Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2017:4

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
KG 2017/06
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vraag of Centrale Bank onrechtmatig handelt jegens geldtransactiekantoor door het publiek erop te wijzen dat het geldtransactiekantoor geen vergunning heeft van de Centrale Bank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 3 februari 2017

Zaaknummer: KG 2017/06

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis in kort geding

in de zaak van

de naamloze vennootschap [het geldtransactiekantoor],

gevestigd te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. C.H.J. Merx

tegen

de openbare rechtspersoon DE CENTRALE BANK VAN CURACAO EN SINT MAARTEN,

mede kantoorhoudende te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. C.R. Rutte.

Partijen worden hierna aangeduid als “[het geldtransactiekantoor]” en “de Bank”, tenzij anders wordt vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 10 januari 2017,

  2. producties van gedaagde,

  3. producties van eiseres,

  4. pleitnota van mr. Merx,

  5. pleitnota van mr. Rutte.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 20 januari 2017 in aanwezigheid van gemachtigden en partijen. [het geldtransactiekantoor] werd vertegenwoordigd door haar statutair bestuurder de heer …... Namens de Bank zijn L. Hassell en D. President verschenen. Partijen hebben de standpunten toegelicht. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 13 januari 2016 heeft de Bank de volgende openbare officiële mededeling gedaan:

“(…)

The Bank will neither issue new authorizations for the conduct of money transfer activities in Sint Maarten nor grant permissions to open additional outlets for the conducts of these activities, pending the implementation of the legal framework for the supervision of money transfer companies and/or their (sub) representatives.

Under the circumstances, the Bank will not consider new applications for the conduct of money transfer activities in Sint Maarten. Once the necessary regulatory framework is implemented, the Bank will announce this on its website.”

2.2.

Dit “moratorium”, zoals partijen het aanduiden, geldt al sinds 1 april 2009. Het Land Curaçao heeft per 1 maart 2015 wetgeving ingevoerd zodat nieuwe aanvragen door de Bank in dat Land wel in behandeling worden genomen (Landsverordening Toezicht Geldtransactiekantoren). Het Land Sint Maarten heeft nog geen nieuwe wetgeving ingevoerd.

2.3.

Op 4 januari 2017 heeft de Bank op haar website en in twee kranten in de Engelse en Spaanse taal vermeld dat [het geldtransactiekantoor] geen vergunning heeft:

“Case Description

The Central Bank wants to point out that pursuant to article 11, paragraph 1 of the Foreign Exhange Regulation Curacao and Sint Maarten (2010), all institutions or persons are prohibited to engage in the business of money transfer without a foreign exchange license from the Bank.

Any breach of aforementioned prohibition may be penalized by imprisonment or fine.

[[het geldtransactiekantoor]] is not licensed by the Central Bank to offer money transfer services and is consequently acting in violation of abovementioned supervision law.

The Central Bank therefore warns all those who are using or have used the services of [[het geldtransactiekantoor]] to be extra vigilant, as their operations are in violation of the mentioned supervision law.”

2.4.

Sinds 1998 exploiteert [het geldtransactiekantoor] een onderneming die zich in belangrijke mate bezig houdt met geldtransacties, oorspronkelijk als eenmanszaak en vanaf 10 oktober 2010 als naamloze vennootschap. Momenteel werken er circa 11 personen in deze onderneming.

2.5.

Door de jaren heen heeft de Bank [het geldtransactiekantoor] meerdere keren gewaarschuwd dat zij geen vergunning had om geldtransacties te verzorgen en dat zij dus in overtreding was.

2.6.

In 2000 heeft [het geldtransactiekantoor] een vergunning aangevraagd bij de Bank op grond van de Landsverordening Deviezenverkeer (P.B. 1981, 67).

2.7.

