Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2017:34

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
AR 2016/38
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Schadestaat procedure. Vervolg van jetblast zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3865
VR 2018/91
PS-Updates.nl 2017-0614
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Letselschade. Schadestaat procedure. Vervolg van jetblast zaak.

Vonnis van 18 juli 2017

Zaaknummer: AR 2016/38

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis

inzake

[het slachtoffer],

wonende te …………, Zwitserland,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.F. Overes (Nederland) en mr. E. Jansen (Sint Maarten),

tegen

de naamloze vennootschap PRINCESS JULIANA INTERNATIONAL AIRPORT EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.O. Kortenoever.

Partijen worden hierna aangeduid als “[het slachtoffer]” en “PJIA”, tenzij anders wordt vermeld.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift d.d. 8 maart 2016 met producties,

  2. conclusie van antwoord met producties,

  3. conclusie van repliek met producties,

  4. conclusie van dupliek met producties,

  5. akte uitlating producties.

1.2.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Bij arrest van 28 mei 2004 (ECLI:NL:PHR:AO4224, het zogenaamde jetblast-arrest) heeft de Hoge Raad de onderhavige zaak terugverwezen naar het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: het Hof). Bij vonnis van het Hof d.d. 18 maart 2005 (NJ 2005, 302) is PJIA veroordeeld tot vergoeding van de door [het slachtoffer] ondervonden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de wet.

2.2.

In zijn vonnis overwoog het Hof, in navolging van de Hoge Raad, omtrent de feiten het volgende:

“[het slachtoffer] bevond zich op 6 mei 2000 op Maho Beach, Sint Maarten. Zij stond op de weg die gelegen is naast en parallel loopt aan het hek dat de afscheiding vormt tussen het terrein van de luchthaven – waarvan PJIA de beheerster is – en Maho Beach. Zij stond aldus in het verlengde van de startbaan, waar een toestel van Air France zich gereed maakte voor vertrek. Zij bevond zich op korte afstand, ca. 50 meter, van het toestel. Bij het vertrek van het toestel deed zich een zogenaamde jetblast voor, die zodanig sterk was dat [het slachtoffer] met een grote boog door de lucht werd geblazen. Zij kwam neer op de rotsen van Maho Beach en heeft ten gevolge van dit ongeval letsel opgelopen is in shock geraakt. Daarnaast heeft zij nog andere materiele en immateriële schade geleden. Vast staat voorts dat het hek tussen het luchthaventerrein en Maho Beach door PJIA was voorzien van in ieder geval één bord met daarop de tekening van een opstijgend vliegtuig en daarnaast in kapitale letters de tekst “warning!” met het onderschrift “low flying and departing aircraft blast can cause physical injury”, dat PJIA kon verwachten dat het publiek zich zou opstellen in de zeer directe omgeving van het hek, dat die plaats waar PJIA publiek kon verwachten niet valt onder haar zorg maar openbaar terrein is (een openbare weg en een openbaar strand) dat voor een ieder vrij toegankelijk is en dat PJIA bekend is met het fenomeen jetblast en, blijkens de tekst op de door haar op dat hek aangebrachte waarschuwingsborden, het gevaar kent dat door een jetblast buiten het luchthaventerrein aan de kant, waar het openbare terrein is gelegen, kan worden veroorzaakt.”

2.3.

Het Hof concludeert in zijn vonnis onder 2.8. dat PJIA jegens [het slachtoffer] aansprakelijk is uit onrechtmatige daad. Onder 2.9. wordt overwogen omtrent de mogelijke eigen schuld van [het slachtoffer]:

“Zoals reeds is vastgesteld zijn de door PJIA aangebrachte waarschuwingsborden weinig indringend en wordt onvoldoende duidelijk gemaakt welk soort “physical injury” de toeschouwer heeft te vrezen. Gelet hierop kan het enkele feit dat [het slachtoffer] zich, ondanks de aanwezigheid van die borden, toch bij het hek bevond niet worden beschouwd als het willens en wetens in de wind slaan van een waarschuwing door [het slachtoffer], zoals PJIA aanvoert. Concrete feiten en omstandigheden dat [het slachtoffer] tegen beter weten in heeft gehandeld zijn, tegenover de betwisting van [het slachtoffer], gesteld noch gebleken. Het Hof acht de potentiële effecten van “jetblast” ook niet van zo algemene bekendheid dat [het slachtoffer] zich niet kan beroepen op onbekendheid daarmee.”

2.4.

En onder 2.10:

“PJIA heeft (…) betoogd dat sprake is van een cultuurverschil tussen Nederland en de Nederlandse Antillen waar de cultuur van vergaande aansprakelijkheid de heersende cultuur niet is. Dit betoog gaat echter niet op, reeds omdat PJIA bij haar betoog uitgaat van de hiervoor veronderstelling dat [het slachtoffer] hiermee de waarschuwing klakkeloos heeft genegeerd.”

2.5.

Tegen het vonnis van het Hof is geen cassatie ingesteld zodat het in kracht van gewijsde is gegaan.

3 De vorderingen en het verweer

3.1. [

het slachtoffer] vraagt het Gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de volgende beslissingen te nemen:

“het bedrag van voormelde schaden, kosten en interessen zal worden vastgesteld op de somma van USD 937.794,50 (…), althans een bedrag van ANG 1.672.040,70 (…) (als gespecificeerd in de als productie 3 overgelegde schadestaat).

voorts de gerequestreerde (…) zal worden veroordeeld om de onder 1 gemelde som zonder korting of schuldvergelijking te voldoen aan verzoekster (…), althans zal worden veroordeeld aan haar te betalen een bedrag aan schadevergoeding als uw Gerecht in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2000 (datum ongeval), althans vanaf 19 maart 2011, zijnde de dag waarop het verzoekschrift in eerste aanleg ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, is binnengekomen, tot de dag der algehele voldoening.

tevens te bepalen dat de schadeposten afzonderlijk worden toegewezen, zodra zij zijn vast komen te staan.

[gedaagde] te veroordelen in de kosten van de schadestaat, waaronder het salaris van de advocaat van verzoekster.”

3.2.

PJIA concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [het slachtoffer] in haar vorderingen, althans deze aan haar te ontzeggen, met veroordeling van [het slachtoffer] in de proceskosten en de wettelijke rente daarover.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

Door PJIA worden de nodige verweren gevoerd tegen de vorderingen van [het slachtoffer]. Deze vallen uiteen in drie groepen. Het Gerecht duidt deze als volgt aan:

  1. de formele verweren,

  2. de algemene materiële verweren,

  3. de verweren per schadepost.

