Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2017:36

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
EJ 2017/ 115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtspersonenrecht. Vernietiging van besluiten. Ontvankelijkheid. Alternatieve rechtsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3874
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 18 juli 2017

Zaaknummer: EJ 2017/ 115

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Beschikking

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Canada,

verzoeker,

verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J.J. Rogers

tegen

[A, B, C, D],

allen wonende te Sint Maarten,

gedaagden,

verweerders in het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J. Deelstra.

Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoeker]” en “[A c.s.]”, tenzij hierna anders wordt vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 22 februari 2017,

  2. verweerschrift tevens houdende voorwaardelijke (tegen)verzoeken,

  3. brief van 16 juni 2017 van mr. Rogers met nadere producties,

  4. brief van 19 juni 2017 van mr. Deelstra met nadere producties,

  5. pleitnota van mr. Rogers,

  6. pleitnota van mr. Deelstra met een extra productie,

  7. productie van mr. Rogers, overgelegd ter zitting.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2017 in aanwezigheid van voormelde gemachtigden, [verzoeker] en [D]. Partijen hebben de standpunten toegelicht. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1. [

E] Foundation (hierna: de stichting) is opgericht door de eigenaren van een appartementencomplex (bestaande uit 12 villa’s) op Sint Maarten. Het statutaire doel van de stichting is “to own, manage and maintain the common grounds, buildings and other facilities” en, kort gezegd, alles wat daaraan dienstig is. Partijen zijn allen (mede-)eigenaar van villa’s op het terrein van de stichting.

2.2.

De villa-eigenaren zijn “participants” in de stichting en hebben per villa een stem in de “meeting of participants”. In deze vergadering wordt het bestuur verkozen en legt het bestuur verantwoording af.

2.3.

Op 6 juli 2016 is door middel van een stemming per e-mail het toenmalige bestuur weggestemd en is een nieuw bestuur (via Skype) op 9 juli 2016 benoemd. Dat nieuwe bestuur is nu nog in functie. Op 29 oktober 2016 vindt er een meeting of participants plaats en is voor de periode 2016-2017 het nieuwe bestuur herbenoemd.

2.4.

Het voormalige bestuur bestond uit [verzoeker], [F] en [G]. Ieder van hen is eigenaar van een villa.

2.5.

Het huidige bestuur bestaat uit de heer en mevrouw [C en D] en [A].

3 Het geschil

3.1. [

verzoeker] vordert dat het Gerecht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de volgende beslissingen neemt:

“Te bepalen dat Louis [verzoeker], [F] en [G] ten onrechte als bestuursleden van [de stichting] zijn ontslagen;

Te bepalen dat [C, A en D] niet op rechtsgeldige wijze tot het bestuur van [de stichting] zijn toegetreden cq gekozen;

Te bepalen dat alle besluiten die genomen werden door [A, C en D] als zijnde bestuur van [de stichting] vanaf 8 juli 2016 tot op heden niet rechtsgeldig zijn;

[A, B, C en D] te gebieden om zich als bestuursleden van [DE STICHTING] te gedragen;

[A, B, C en D] een dwangsom van US$2,000.00 per dag op te leggen voor iedere dag of dagdeel dat zij niet voldoen aan hetgeen onder punt IV van dit petitum is verzocht;

[A, B, C en D] te veroordelen in de kosten van de procedure.”

3.2. [

A c.s.] vorderen voorwaardelijk, voor het geval de vorderingen van [verzoeker] worden toegewezen, dat het Gerecht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de volgende beslissingen neemt:

A. “de [verzoeker] te ontslaan als bestuurslid van de Stichting;

de [verzoeker] te verbieden gedurende vijf (5) jaren nadat het ontslag onherroepelijk is geworden bestuurder te worden van een stichting;

[A, C en D], althans enige andere in goede justitie te bepalen persoon, te benoemen als bestuurslid van de Stichting om in de ledige (bestuurs)plaats te voorzien;

de [verzoeker] te veroordelen in de kosten van deze procedure;”

3.3.

Partijen concluderen over en weer tot niet-ontvankelijk verklaring van de andere partij(en) in de ingestelde vorderingen, dan wel dat deze aan partij(en) zullen worden ontzegd, met veroordeling van de andere partij(en) in de proceskosten.