Bij beschikking op bezwaarschrift d.d. 18 januari 2013 heeft de Bank het volgende overwogen:

“Het voorgaande in overweging nemende moet de Bank tot de conclusie komen dat de Bank inderdaad sedert 2001 niet heeft beschikt, negatief of positief, inzake de vergunningsaanvraag van de [het geldtransactiekantoor]. Gedurende deze lange periode is ook niet een situatie ontstaan waarin de Bank zich zou kunnen beroepen op een fictieve weigering mede omdat de aanvullende documenten voor het verkrijgen van een vergunning steeds weer zijn aangenomen, daarmee impliciet aangevende dat het vergunningsproces nog steeds in behandeling was/is. Het is derhalve zaak dat de Bank alsnog definitief een beslissing neemt, met inachtneming van alle relevante feiten zoals gepresenteerd tijdens de bezwaarprocedure en inachtneming van een periode waarin [het geldtransactiekantoor] aan alle nog ontbrekende vereisten voor een vergunning zal voldoen. Het bezwaar van [het geldtransactiekantoor] is gegrond.”

2.8.

De Bank heeft bij deurwaardersexploot d.d. 26 september 2013 aan [het geldtransactiekantoor] medegedeeld dat de aanvraagprocedure wordt beëindigd. Na ongegrond verklaard bezwaar van [het geldtransactiekantoor] door de Bank heeft [het geldtransactiekantoor] beroep ingesteld bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao. Bij uitspraak d.d. 25 februari 2015 is dit bezwaar ongegrond verklaard (zaaknummer Lar 2014/67781). Deze uitspraak is op 9 oktober 2015 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bekrachtigd (HLAR67781/2014). Dragende overweging is, kort samengevat, dat [het geldtransactiekantoor] voldoende gelegenheid heeft gehad om de door de Bank gevraagde stukken in te dienen maar dat [het geldtransactiekantoor] dat niet heeft gedaan.

2.9.

In maart 2016 heeft [het geldtransactiekantoor] een nieuwe aanvraag ingediend maar de Bank heeft deze niet in behandeling willen nemen.

3 Het geschil

3.1. [

het geldtransactiekantoor] vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de volgende beslissingen zal nemen:

  1. “CBCS te bevelen om de op haar website geplaatste waarschuwing jegens eiseres te verwijderen, zulks binnen uiterlijk twee uren na het in deze door U. E.A. te geven bevel.

  2. Voorts CBCS te bevelen om op de zowel haar website als in de lokale kranten “The Herald”, “Today” aan [het geldtransactiekantoor] zowel in de Engelse als Spaanse taal de gegeven waarschuwing in te trekken, althans te verwijderen en daarop een mededeling te (doen) plaatsen dat even genoemde waarschuwing geheel ten onrechte is geschiedt, zulks binnen 24 uur na het door U. E.A. in deze te geven bevel en onder verbeurte van de hierna onder sub 4 voorgestelde dwangsom danwel een passende dwangsom in de ogen van het Gerecht.

  3. CBCS te verbieden om zich uit te laten in elke vorm van een actie waarbij [het geldtransactiekantoor] genoodzaakt is of zal worden om haar zakelijke activiteiten (als een geldtransactiekantoor) te staken of stop te zetten, zolang het door CBCS op 13 januari 2016 op de website geplaatste verbod van kracht blijft en/of zolang CBCS weigert [het geldtransactiekantoor]’s hernieuwde aanvraag voor resp. een vreemde deviezen- of geldtransactievergunning in behandeling te nemen en daarop te beslissen, althans ook zolang CBCS niet op de herhaalde aanvraag van [het geldtransactiekantoor] een beslissing heeft genomen.

  4. CBCS te bevelen om het door eiseres in te dienen verzoek ter verkrijging van de vereiste deviezen- danwel geldtransactievergunning in behandeling te nemen en daarop te beslissen.

  5. Te bepalen dat CBCS een dwangsom van US$ 1.000.000, - per dag of gedeelte daarvan dan wel per keer zal verbeuren, indien CBCS in gebreke of weigerachtig blijft aan een dezer onder 1, 2, 3, en 4 door U.E.A. in deze te geven bevelen of verbod gehoor te geven.

  6. CBCS te veroordelen in de kosten van dit geding, de Griffierechten inbegrepen”

3.2.

De Bank concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [het geldtransactiekantoor], kosten rechtens.

3.3.

Op de argumenten van partijen zal het Gerecht hierna ingaan, voor zover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang is met de aard van de vorderingen gegeven.

4.2.