Deze neemt het Gerecht hierna als volgt door.

De formele verweren

Ontvankelijkheid van [het slachtoffer] in haar vorderingen

4.2.

PJIA voert, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aan:

  1. PJIA stelt bij antwoord dat [het slachtoffer] onvoldoende concrete feiten heeft gesteld waaruit vaststelling van de door haar geleden schade kan worden afgeleid. Het verzoekschrift verwijst naar “een boekwerk met bijlagen zonder nadere toelichting”. De schadestaat is enkel gebaseerd op aannames en ten aanzien van causaliteit en toerekenbaarheid worden geen stellingen ingenomen door [het slachtoffer]. Mede gelet op artikel 18c Rv mag deze toelichting niet alsnog bij repliek volgen omdat PJIA dan een schriftelijke ronde zou worden ontnomen, waardoor zij in de verdediging wordt geschaad;

  2. ij antwoord: een groot aantal producties is in een vreemde taal opgesteld en niet vertaald naar Nederlands of Engels. Die producties mogen niet als bewijs dienen nu zij niet in een van de procestalen van dit Gerecht zijn opgesteld;

  3. bij antwoord: er zijn vele jaren verstreken tussen het vonnis van het Hof d.d. 18 maart 2005 en de indiening van de schadestaat. Hierdoor wordt het voor PJIA “vrijwel onmogelijk” om verweer te voeren. Zo is bepaald niet uit te sluiten dat het medisch dossier van Hartman niet meer (volledig) voorhanden is. Hierdoor wordt PJIA in haar verdediging geschaad.

4.3.

Deze verweren worden door [het slachtoffer] gemotiveerd weersproken.

4.4.

Het Gerecht overweegt het volgende. Bij doorlezing van de conclusie van dupliek blijkt dat het verweer onder a. daarin niet meer wordt genoemd. Bovendien overweegt het Gerecht dat zowel bij antwoord als bij dupliek door PJIA uitvoerig verweer wordt gevoerd tegen de gevorderde schade en de onderscheiden schadeposten. Conclusie van het Gerecht is dat dat verweer sub a. dus niet opgaat.

4.5.

Ook op verweer b. komt PJIA bij dupliek niet terug, waarschijnlijk omdat door [het slachtoffer] de nodige vertalingen zijn overgelegd van een aantal stukken. Dit verweer gaat dus evenmin op.

4.6.

Dan verweer c. Dit verweer wordt bij dupliek wel herhaald. Het Gerecht overweegt hierover het volgende. Bij de door [het slachtoffer] overgelegde stukken bevinden zich de nodige medische stukken. Daaruit is in voldoende mate af te leiden dat [het slachtoffer] schade heeft ondervonden als gevolg van de jetblast op 6 mei 2000. Zie met name de brief van Dr. [A] d.d. 5 juli 2000 waarin een gedetailleerde omschrijving van het door [het slachtoffer] ondervonden fysieke en psychische letsel wordt gegeven en die onder 4.13. deels wordt geciteerd. Daarmee strandt het ontvankelijkheidsverweer reeds. Door [het slachtoffer] wordt aangevoerd dat zij het volledige medische dossier heeft overgelegd. Dit wordt door PJIA betwist omdat zij de overgelegde stukken nogal karig vindt en ook bij gebrek aan wetenschap. Het Gerecht overweegt dat [het slachtoffer] bezwaarlijk kan aantonen dat zij wèl alle medische stukken heeft overgelegd. Indien en voor zover bij de beoordeling van de schadeposten nadere medische informatie nodig zou blijken moet het Gerecht bezien of daarvoor benoeming van een medisch deskundige nodig is.

De algemene materiële verweren van PJIA

4.7.

Het gaat om de volgende verweren:

1. de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de hoogte van de schade ligt bij [het slachtoffer]. Dit uitgangspunt heeft [het slachtoffer] uit het oog verloren door onvoldoende concrete feiten te stellen waaruit de door haar geleden schade kan worden afgeleid;

2. schade die in een te ver verwijderd verband staan tot het schade toebrengende feit behoeft niet door PJIA te worden vergoed;

3. “De heersende, gangbare gedachte over aansprakelijkheid en individuele verantwoordelijkheid op Sint Maarten is substantieel anders dan de heersende opvatting op dit gebied in Nederland (en mogelijk Zwitserland).” (alinea 17 conclusie van antwoord). “Met name waar het verlies van arbeidsvermogen betreft voor haar gehele leven, geldt dat het naar Sint Maartense maatstaven op zijn minste zeer ongebruikelijk – zo niet ondenkbaar – is dat een andere partij een dergelijke ‘schadepost’ voor zijn rekening zou moeten nemen.” (alinea 21 conclusie van antwoord);

4. “In het kader van de toerekening dient derhalve nog aan de orde te komen de omstandigheid dat [het slachtoffer] in het verlengde van de startbaan stond, waar een toestel van Air France zich gereed maakte voor vertrek, aldus dat [het slachtoffer] zich op korte afstand, circa 50 meter, van het toestel bevond. Het aspect van deze (vrijwillige) keuze of beslissing om daar te gaan staan met aldus de mogelijkheid van (enige vorm van) schade en/of letsel, is derhalve wel degelijk relevant in het kader van de toerekening.” (alinea 11 conclusie van dupliek);

5. hetgeen hiervoor bij de formele verweren onder c en hiervoor onder 4 is vermeld is ook reden om gebruik te maken van de rechterlijke matigingsbevoegdheid;

6. [het slachtoffer] heeft de plicht haar schade te beperken.

4.8. [

het slachtoffer] weerspreekt deze verweren gemotiveerd.

4.9.

