep zeker tot schadebeperking hebben geleid. Duidelijk is echter dat onder het oude Rv de dienstbrief beslissend is voor de ingangsdatum van de hoger beroepstermijn. Die is aan het verkeerde adres gestuurd, zoals door [advocaat 1] niet dan wel onvoldoende wordt betwist. Het oude Rv kent niet de huidige regeling van artikel 264 lid 3 Rv waarin de beroepstermijn gaat lopen vanaf de executiehandeling of een daad van bekendheid zijdens de veroordeelde. De datum dienstbrief is beslissend. Dit betekent dat [de cliënt] geen mogelijkheid had om in hoger beroep te gaan, temeer nu gesteld noch gebleken is dat hij binnen de 30 dagen termijn op andere wijze met het vonnis bekend is geworden. Na 26 mei 2003 is het vonnis van 22 april 2003 in kracht van gewijsde gegaan.

4.25.

[advocaat 1] voert nog aan dat “de fout van [de cliënt] om niet in hoger beroep te gaan van veel ernstiger aard is dan de fout van [advocaat 2], die immers van mening was dat hij zich nooit gesteld had als advocaat en na het desisteren en het vonnis geen contact had opgenomen met [de cliënt] over het vonnis.” (alinea 49 conclusie van antwoord).

4.26.

Het Gerecht overweegt dat dit verweer niet slaagt. Hiervoor is immers geoordeeld dat de hoger beroepstermijn was verstreken zodat [de cliënt] niet tijdig hoger beroep heeft kunnen instellen.

Verweer d: betwisting van de omvang van de schade

4.27.

Op 4 april 2008 is er een Vaststellingsovereenkomst tussen onder anderen [de cliënt] en [A] tot stand gekomen en door de notaris verleden. De considerans hiervan is onder 2.7. weergegeven. Die overeenkomst behelst met name het volgende:

  1. [de cliënt] draagt zijn aandeel in de ten laste van hem door [A] beslagen onroerende zaak over aan [A] “as full and final settlement for certain disputes between him and [A]”;

  2. zijn echtgenote draagt haar aandeel in deze onroerende zaak ook aan [A] tegenover de verplichting van [A] aan haar USD 250.000,00 te betalen;

  3. [A] ([A]) verkoopt de onroerende zaak op haar beurt aan de heer [B] voor USD 300.000,00.

4.28.

[de cliënt] stelt, kort en zakelijk weergegeven, dat [A] in maart 2006 is aangevangen met de executie van het vonnis van 23 april 2003. Er is toen executoriaal beslag gelegd op een perceel grond op Sint Maarten dat in gezamenlijke onverdeelde eigendom toebehoorde aan zijn echtgenote en hem. De openbare veiling is niet doorgegaan omdat [A] bereid bleek om de helft te kopen van de echtgenote voor US$ 250.000 en het gedeelte van [de cliënt] voor hetzelfde bedrag. “Hiermee staat dus vast dat het aandeel van [de cliënt] in deze onroerende zaak op dat moment in elk geval een marktwaarde vertegenwoordigde van US$ 250.000 (…)” (alinea 9 verzoekschrift). Bij repliek herhaalt [de cliënt] dit als reactie op het verweer van [advocaat 1].

4.29.

[advocaat 1], verkort en zakelijk samengevat, stelt dat de woning direct werd doorverkocht aan [B] voor USD 300.000,00. Dat was dus de waarde in het economisch verkeer van de woning. De echtgenote van [de cliënt] heeft daarvan USD 250.000,00 ontvangen. Dat is dus USD 100.000,00 meer dan de woning waard was. [de cliënt] heeft dan ook een vordering van USD 100.000,00 op zijn echtgenote uit ongerechtvaardigde verrijking en zijn schadevordering op [advocaat 1] kan nooit meer zijn dan USD 50.000,00.

4.30.