Het Gerecht overweegt het volgende. De civiele rechter dient zich te richten naar de beslissingen van de bestuursrechter. Duidelijk volgt daaruit dat [het geldtransactiekantoor] in gebreke is gebleven de correcte documenten tijdig in te dienen bij de Bank en dit betekent dat [het geldtransactiekantoor] zonder geldige vergunning opereert. Door [het geldtransactiekantoor] wordt aangevoerd dat zij vele jaren aan het lijntje is gehouden door de Bank. Dat erkent de Bank zelf ook (zie haar beschikking d.d. 18 januari 2013), en om die reden mocht [het geldtransactiekantoor] ondanks het moratorium toch de aanvraag doen, maar dat helpt [het geldtransactiekantoor] in dit kort geding niet verder. Immers, deze discussie is geëindigd door de uitspraak van de hoger beroepsrechter 9 oktober 2015.

4.3.

Het is verder duidelijk dat de Bank door de jaren heen [het geldtransactiekantoor] er op heeft geattendeerd dat zij illegaal haar geldtransactiekantoor exploiteerde en de Bank heeft zelfs tot twee keer toe hiervan aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie. Naar voorlopig oordeel van het Gerecht had [het geldtransactiekantoor] zonder dralen na de uitspraak van de hoger beroepsrechter de nodige stappen moeten zetten om aan deze illegale situatie een einde te maken. Het Gerecht is van oordeel dat dit onvoldoende voortvarend is gebeurd. Pas in maart 2016, ongeveer een half jaar na de voor haar ongunstige beslissing van de hoger beroepsrechter, meldt [het geldtransactiekantoor] zich bij de Bank met een nieuwe aanvraag voor een vergunning. Nadat zij daar onverrichterzake was weggestuurd heeft zij niets meer gedaan om haar bedrijfsvoering in overeenstemming met de wet te brengen terwijl zij daartoe de eerst aangewezene is. Pas als de Bank op 4 januari 2017 het publiek er van in kennis stelt dat er sprake is van een onwettelijke geldtransactiepraktijk neemt [het geldtransactiekantoor] actie door dit kort geding te beginnen.

4.4.

De Bank heeft het beleid om nieuwe aanvragen voor een vergunning ten behoeve van de exploitatie van een geldtransactiekantoor niet in behandeling te nemen. Vandaar dat [het geldtransactiekantoor] in maart 2016 werd weggestuurd door de Bank toen haar directeur een nieuwe aanvraag wilde indienen. De Bank heeft ter zitting erkend dat dit niet de correcte handelwijze is. Nieuwe aanvragen dienen te worden ingenomen en vervolgens dient de Bank daarop te beschikken. De Bank zal dan op grond van haar beleid (moratorium) het verzoek afwijzen maar vervolgens kan [het geldtransactiekantoor] daartegen bezwaar instellen en zo nodig beroep alsmede desgewenst een bestuursrechtelijke voorlopige voorziening vragen. Het Gerecht zal dan ook vordering sub 4 van [het geldtransactiekantoor] toewijzen, met een dwangsom om zeker te zijn dat de Bank de aanvraag daadwerkelijk ontvangt en in behandeling neemt. Om onduidelijkheid over tijdstippen en data te voorkomen zijn dwangsommen enkel verschuldigd indien de nieuwe aanvraag bij deurwaardersexploot bij de Bank wordt bezorgd.

4.5.

Het Gerecht stelt vraagtekens bij het beleid van de Bank om geen vergunningen af te geven zolang het Land Sint Maarten geen Landsverordening Toezicht Geldtransactiekantoren heeft ingevoerd. Dit betekent immers feitelijk dat sinds 1 april 2009 geen nieuwe geldtransactiekantoren worden toegelaten en dat ondernemingen die zich met geldtransacties bezig houden (niet zijnde banken), die niet eerder een vergunning hebben gekregen, per definitie illegaal zijn en blijven. Het Gerecht begrijpt dat de achterliggende gedachte van de Bank is dat er nieuwe wetgeving moet komen maar daarmee maakt de Bank het lot van deze bedrijfstak en haar mogelijkheid om regulerend op te treden afhankelijk van de wetgever. Ter zitting werd duidelijk dat de wetgever op Sint Maarten op dit gebied geen initiatief ontplooit. Er is thans geen uitzicht of en wanneer de gewenste wetgeving van kracht wordt.