Het Gerecht overweegt als volgt.

ad 1) Op zich stelt PJIA terecht dat [het slachtoffer] de door haar ondervonden schade dient te stellen en zo nodig te bewijzen omdat PJIA anders niet weet tegen welke schadeclaims zij zich dient te verweren. Van belang is wel dat de norm voor de rechter bij de begroting van de hoogte van de schadevergoeding (dus per schadepost) minder strikt is. Op zich is de rechter bij de begroting van de schade niet gebonden aan de gewone regels van stelplicht en bewijslast maar daarbij kan wel aansluiting worden gezocht. Het Gerecht overweegt dat [het slachtoffer] aan haar stelplicht in voldoende mate voldaan door de schadeposten in de schadestaat te noemen en elke schadepost toe te lichten aan de hand van onderliggende bescheiden en/of uitleg in haar processtukken. Daarmee strandt dit verweer. Per schadepost dient het Gerecht vanzelfsprekend te beoordelen of het voldoende aanknopingspunten heeft om de hoogte van de schade te begroten op grond van artikel 6:97 BW.

ad 2) Dit klopt uiteraard. Het Gerecht zal daar per schadepost aandacht aan moeten besteden indien en voor zover PJIA dit verweer voert. Daarbij tekent het Gerecht aan dat deze zaak gaat over de schending van een veiligheidsnorm door PJIA die heeft geleid tot personenschade door [het slachtoffer]. In het algemeen geldt dat de rechter dan ruim kan toerekenen (zie HR 11 juni 2010, NJ 2010, 332 Sulman/Reaal);

ad 3) Dit verweer treft geen doel. [het slachtoffer] was op vakantie op Sint Maarten en heeft daar letselschade ondervonden. De schade dient te worden begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (artikel 6:97 BW). De schade ondervindt zij overwegend in haar woon- en werkomgeving in Zwitserland en niet op Sint Maarten. Het Gerecht zal de schade concreet begroten aan de hand van de criteria van het recht van Sint Maarten dat praktisch gelijk is aan dat van Nederland. Het verweer over de heersende gedachte over aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid gaat niet op nu over de aansprakelijkheid van PJIA reeds onherroepelijk is geoordeeld;

ad 4) Op grond van artikel 6:98 BW komt, kort gezegd, schade voor vergoeding in aanmerking als deze schade aan de veroorzaker kan worden toegerekend. Uit het arrest van de Hoge Raad en het vervolgvonnis van het Hof, zoals hiervoor geciteerd, volgt dat de door [het slachtoffer] ondervonden schade aan PJIA toerekenbaar is in de zin van artikel 6:98 BW. Dit in algemene zin gevoerde verweer gaat dus niet op. Uiteraard dienen de schadeposten toerekenbaar te zijn aan het schade toebrengende feit;

ad 5) Het algemene verweer dat door het lange tijdsverloop er dient te worden gematigd wordt verworpen. In de eerste plaats omdat het een feit van algemene bekendheid is dat letselschade procedures vaak helaas zeer lang duren. In de tweede plaats omdat enkel tijdsverloop in een letselzaak niet voldoende is om tot matiging te besluiten. Evenmin ziet het Gerecht aanleiding om de schade te matigen omdat het de keuze van [het slachtoffer] is geweest om zich zo dicht bij een Air France straalvliegtuig met draaiende motoren te bevinden. Uit het arrest van de Hoge Raad en het vervolgvonnis van het Hof volgt immers dat zij niet willens en wetens een waarschuwing in de wind heeft geslagen. Dit alles neemt niet weg dat het Gerecht per schadepost zal bezien of er reden is voor matiging, indien daar een beroep op wordt gedaan door PJIA. Niet ondenkbaar immers is dat zich omstandigheden voordoen, los van het schade incident op 6 mei 2000, die matiging rechtvaardigen.

ad 6) Natuurlijk heeft [het slachtoffer] de plicht om haar schade te beperken. Dit algemene verweer heeft niet veel substantie van PJIA meegekregen. Vandaar dat het Gerecht per schadepost zal moeten bezien, indien daarop door PJIA bij de bespreking van die schadepost een beroep op wordt gedaan, of [het slachtoffer] haar schade heeft beperkt.

De volgorde van de verdere beoordeling

4.10.

Het Gerecht zal hierna de door [het slachtoffer] gevorderde schadeposten doornemen en de argumenten van partijen beoordelen. Vervolgens zal het Gerecht ingaan op de gevorderde rente en de argumenten die PJIA hiertegen formuleert. Daarna zal het Gerecht aandacht besteden aan de argumentatie van partijen rondom het thema valutaschade. Het Gerecht zal nog stilstaan bij de vraag of aan [het slachtoffer] reeds bedragen bij eindbeslissing kunnen worden toegekend. Tot slot gaat het Gerecht in op het verdere verloop van de procedure.

De schadeposten

Abstracte of concrete berekening van de schadevergoeding

4.11.

Alvorens in te gaan op de door [het slachtoffer] gevorderde schadeposten dient het Gerecht aandacht te besteden aan het door PJIA ingenomen standpunt dat de schade van [het slachtoffer] concreet in plaats van abstract dient te worden berekend. [het slachtoffer] bepleit bij repliek namelijk dat het Gerecht een abstracte berekening zal hanteren. [het slachtoffer] ziet onder ogen dat concrete schadeberekening kan leiden tot een hoger bedrag maar zij wil het boek na 17 jaar sluiten en ziet op tegen een langdurige schadestaat procedure in meerdere instanties en tegen onderzoeken door deskundigen. Procedures en deskundigen moeten allemaal door haar worden voorgefinancierd omdat PJIA altijd heeft geweigerd een redelijk voorschot aan haar uit te betalen. Zij wijst erop dat PJIA een internationale luchthaven is die over veel meer fondsen beschikt dan zij als lerares in loondienst.

4.12.

Het Gerecht overweegt met PJIA dat concrete schadeberekening het uitgangspunt moet zijn. Zie het arrest van de Hoge Raad inzake Rijnstaete/Reuvers (ECLI:NL:HR:2008:BE9998) waarin dit is overwogen, zij het met enige uitzonderingen. Er bestaat dus geen mogelijkheid voor het Gerecht aan deze wens van [het slachtoffer] tegemoet te komen. Dit betekent dat het Gerecht de schade concreet zal dienen vast te stellen.

Smartengeld

4.13. [

het slachtoffer] vordert Euro 15.320,77 aan smartengeld. Uit de (vanuit het Duits naar het Nederlands vertaalde) brief van dr. [A] d.d. 5 juli 2000, dus kort na het incident geschreven, blijkt dat [het slachtoffer] op 10 mei 2000 (toen hij haar voor het eerst zag) zwaar getraumatiseerd was en dat zij fors fysiek letsel had. Dit bestond uit “kneuzing van de schedel, het middengezicht, rechts, de linkerschouder, de elleboog, de linkerpols, de vingerkneuzing dig. IV en dig V met nagelrandbreuk en nagelletsel dig IV en het loslaten van de nagel dig. V en meerdere oppervlakkige schaafwonden op de dijbenen.” Bij de initiële behandeling was sprake van acuut suïcide gevaar waarvoor [het slachtoffer] ook is behandeld. Op 16 mei 2005 rapporteert dr. [A] als volgt: “Bij het huidige onderzoek / de bespreking moet het volgende worden vastgesteld. 5 jaar na het ongeval kan mevrouw [het slachtoffer] geen lichamelijke opvoeding meer geven vanwege de pijn. Ook kan mevrouw [het slachtoffer] geen piano meer spelen vanwege de pijn die vooral in de vingergewrichten en in de linker elleboog gelokaliseerd is. De gevoeligheid in de periferie is voor een deel verminderd en verstoord. Ook zijn er littekens die voor de esthetisch bewuste lerares uiterst storend zijn. Mevrouw [het slachtoffer] werkte ondanks de aangegeven pijn en ongemak voor 100% als lerares.” Volgens deze brief is sprake van een eindsituatie.