3.4.

Op de argumenten van partijen zal het Gerecht hierna ingaan, voor zover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1. [

A c.s.] stelt dat [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. [verzoeker] betwist dat. De stellingen van partijen komen, kort en zakelijk weergegeven, op het volgende neer.

4.2. [

[A c.s.]: artikel 2:21 lid 4 BW bepaalt dat de bevoegdheid om vernietiging van een besluit te vorderen vervalt zes maanden na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. Het ontslagbesluit dateert van 6 juli 2016 en het verzoekschrift van 22 februari 2017. Op die dag was de bevoegdheid om vernietiging te vorderen dus al vervallen.

4.3. [

[verzoeker] verweert zich als volgt tegen dit verweer. Er is geen sprake van een benoemingsbesluit maar van het verkiezen van de bestuursleden. Bovendien dient daarvoor een fysieke vergadering bij elkaar te worden geroepen en niet een digitale. Zie artikelen 6 en 7 van de statuten. Er moet ook anoniem over personen worden gestemd en dat is niet gebeurd. Aldus is artikel 2:21 lid 4 BW niet van toepassing. [A c.s.] hadden, als zij het niet eens waren met besluiten van het voormalig bestuur een meeting van participants moeten beleggen, een motie van wantrouwen moeten indienen en daarna had daarover kunnen worden gestemd.

4.4.

Het Gerecht overweegt het volgende. Artikel 2:21 BW geeft belanghebbenden bij een besluit van een orgaan van een rechtspersoon om binnen 6 maanden zich tot de rechter te wenden om dit besluit vernietigd te krijgen. Duidelijk is dat deze termijn is verstreken wat betreft de besluitvorming op 6 juli 2016. De zes maanden termijn is immers verlopen op 7 januari 2017 terwijl het verzoekschrift van 22 februari 2017 dateert. [verzoeker] dient dus in zijn verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.5.

Hieraan doet niet af het argument van [verzoeker] dat door [A c.s.] niet volgens de statuten is gehandeld. Artikel 2:21 BW voorziet er immers in dat alle gebreken in de besluitvorming van een verenigingsorgaan aan de rechter kunnen worden voorgelegd.

4.6.

Voor zover het verzoek zich richt op de besluiten van 29 oktober 2016 geldt dat dit wel tijdig is ingediend en dat [verzoeker] in zoverre ontvankelijk is in zijn verzoek. Het is het Gerecht echter gebleken dat [verzoeker] geen argumenten aanvoert tegen de besluitvorming van 29 oktober 2016. Dit betekent dan ook dat het verzoek dient te worden afgewezen.

4.7.

Dan resteert het Gerecht te onderzoeken of door [verzoeker] een alternatieve rechtsgrond aan zijn verzoek ten grondslag wordt gelegd. Uit het verzoekschrift blijkt dat niet maar in de pleitnota wordt herhaaldelijk gesteld dat [A c.s.], met name initiator [C] , onrechtmatig hebben gehandeld door op voormelde wijze het bestuur af te zetten en zelf de bestuursplekken in te nemen. Het Gerecht oordeelt dat [verzoeker] hierbij geen belang heeft. Hij voert immers geen bezwaren aan tegen de besluitvorming van 29 oktober 2016 zodat het Gerecht het ervoor moet houden dat het bestuur toen in elk geval wel rechtsgeldig was gekozen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de feitelijke en rechtshandelingen van het bestuur, zowel voor als na 29 oktober 2016, worden gedragen door een meerderheid van de participants omdat het bestuur toen (met meerderheid van stemmen) is gekozen.

4.8.

De inhoudelijke argumentatie van partijen behoeft dus geen beoordeling. Aan het tegenverzoek komt het Gerecht niet toe omdat de voorwaarde daarvan niet is ingetreden.

4.9.

Als in het ongelijk gestelde partij dient [verzoeker] in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

verklaart [verzoeker] in zijn verzoek betreffende de besluiten van 6 juli 2016 niet-ontvankelijk,

wijst het verzoek van [verzoeker] betreffende de besluiten van 29 oktober 2016 af,

verstaat dat het tegenverzoek van [A c.s.] geen beslissing behoeft,

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van [A c.s.] begroot op nihil aan verschotten en op NAf 2.500,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.