Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2017:33

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
EJ 2017/55
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding. Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Ontbinding geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3622
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 21 juni 2017

Zaaknummer: EJ 2017/55

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Beschikking

in de zaak van

de naamloze vennootschap

[de werkgever],

gevestigd te Sint Maarten,

verzoekster,

verweerster in het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. B.B. Brooks

tegen

[de werknemer],

wonende te Sint Maarten,

verweerder,

verzoeker in het zelfstandig voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. Z. Bary.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 27 maart 2017,

  2. ongedateerde brief van de werknemer met bijlagen waaronder een memory stick met bestanden,

  3. verweerschrift tevens tegenverzoek met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017. Partijen en hun gemachtigden waren aanwezig. Namens werkgever is de heer A. …., directeur, verschenen. Partijen hebben de standpunten toegelicht. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

Hierna is de uitspraak bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst is de werknemer met ingang van 1 september 2014 bij de werkgever in dienst gekomen voor de duur van één jaar. Ingaande 1 september 2015 is de arbeidsovereenkomst verlengd met nog een jaar en op 1 september 2016 is de arbeidsovereenkomst voor de tweede maal voor één jaar verlengd.

2.2.

De werknemer is werkzaam als “Warehouse Assistant” en zijn salaris bedraagt NAf 1.800,00 bruto per maand.

2.3.

Bij brief van 20 januari 2017 wordt door de werkgever aan de werknemer het volgende bericht:

“Based on your behavior for the past few months you have been negligent when it pertains to your work. You are continuously ignoring the work instructions of your immediate Supervisor, and you have been displaying an attitude that is unacceptable.

On Wednesday afternoon January 18, 2017 you once again addressed your supervisor disrespectfully with the use of obscene language. Your supervisor assigned a task to your hand scanner and after 45 minutes he checked back in the system to see what progress you made. He then realized that you did not start or complete the task and hence decided to look for you to see if there was any problem. When he approached you, you were playing on your cellphone. He then asked you why you did not start and when you did not answer he repeated his question. Your supervisor then informed you that he would have to give you another task because the current task on your hand scanner could no longer be completed before your scheduled lunch break. However, during his explanation of why he was going to assign another task, you interrupted and told you Supervisor “F*#k you Kimball” which you repeated twice to him.

In the meeting on Friday morning January 20 at 8:15am with the Supply Chain Manager (SCM) and the Management Assistant (MA) you were explained why you were being suspended with regards to your inappropriate language which was uncalled for and cannot be accepted. You agreed that what you said to your Supervisor at the time was wrong, but you were frustrated by the workload that you were receiving. (onderstreping GEA). In several occasions we have informed you that in the event you feel frustrated you can always go to the SCM or MA to vent. We have been through this with you before, you cannot blame others for the actions and words you choose.

Mr. [werknemer] we have been accepting this behavior from you for way too long, and it can no longer be tolerated. Throughout the past few months namely November & December 2016 you have been idling with task assigned to you, constantly hanging out on the ground floor warehouse interrupting your coworkers form completing their work, of which you have been verbally warned several times in the past by your supervisor(s) with regards to this.

Mr. [werknemer] this sort of behavior will no longer be accepted; therefore you have been suspended for three (3) working days without pay which went to effect Thursday January 19 unto and including Monday January 23, 2017.

Based on the abovementioned, Management will further review the incident in the Warehouse with Warehouse supervisors and or witnesses on the incident on Wednesday January 18. Therefore Tuesday January 24, 2017 you will be placed on inactive duty with pay until further notice.”

2.4.

Bij brief van 7 februari 2017 bericht de werkgever aan de werknemer dat de schorsing, met behoud van loon, blijft gehandhaafd en dat de procedure om de werknemer te ontslaan zal worden gestart.

3 De verzoeken en de verweren van partijen

3.1.

Het verzoek van de werkgever strekt ertoe dat de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang wordt ontbonden zonder toekenning van een vergoeding aan de werknemer.

3.2.