4.14.

Uit medische documentatie van veel latere datum blijkt dat [het slachtoffer] mogelijk een posttraumatische stress-stoornis heeft opgelopen.

4.15.

PJIA voert enkele verweren van algemene aard die hiervoor reeds zijn verworpen. Verder stelt zij dat het gevorderde bedrag te hoog is.

4.16.

Overwogen wordt dat de kwestie van de eventuele posttraumatische stress-stoornis buiten beschouwing dient te blijven omdat daarover voor het eerst wordt gerapporteerd in 2015, dus 15 jaar na het incident, en omdat blijkens de medische documentatie niet zeker is dat [het slachtoffer] daadwerkelijk aan deze aandoening lijdt.

4.17.

Het Gerecht overweegt dat Euro 15.000,00 niettemin een passend bedrag aan smartengeld is, met name gelet op de blijvende ongevalsgevolgen, zoals het niet meer kunnen werken als gymleraar en het niet meer piano kunnen spelen alsmede de littekens. Hierdoor is sprake van verandering in het leven van [het slachtoffer] als gevolg van het incident. Dit bedrag zal het Gerecht toewijzen.

Verlies van arbeidsvermogen

4.18.

Het door [het slachtoffer] ingeschakelde letselschadebureau heeft in zijn rapport d.d. 12 oktober 2015 (hierna: het rapport) berekend welk inkomen zij zonder ongeval tot 2015 en na 2015 zou hebben genoten in dienstbetrekking bij de school waar zij werkzaam is. Blijkens het rapport is een dergelijke berekening ook gemaakt voor dezelfde periodes, maar dan rekening houdend met het ongeval.

4.19.

Het verschil tussen beide berekeningen is dat [het slachtoffer] zonder ongeval 98% werkzaam zou zijn en met ongeval is zij slechts 80% werkzaam.

4.20.

Na verweer hiertegen bij antwoord wordt dit bij repliek als volgt, kort en zakelijk weergegeven, toegelicht. In augustus 1996 – augustus 1998 werkte [het slachtoffer] als klassenlerares voor 100% op een Realschule (basisschool). Vervolgens werkte zij tot augustus 1999 bij een Weiterbildungsschule (vervolgonderwijs) voor 100%. In augustus 1999 – augustus 2000 was [het slachtoffer] werkloos en ontving zij een uitkering, hetgeen gedocumenteerd wordt door de bij het rapport overgelegde loontabellen. In augustus 2000 is zij voor 80% werkzaam tot heden bij dezelfde werkgever als die van de Realschule (namelijk: Erziehungsdepartement des Kantons …. Stadt) maar dan bij een ander schooltype, te weten de Vorlehre A (basis overbruggingsonderwijs) en vanaf augustus 2014 bij het basis plus overbruggingsonderwijs. Uit een brief van haar werkgever blijkt dat het jammer wordt gevonden dat [het slachtoffer] niet voor gymnastiekonderwijs kan worden ingezet. Dat verklaart de achteruitgang van 18% in het arbeidsvermogen volgens [het slachtoffer]. De 80% blijkt uit de salarisstroken.

4.21.

Bij dupliek wordt hier door PJIA, kort en zakelijk weergegeven, als volgt op gereageerd. Er is geen zekerheid dat het 80% werken in plaats van 98% gelijk is aan het door het incident veroorzaakte verlies van arbeidsvermogen. Als [het slachtoffer] de belastingaanslagen zou overleggen dan ontstaat er de nodige zekerheid hierover. Verder voert PJIA aan dat zij op internet gestuit is op neveninkomsten van [het slachtoffer], te weten als Personalverantwortliche bij een Pädagogische Hochschule. De prints van het internet worden door PJIA overgelegd.

4.22.

Bij akte uitlating producties wijst [het slachtoffer] erop dat sprake is van een persoonsverwisseling. Kennelijk zijn er twee personen met dezelfde naam [X] [het slachtoffer]. De andere [X] [het slachtoffer] bevestigt dit in een e-mail aan de [X] [het slachtoffer] die als eiseres in deze procedure optreedt.

4.23.

Het Gerecht overweegt hierover het volgende. De rolrechter heeft deze e-mail tussen de beide [X] [het slachtoffer]s, die aan de akte houdende uitlating producties van [het slachtoffer] was gehecht, geweigerd omdat deze producties in strijd met het Procesreglement werden ingediend. De uitleg die in de akte is gegeven acht het Gerecht echter genoegzaam zodat het Gerecht ervan uitgaat dat er inderdaad twee [X] [het slachtoffer]s zijn zodat er geen sprake van is dat [het slachtoffer] als personeelsfunctionaris bijverdient bij een andere instantie naast haar werk als lerares. Dat zou op zich ook een opmerkelijke combinatie zijn.

4.24.

Op grond van het arrest van 17 februari 2017 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:273 Eiser/Goudse) moet de rechter een vergelijking maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. Weliswaar liggen de stelplicht en de bewijslast van het bestaan en omvang van de schade in beginsel op de benadeelde maar aan haar mogen echter geen strenge eisen worden gesteld. Het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. Bij de beoordeling van de hypothetische schade komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt. De rechter heeft een aanzienlijke mate van vrijheid bij de hier vereiste afweging van goede en kwade kansen. De motivering van de rechter dient consistent en begrijpelijk te zijn.

4.25.