Het Gerecht overweegt het volgende. Duidelijk is dat volgens de Vaststellingsovereenkomst [A] genoegen heeft genomen met het aandeel van [de cliënt] in de onroerende zaak bij wijze van schikking. Het Gerecht onderschrijft het standpunt van [advocaat 1] dat als marktwaarde van de onroerende zaak de verkoopwaarde in de transactie met [B] doorslaggevend is. Gesteld noch gebleken immers is dat [B] iets met de in deze zaak spelende problematiek van doen heeft of dat er met hem afspraken zijn gemaakt op grond waarvan de onroerende zaak onder de marktwaarde aan hem is verkocht. Dit betekent dat de waarde van het aandeel van [de cliënt] vastgesteld dient te worden op USD 150.000,00 en niet op USD 250.000,00. Hetzelfde geldt natuurlijk voor het identieke aandeel van zijn echtgenote. Aldus heeft [de cliënt] aan [A] als schikking zijn aandeel ter waarde van USD 150.000,00 aan [A] overgedragen. De echtgenote van [de cliënt] heeft hetzelfde gedaan. Dat in de Vaststellingsovereenkomst staat dat zij er USD 250.000,00 voor heeft ontvangen is voor het Gerecht onbegrijpelijk (want zou in totaal neerkomen op een waarde van USD 500.000,00 terwijl aan [B] wordt verkocht voor USD 300.000,00) maar doet verder niet ter zake, al was het maar omdat over deze prijsstelling door [de cliënt] geen informatie aan het Gerecht wordt aangereikt, ook niet nadat bij antwoord door [advocaat 1] voormelde verweren werden gevoerd.

4.31.

Aldus gaat het Gerecht uit van het schadebedrag van USD 150.000,00. Wat betreft de wettelijke rente daarover geldt dat die ingaat vanaf 4 april 2008 omdat toen het vermogen van [de cliënt] met dit bedrag is verminderd als gevolg van de overdracht aan [A] van zijn onverdeelde helft in de woning.

Overige verweren

4.32.

Hiervoor 4.12. heeft het Gerecht aangekondigd in te gaan op de verweren van [advocaat 1] in de conclusie van conclusie van dupliek als reactie op de akte rectificatie van [de cliënt]. Het Gerecht zal dit echter toch doen omdat dit verweren zijn die, anders dan [advocaat 1] kennelijk meent, in elk geval gedeeltelijk wel degelijk in een schade staat procedure thuis horen en hij ze op papier heeft gezet zodat ze kenbaar zijn voor het Gerecht en [de cliënt]. Het Gerecht overweegt over deze verweren het volgende, zulks onder verwijzing naar al hetgeen hiervoor is overwogen. Wel degelijk is er sprake van toerekenbaarheid van de schade aan [advocaat 1] als werkgever in de zin van artikel 6:170 BW omdat [advocaat 2] de beroepsfout heeft gemaakt als zijn ondergeschikte. Er is geen sprake van eigen schuld van [de cliënt], eenvoudigweg omdat is komen vast te staan dat de dienstbrief van de griffier hem nooit kan hebben bereikt omdat die aan het verkeerde adres was toegezonden, hetgeen voorkomen had kunnen worden als bij het desisteren aan het Gerecht het correcte adres kenbaar was gemaakt door [advocaat 2].

4.33.

[advocaat 1] voert tot slot nog aan dat de schade door de rechter moet worden gematigd. Hij legt dat gemotiveerd uit onder 7.1. tot en met 7.6. van de conclusie van dupliek. Nu dit verweer het Gerecht, naar voorlopig oordeel, niet ongegrond voorkomt dient [de cliënt] in de gelegenheid te worden gesteld uitsluitend op dit verweer te reageren. Er is geen reden om [advocaat 1] hierop bij (antwoord)akte te laten reageren (tenzij [de cliënt] producties in het geding brengt) zodat na kennisneming van deze akte eindvonnis kan worden gewezen.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

bepaalt dat op de rolzitting van dinsdag 22 augustus 2017 [de cliënt] een akte mag indienen als bedoeld onder 4.33 (P1),

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.