4.6.

Voor [het geldtransactiekantoor] zou dit betekenen dat, zelfs als zij nu wel aan alle vereisten voor een vergunning op grond van de Landsverordening Deviezenverkeer zou voldoen, zij nooit een vergunning zou kunnen verkrijgen. Dit betekent dat zij, zolang de nieuwe wetgeving er niet is, altijd illegaal zou opereren op grond van een omstandigheid waarop zij geen invloed kan uitoefenen; namelijk het wetgevingsproces van het Land Sint Maarten.

4.7.

Al het voorgaande in acht nemende en rekening houdende met de grote belangen van [het geldtransactiekantoor], die aannemelijk heeft gemaakt dat haar voortbestaan door de voormelde publicaties op het spel staat en daarmee de werkgelegenheid voor 11 personen, wordt voorts beslist dat [het geldtransactiekantoor] gehouden is de aanvraag voor een vergunning binnen één maand na heden te doen en dat de Bank door middel van de hieronder vermelde publicaties kenbaar dient te maken dat [het geldtransactiekantoor] een nieuwe aanvraag voor een vergunning heeft ingediend en wat daarop haar beslissing is. Daarmee houdt de Bank het publiek op de hoogte van de stand van zaken omtrent [het geldtransactiekantoor] en de benodigde vergunning.

4.8.

Het is aan de Bank om voortvarend een beschikking te geven op de aanvraag waarna [het geldtransactiekantoor] ten gronde bezwaar en beroep kan instellen en zo nodig de bestuursrechter in een voorlopige voorziening om een beslissing kan vragen. De argumenten die [het geldtransactiekantoor] heeft, met name dat de te stellen bankgarantie een onmogelijke voorwaarde is omdat geen enkele handelsbank een dergelijke bankgarantie afgeeft omdat zij geen vergunning heeft, kan dan door de bestuursrechter worden getoetst. De Bank dient het publiek op de hoogte te houden van de eventuele bestuursrechtelijke procedure, zoals hieronder vermeld.

4.9.

Het Gerecht ziet aanleiding om te bepalen dat partijen de proceskosten voor eigen rekening dienen te houden.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

rechtdoende in kort geding:

veroordeelt de Bank om een bij deurwaardersexploot bij de Bank in te dienen nieuwe aanvraag van [het geldtransactiekantoor] in behandeling te nemen, mits een nieuwe aanvraag binnen één maand na heden door [het geldtransactiekantoor] wordt ingediend,

bepaalt dat de Bank, indien en zodra door [het geldtransactiekantoor] binnen voormelde termijn de aanvraag wordt ingediend, binnen 10 werkdagen op haar website, in The Daily Herald en in de Today, in de Engelse en de Spaanse taal, de volgende aankondiging dient te plaatsen:

“In diverse publicaties heeft de Centrale Bank kenbaar gemaakt dat [het geldtransactiekantoor] niet over een door de Centrale Bank verleende vergunning beschikt voor het uitvoeren van geldtransacties. Op …. 2017 is door [het geldtransactiekantoor] een nieuwe aanvraag om een vergunning op grond van de Landsverordening Deviezenverkeer ingediend. Deze aanvraag is gedaan op grond van het kort geding vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten d.d. 3 februari 2017. De Centrale Bank zal op deze aanvraag uiterlijk …… 2017 beschikken en de beslissing publiceren op haar website. Op haar website zal de Centrale Bank kenbaar maken of tegen deze beslissing bezwaar wordt gemaakt door [het geldtransactiekantoor] en of zij beroep instelt bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten dan wel hiertegen beroep instelt bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao, Aruba, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba.”,

veroordeelt de Bank om te voldoen aan hetgeen in voormelde aankondiging is vermeld waarbij geldt dat alle publicaties binnen 10 werkdagen na kennisneming door de Bank van de eventuele rechterlijke beslissingen dienen te geschieden in de Engelse en Spaanse taal, op haar website,

bepaalt dat de Bank een dwangsom van USD 5.000,00 per werkdag verbeurt indien zij met een van deze veroordelingen in gebreke blijft en maximeert de totaal te verbeuren dwangsommen op USD 150.000,00,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.