Het Gerecht overweegt dat uit het rapport volgt dat een vergelijking tussen het inkomen met en zonder incident is gemaakt. Verder overweegt het Gerecht dat [het slachtoffer] als lerares is opgeleid en dat zij haar hele werkzame leven zodanig heeft gewerkt. Er zijn geen aanwijzingen dat [het slachtoffer] later een switch zal maken; integendeel: door [het slachtoffer] zijn de nodige bewijsstukken in het geding gebracht van bij- en omscholingscursussen binnen haar vakgebied. Dit betekent dat het Gerecht het rapport zal volgen. Uit het rapport, de salarisstroken en de tabellen volgt dat [het slachtoffer] 18% van haar arbeidsvermogen als gevolg van het incident is verloren. Er is sprake van een medische eindsituatie; alhoewel [het slachtoffer] zelf stelt dat zij inmiddels een post traumatisch stress syndroom als gevolg van het incident heeft ontwikkeld. Nu gesteld noch gebleken is dat zij hierdoor nog meer arbeidsvermogen verliest, en rekening houdende met hetgeen in 4.17. is overwogen, stelt het Gerecht vast dat [het slachtoffer] in principe vergoed dient te worden voor dit 18% lagere arbeidsvermogen. De rekenkundige data in het rapport worden door PJIA niet inhoudelijk betwist zodat het Gerecht het rapport ook op dit punt volgt, behoudens hetgeen onder 4.45. en 4.46. wordt overwogen.

4.26.

Door PJIA wordt aangevoerd dat naar Zwitsers recht [het slachtoffer] aanspraak zou hebben kunnen maken op een uitkering wegens haar verminderde arbeidsgeschiktheid. Uit een memorandum van een Zwitsers advocatenkantoor dat in opdracht van PJIA is opgesteld (hierna: het memorandum) volgt dat zij in elk geval in aanmerking zou hebben kunnen komen voor een uitkering op grond van de verplichte ongevallenverzekering (waarvoor een minimum percentage arbeidsongeschiktheid van 10% geldt).

4.27.

Het Gerecht overweegt het volgende. Uit het memorandum volgt dat pas bij een arbeidsongeschiktheid van 20% er een invaliditeitspensioen op grond van de sociale verzekeringswetten kan worden toegekend. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [het slachtoffer] 18% minder arbeidsvermogen heeft houdt het Gerecht het ervoor dat zij ook niet 20% arbeidsongeschikt is volgens de sociale verzekeringswetten.

4.28.

Wèl zou [het slachtoffer] volgens het memorandum in aanmerking komen voor een uitkering van de ongevallenverzekering op grond van de sociale verzekeringswetten in Zwitserland. [het slachtoffer] stelt daarover dat zij opzag tegen alle rompslomp en dat zij om die reden zich niet heeft gemeld bij het betreffende loket. Met PJIA is het Gerecht het eens dat dit wel van [het slachtoffer] had mogen worden verwacht in het kader van haar plicht tot schadebeperking. Het argument van [het slachtoffer] dat dit communicerende vaten zijn omdat de gesubrogeerde verzekeraar zich ingeval van uitkering zou melden om de aan [het slachtoffer] uitgekeerde verzekeringsgelden bij PJIA te verhalen gaat niet op. Dit doet immers niet af aan de uit artikel 6:101 BW voortvloeiende verplichting van [het slachtoffer] om haar schade te beperken.

4.29.

Het Gerecht stelt vast dat door [het slachtoffer] dus onvoldoende wordt betwist dat zij in aanmerking zou zijn gekomen voor een uitkering ingevolge de ongevallenverzekering, zodat het Gerecht daarvan uit moet gaan. Uit het memorandum van PJIA volgt dat de ongevallenverzekering ook andere schadeposten dekt. Het Gerecht geeft PJIA de gelegenheid om bij conclusie na tussenvonnis uit te leggen welke uitkeringen op grond van de ongevallenverzekering aan [het slachtoffer] zouden zijn toegekend. Deze uitleg dient te geschieden aan de hand van de wettelijke bepalingen en dient zo veel mogelijk concrete bedragen te bevatten. Het Gerecht acht het voorstelbaar dat PJIA daarover wederom een legal opinion aan hetzelfde Zwitserse advocatenkantoor vraagt. Daarop mag [het slachtoffer] dan bij antwoordconclusie na tussenvonnis reageren. Efficiënt en kostenbesparend zou zijn als partijen gezamenlijk een Zwitsers advocatenkantoor zouden vragen om hierover een bindend memorandum te schrijven. Gelet op de uit de processtukken blijkende weinig coöperatieve verstandhouding van partijen bij de afwikkeling van deze schade heeft het Gerecht er weinig fiducie in dat dit lukt. Partijen kunnen overigens ook het Gerecht vragen om een Zwitsers advocatenkantoor aan te wijzen waarna dit kantoor in opdracht van beide procespartijen aan de slag kan gaan.

4.30.

Een en ander betekent dat het Gerecht nog geen definitieve beslissing kan nemen over het bedrag dat aan [het slachtoffer] kan worden toegewezen betreffende verlies aan arbeidsvermogen.

Verlies van pensioen

4.32.

Tegen de gevorderde pensioenschade wordt door PJIA bij antwoord het verweer gevoerd dat het niet meer dan een aanname is dat [het slachtoffer] op haar 64e verjaardag met pensioen zal gaan. Weliswaar is dit de pensioengerechtigde leeftijd in Zwitserland maar een groot deel van de Zwitserse leraren gaat met vervroegd pensioen, zo is haar gebleken uit een via internet gevonden krantenartikel. Ook de hoogte van het pensioen (65% van het gemiddelde netto-inkomen) wordt betwist omdat dit niet wordt onderbouwd. Bij dupliek komt PJIA op deze verweren niet terug.

4.33.

Bij repliek reageert [het slachtoffer] niet specifiek op deze stellingen. Zij verwijst ten aanzien van haar inkomensschade in het algemeen naar het rapport en stelt dat dit goed onderbouwd is.

4.34.

Het Gerecht overweegt dat uit meerdere openbare bronnen op internet blijkt dat de pensioenleeftijd in Zwitserland voor vrouwen (nog steeds) 64 jaar is en overigens voor mannen 65 jaar. Het Gerecht vindt dat deze pensioenleeftijd dus in voldoende mate is komen vast te staan om als ijkpunt te dienen voor de schadebegroting. Dat veel leraren met vroegpensioen gaan brengt niet met zich dat [het slachtoffer] dat ook zal doen terwijl PJIA niet uitlegt om welke reden vroegpensioen tot een verlaging van de door haar verschuldigde schadevergoeding zou leiden. Dat is misschien wel aannemelijk maar kan zonder enige uitleg hierover door het Gerecht niet als uitgangspunt worden genomen.

4.35.

Terecht wijst PJIA er wel op dat aanpassingen in het bedrag van de loonschade ook gevolgen kunnen hebben voor de hoogte van de pensioenschade. Vandaar dat het Gerecht partijen vraagt daar aandacht aan te besteden in de in te dienen conclusies na tussenvonnis. Tevens dient [het slachtoffer] bewijs over te leggen dat de pensioenuitkering 65% van het gemiddelde netto-inkomen is. Behoudens deze twee punten acht het Gerecht de gevorderde pensioenschade dus toewijsbaar.

Verlies van zelfwerkzaamheid

4.36.

In het rapport wordt hierover (onder kopje 5) het volgende gezegd.

“Er is sprake van verlies van zelfwerkzaamheid. De advocaat van mevrouw [het slachtoffer] geeft aan dat voor het verlies van zelfwerkzaamheid de richtlijn van De LetselschadeRaad gevolgd dient te worden (zie bijlage 7). Tot 2010 wordt het normbedrag van Euro 1.000,00 gehanteerd. Vervolgens wordt er uitgegaan van Euro 1.080,00 per jaar. Vanaf 2014 bedraagt het normbedrag Euro 1.140,00. (..).”

4.37.

Bij repliek besteedt [het slachtoffer] aan deze schadepost geen aandacht, behoudens een verwijzing naar de richtlijnen van de Letselschaderaad en een pleidooi dat (onder andere) deze schade abstract moet worden begroot.

4.38.

Bij antwoord voert PJIA aan dat haar niet duidelijk is welk bedrag nu precies wordt gevorderd. Niet aannemelijk is gemaakt door [het slachtoffer] dat zij deze schade ondervindt en dat deze het gevolg is van het incident en aan PJIA kan worden toegerekend. Bij dupliek wordt dit min of meer herhaald.

4.39.

Het Gerecht overweegt het volgende. [het slachtoffer] bepleit dat het Gerecht de richtlijn toepast maar blijft zelf in gebreke om inzicht te verschaffen in haar leef- en woonsituatie. Blijkens de richtlijn is dat wel van belang om tot toepassing daarvan te geraken.

4.40.

Het Gerecht heeft hiervoor geoordeeld dat er sprake is van een verminderd arbeidsvermogen van 18%. Verder blijkt uit de rapportages dat [het slachtoffer] geen les in lichamelijke oefening meer kan geven en evenmin nog piano kan spelen. Daaruit leidt het Gerecht af, in aanmerking nemende het hiervoor aangehaalde arrest Sulman/Reaal, dat er ook sprake moet zijn van verlies van zelfwerkzaamheid als gevolg van het incident uit 2000. Gelet op de tijd die is verstreken sinds het incident mag van [het slachtoffer] worden verwacht dat zij deze schade specificeert zodat het Gerecht deze kan begroten. Ook dit dient te geschieden bij antwoordconclusie na tussenvonnis.

Huishoudelijke hulp

4.41.

In het rapport wordt hierover (onder kopje 6) het volgende gezegd:

“In de eerste periode na het ongeval is er sprake van huishoudelijke hulp. De advocaat van mevrouw [het slachtoffer] geeft aan hiervoor de richtlijn van de De LetselschadeRaad te volgen (zie bijlage 8). Voor de eerste periode bedraagt de huishoudelijke hulp Euro 112,00 per week. (…) (zie bijlage 5 tabel 2).”

4.42.

De stellingen van partijen komen m.m. neer op hetgeen hiervoor ter zake het verlies van zelfwerkzaamheid is overwogen.

4.43.

Het Gerecht verwijst naar hetgeen onder 4.40 is overwogen. Ook hierop dient [het slachtoffer] in haar antwoordconclusie na tussenvonnis in te gaan.

Totale bedrag aan schade / rekenrente en sterftekanscorrectie

4.44.

Ten aanzien van de hiervoor doorgenomen schadeposten (behoudens het smartengeld) wordt in het rapport een bedrag genoemd van CHF 700.745,00. Het is voor het Gerecht niet duidelijk hoe dit totaalbedrag tot stand is gekomen. Daarop gaat het Gerecht onder 4.67. verder in.

4.45.

Bij antwoord voert PJIA aan dat over de hiervoor behandelde schadeposten door [het slachtoffer] zonder uitleg uit wordt gegaan van een rekenrente (verschil tussen rente en inflatie) van 2%. Het gebruikelijke percentage moet zijn 3%. Evenmin is in het rapport rekening gehouden met een sterftekanscorrectie. Hierop wordt door [het slachtoffer] niet gereageerd. Het Gerecht overweegt dat voor langlopende schades een rekenrente van 3% inderdaad gebruikelijk is. De berekeningen in het rapport dienen op dit punt te worden aangepast.

4.46.

Het Gerecht overweegt dat uit het rapport inderdaad niet van een sterftekanscorrectie blijkt terwijl dit noodzakelijk is om de schade te kunnen begroten. Ook in die zin moet het rapport worden aangepast. [het slachtoffer] moet in haar antwoordconclusie na tussenvonnis op deze verweren van PJIA alsnog reageren. Iedere beslissing op dit punt wordt dus aangehouden.

Schade aan gebruiksvoorwerpen

4.47. [

het slachtoffer] vordert CHF 909,00 aan schade aan haar mobiele telefoon, camera, horloge, zonnebril en “Beach Street Paris Lafayette: 88 CHF”. Dit is directe schade als gevolg van het incident.

4.48.

Bij antwoord en dupliek stelt PJIA dat bewijzen van deze schade ontbreken. Ook is onduidelijk of het nieuwprijzen of vervangingsprijzen zijn. Zijn deze voorwerpen überhaupt wel eigendom van [het slachtoffer]?

4.49.

Bij repliek gaat [het slachtoffer] op deze schadepost niet in.

4.50.

Het Gerecht overweegt dat concrete schadeberekening bij deze schadepost de regel moet zijn. In die zin heeft [het slachtoffer] niet volledig voldaan aan haar stelplicht, gelet op de gevoerde verweren. Het Gerecht acht de schadeposten op zich bewezen, gelet op de aard van de schade, te weten de normale gebruiksvoorwerpen die een toerist op een tropisch eiland bij zich heeft. Deze schade staat in causaal verband met het incident en is ook toerekenbaar aan PJIA. Nu documentatie van de schade inderdaad ontbreekt zal het Gerecht deze schade billijkheidshalve begroten op 80%, oftewel (afgerond) CHF 730,00.

Medische kosten

4.51.

Aan medische kosten vordert [het slachtoffer] een bedrag van CHF 13.680,00. Het betreft overwegend kosten uit 2000.

4.52.

Met PJIA begrijpt het Gerecht de optelling van de tweede bladzijde van bijlage 11 bij het rapport niet. Voormeld bedrag blijkt namelijk niet de som van deze optelling. Verder ontbreken bonnen en toelichting op deze post. Ook is onduidelijk wat wordt bedoeld met de term “Total Daily Allowance 2000”. Een en ander dient dus door [het slachtoffer] in haar antwoordconclusie te worden uitgelegd. Tevens dient daarin aandacht te worden besteed aan de vraag of deze medische kosten niet onder de ongevallenverzekering hadden kunnen worden gebracht.

Omscholingskosten

4.53. [

het slachtoffer] vordert blijkens het rapport het volgende: “1-1-2002 Kosten omscholing. Cursusgeld, reiskosten, verblijf in totaal CHF 15.358,70.” Het blijkt om een “LBV-Kurse” te gaan die zij in de cursusjaren 2002-2004 (cursus XVII) en 2005-2007 (cursus 2005-2007) heeft gevolgd. Het gaat om CHF 6.000 aan cursusgelden en de rest van het bedrag bestaat uit reis- en verblijfskosten. Van de aan het rapport toegevoegde pagina over de eerste LBV Kurse kan het Gerecht alleen de aanhef goed lezen en de rest niet. Cursus XIX blijkt als onderwerp te hebben “Berufsbegleitende Weiterbildung von Lehrkräften in Berufswahlvorbereitung”. Door [het slachtoffer] worden de nodige facturen, bonnen en deelnemerslijsten in het geding gebracht die overwegend goed leesbaar zijn.

4.54.

Nadat PJIA bij antwoord de vraag stelde hoe de gevolgde cursussen zich verhouden tot het incident uit 2000 stelt [het slachtoffer] bij repliek daarover onder 36 het volgende: “(…) Door het ongeval is aan [het slachtoffer] door toedoen van PJIAE de mogelijkheid ontnomen om als vakkracht voor lichamelijke oefening werkzaam te zijn. Weliswaar heeft zij, ter beperking van de schade voor PJIAE, met veel kosten en inspanning aanvullende (omscholings)cursussen gedaan, maar haar werkgever heeft hiervoor geen vacature. Haar werkgever verplichtte haar een LBV-Kurs XIX te volgen over de jaren 08.2004-10.2007 (…), maar het met goed gevolg doorlopen van die cursus leidde niet tot vervangend werk, omdat het er domweg niet was en is. (…)”

4.55.

Bij dupliek vraagt PJIA zich af waarom [het slachtoffer]’s werkgever de cursus niet heeft betaald nu hij haar daartoe verplichtte. Verder vraagt PJIA zich af of deze cursussen niet in het normale loopbaanverloop van een lerares passen, zodat deze schadepost niet toerekenbaar is aan het incident.

4.56.

Het Gerecht wil door [het slachtoffer] nader worden geïnformeerd over het causaal verband tussen deze schadepost en het incident. In het kader van de toerekening van deze schadepost wil het Gerecht worden geïnformeerd over de redenen die aan het volgen van deze cursussen ten grondslag lagen, nu immers [het slachtoffer] zelf stelt dat vervangend werk er niet was en is. Was dat niet voorzienbaar voordat deze, relatief kostbare, cursussen werden gevolgd? Tot slot geldt dat het Gerecht een bewijs wil zien dat deze cursussen door [het slachtoffer] zelf zijn betaald. Een en ander dient bij antwoordconclusie na tussenvonnis door [het slachtoffer] te worden toegelicht.

Kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 6:96 BW

4.57. “

“Kosten van rechtskundige bijstand ter verkrijging van voldoening buiten rechte:

Ex aequo et bono : EUR 9.500,- (USD: 10.792,57”),

aldus de aanvullende schadestaat achter het verzoekschrift. Bij repliek wordt, na gemotiveerd verweer van PJIA, uitgelegd dat [het slachtoffer] aan haar voormalige advocatenkantoor op Sint Maarten USD 5.369,23 heeft betaald, zoals volgt uit een overgelegde e-mail van dat kantoor. Een bedrag van USD 834,20 werd betwist door [het slachtoffer] en is door haar niet betaald.

4.58.

Onderliggende bescheiden ontbreken. Het Gerecht verzoekt [het slachtoffer] de declaraties en/of specificaties van de kosten van rechtsbijstand van haar voormalige advocaat op Sint Maarten over te leggen. Er is immers geen reden deze post te schatten nu haar advocaat daarvan specificaties zal hebben bijgehouden.

4.59.

Wat betreft haar huidige (Nederlandse) advocaat wordt bij repliek een specificatie van 23,2 uren x tarief van Euro 225,00 ex BTW overgelegd over de periode 11 augustus 2014 tot 5 november 2015. Deze zijn deels van kleur verschoten (van buitengerechtelijk naar gerechtelijk) omdat, na een poging de zaak minnelijk te regelen, de werkzaamheden feitelijk ten goede zijn gekomen aan de schadestaat die aan het verzoekschrift is gehecht, aldus [het slachtoffer] zelf. Vandaar dat niet het volledige bedrag (Euro 6.203,02) wordt gevorderd maar slechts Euro 9.500,00, inclusief de kosten van de vorige advocaat.

4.60.

Het Gerecht zal deze schadepost vaststellen na ontvangst van voormelde declaraties. Daarbij moet nog worden ingegaan op de verweren die in alinea 54 van de conclusie van dupliek over deze schadepost worden gevoerd.

4.61.

Wegens de kosten ten behoeve van het letselschadebureau, dat de schadestaat en de onderliggende berekeningen heeft opgesteld, vordert [het slachtoffer] Euro 6.348,01. Deze post wordt met declaraties en specificaties onderbouwd. Het verweer tegen deze post van PJIA komt neer op het volgende. Onduidelijk is waarom er een Nederlands bureau is ingeschakeld. Onduidelijk is wat dit bureau heeft gedaan, nu het kennelijk geen eigen onderzoek heeft verricht maar enkel berekeningen heeft vervaardigd. Meer dan twee uur werk kan er niet inzitten. De dubbele redelijkheidstoets wordt dus niet doorstaan.

4.62.

Het Gerecht overweegt het volgende. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.9. onder (ad) 3 is het begrijpelijk dat een Nederlands letselschadebureau is ingeschakeld. Inschakeling van een letselschadebureau is gebruikelijk, de specificaties van de gewerkte uren zijn inzichtelijk en het rapport vormt een goede basis om inzicht te verkrijgen in de door [het slachtoffer] ondervonden schade. Dit betekent dat het Gerecht deze kostenpost zal toewijzen.

Wettelijke rente

4.63.

Het Gerecht is het eens met PJIA dat het niet vanzelfsprekend is dat de wettelijke rente over alle schadeposten gaat lopen vanaf datum incident, dan wel datum indiening van het verzoekschrift in de bodemprocedure, te weten 19 maart 2001. Anders dan [het slachtoffer], wederom, bepleit is er geen reden voor een abstracte berekening, zeker in ogenschouw genomen het aanzienlijke tijdsverloop vanaf het incident tot de toekomstige uiteindelijke betaling van de schadepost(en) op grond van een eindbeslissing van de rechter in de schadestaat procedure. Bij antwoordconclusie na tussenvonnis dient [het slachtoffer] daarom een overzicht te verstrekken per schadepost waarin zij aangeeft op welke dag zij deze schade heeft ondervonden zodat het Gerecht kan beslissen wanneer daarover de wettelijke rente ingaat. Op die wijze kan het Gerecht ook beter beoordelen of door [het slachtoffer], zoals PJIA stelt, al dan niet dubbele rente wordt gevorderd.

Omrekenkoers

4.64.

PJIA voert aan dat [het slachtoffer]’s schade overwegend is geleden in Zwitserse Franken omdat zij in Zwitserland woont en werkt. Zij vordert nu de schade in US Dollars c.q. Antilliaanse Guldens. Gelet op het verloop van deze valutakoersen de afgelopen jaren zou [het slachtoffer] door betaling in US Dollars bevoordeeld worden. PJIA bepleit het toepassen van een gemiddelde wisselkoers per jaar over de jaren na het ontstaan van iedere schadepost. Anders zou [het slachtoffer] onredelijk worden bevoordeeld en dat zou neerkomen op ongerechtvaardigde verrijking.

4.65.

Hierop reageert [het slachtoffer] door te verwijzen naar artikel 6:124 BW waaruit volgt dat de koers van de dag van betaling relevant is. Het staat PJIA vrij te betalen in Antilliaanse Guldens.

4.66.

Het Gerecht overweegt dat de Antilliaanse Gulden is gekoppeld aan de koers van de US Dollar. Aldus is het verweer van PJIA ook van belang indien in Antilliaanse guldens wordt betaald. In het onder 4.63. vermelde overzicht dient [het slachtoffer] per datum van ontstaan van iedere “Zwitserse schadepost” inzicht te verschaffen in de op die datum geldende koers CHF – NAf. Voor de inkomensschade dient de gemiddelde koers per jaar te worden opgegeven. Op die wijze verkrijgt het Gerecht meer inzicht in de vraag of er een onredelijk voordeel voor [het slachtoffer] kan ontstaan of niet. Artikel 6:100 BW (verrekening van voordeel) bepaalt immers dat de rechter hiermee rekening moet houden.

4.67.

Het Gerecht overweegt dat door deze aanpak tevens meer inzicht ontstaat in de schadestaat. Het Gerecht onderschrijft namelijk de mening van PJIA dat deze op cijfermatig niveau inzichtelijker dient te worden gemaakt. Te veel schadeposten worden bij elkaar opgeteld zonder dat duidelijk wordt voor welk bedrag een schadepost in het totaal meetelt. Dat maakt ook de (belangrijke) vordering betreffende de wettelijke rente moeilijk te doorgronden.

Proceskosten en kosten Zwitsers advocatenkantoor

4.68.

PJIA bepleit dat op grond van artikel 61 sub 2 Rv [het slachtoffer] wordt veroordeeld, in het kader van de proceskostenveroordeling, tot betaling van CHF 4.780,25 voor de kosten van het memorandum. Dit wordt door [het slachtoffer] betwist.

4.69.

Het Gerecht ziet aanleiding de beslissing omtrent de proceskosten aan te houden tot het eindvonnis.

Voorschot

4.70.

Door [het slachtoffer] wordt bepleit dat de door het Gerecht in deze procedure vastgestelde schadeposten alvast dienen te worden toegewezen omdat zij alle kosten heeft moeten voorfinancieren en PJIA nooit een voorschot heeft willen betalen, ondanks dat [het slachtoffer] hierom heeft verzocht. Hiertegenover stelt PJIA dat de toewijsbaarheid van veel schadeposten nog onzeker is zodat dit verzoek moet worden afgewezen.

4.71.

Het Gerecht overweegt dat het een aantal schadeposten heeft kunnen vaststellen maar inderdaad nog niet volledig. Duidelijk is wel dat [het slachtoffer] flinke schade heeft ondervonden, met name bestaande uit verlies aan arbeidsvermogen, smartengeld en de inmiddels verschenen rente. Het Gerecht ziet daarom aanleiding, mede omdat onbetwist is dat [het slachtoffer] sinds het incident in 2000 in het geheel geen voorschot op haar schade heeft gekregen, om een voorschot onder algemene titel toe te kennen van NAf. 90.000,00, zulks ter nadere verrekening met de uiteindelijk vast te stellen schadevergoeding. Tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad is geen bezwaar gemaakt door PJIA zodat het Gerecht daartoe zal beslissen.

Het verdere verloop van de procedure

4.72.

PJIA dient een conclusie na tussenvonnis in te dienen. Daarop mag [het slachtoffer] met een antwoordconclusie na tussenvonnis reageren. In deze conclusiewisseling dienen partijen in te gaan op alle hiervoor geformuleerde vragen. Daarna zal het Gerecht een comparitie van partijen gelasten, zo nodig via videoconferencing, zodat hoor en wederhoor kan worden voltooid. Tevens wordt onderzocht of partijen een schikking kunnen treffen. Na de comparitie volgt vonnis.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

veroordeelt PJIA om aan [het slachtoffer] te betalen NAf 90.000,00 als voorschot ter nadere verrekening met het uiteindelijk aan [het slachtoffer] toe te wijzen schadebedrag en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

verwijst de zaak naar de rolzitting van 5 september 2017 voor conclusie na tussenvonnis van PJIA (P1),

bepaalt dat [het slachtoffer] daarna een antwoordconclusie na tussenvonnis mag indienen op een door de rolrechter te bepalen datum (P1),

bepaalt een comparitie van partijen op een nader te bepalen datum,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.