De conclusie uit het verweerschrift van de werknemer besluit als volgt: “De vordering strekkende tot ontbinding van partijen arbeidsovereenkomst integraal af te wijzen met veroordeling van [de werkgever] in de proceskosten. Slechts voorzover [de werkgever] zou zijn toegelaten tot het eisen van ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van gewijzigde omstandigheden, verzoekt [de werknemer] Uw Gerecht de correctiefactor op 2 te stellen; kosten rechtens.”

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover zij relevant blijken voor de beoordeling van het geschil.

4 De beoordeling

4.1.

De werkgever legt, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aan het verzoek ten grondslag. Primair is sprake van een uitgestelde dringende reden. Subsidiair geldt dat er een verandering van omstandigheden is. Die is toe te schrijven aan de werknemer. Hij heeft namelijk begin 2016 en kort na de tweede verlenging van de arbeidsovereenkomst onacceptabel gedrag vertoond. Het gaat met name om beledigende uitlatingen richting leidinggevenden, niet hard genoeg werken en instructies niet opvolgen. Verwezen wordt naar de e-mails tussen leidinggevenden en de afdeling personeelszaken die de incidenten beschrijven. Hetgeen is vermeld in de brief van 20 januari 2017 is exemplarisch voor het wangedrag van de werknemer.

4.2.

Deze stellingen worden door de werknemer inhoudelijk weersproken.

4.3.

Het Gerecht overweegt dat het verzoek van de werkgever moet worden afgewezen om de hierna te vermelden redenen.

4.4.

Duidelijk is dat de brief van 20 januari 2017 de eerste schriftelijke mededeling van de werkgever aan de werknemer is dat hij zich niet zou hebben gedragen zoals een goed werknemer betaamt. Eerdere schriftelijke waarschuwingen ontbreken en het is voor het Gerecht niet komen vast te staan dat op initiatief van de werkgever met de werknemer is gesproken over de gestelde incidenten. Van een goed werkgever mag worden verwacht dat hij dit soort klachten met de werknemer bespreekt, diens commentaar aanhoort, hem de gelegenheid geeft zijn gedrag te verbeteren en daarna beziet of de werknemer inderdaad zijn gedrag verbetert of dat hij verder moet worden gecoacht of bijgestuurd dan wel dat andere maatregelen geïndiceerd zijn.

4.5.

Verder is het Gerecht van oordeel dat uit de twee verlengingen van de arbeidsovereenkomst kan worden afgeleid dat de werkgever juist tevreden was over het functioneren van de werknemer, zodat het Gerecht vraagtekens plaatst bij de stelling van de werkgever dat er een patroon van klachten was.

4.6.

In de derde plaats overweegt het Gerecht dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst een ultimum remedium is. Het Gerecht vindt dit in de gegeven omstandigheden een te vergaand middel, nu alle minder vergaande middelen (zoals een gesprek, een waarschuwingsbrief, een berisping, een schorsing) niet eens zijn aangewend.

4.7.

In de vierde plaats overweegt het Gerecht dat uit het onderstreepte gedeelte van de brief van 20 januari 2017 volgt dat de werknemer toegeeft verkeerd te hebben gehandeld maar dat dit komt omdat hij te zwaar belast is met werk. Het Gerecht kan niet uitsluiten dat sprake is van te zware werkomstandigheden, die door de werknemer in zijn brief en met behulp van de foto’s op de memory stick worden gedocumenteerd, en kan dus evenmin uitsluiten dat hierom de werknemer de onbeleefde uitlatingen jegens zijn leidinggevende heeft gedaan. Dat is dan mogelijk “in het heetst van de strijd” gebeurd en kan, hoe onwenselijk deze uitlatingen ook zijn, een noodkreet vormen die voor de werkgever aanleiding had moeten zijn om zich eens te verdiepen in de werkomstandigheden in het magazijn in plaats van de klagende werknemer direct te willen ontslaan.

4.8.

Aldus zal het Gerecht, zoals gezegd, het verzoek van de werkgever afwijzen. Wat betreft de dringende reden gebeurt dit omdat die niet ernstig genoeg is en bovendien te vergaand, zoals hiervoor is gemotiveerd. Ook het verzoek, voor zover gebaseerd op gewijzigde omstandigheden, wordt afgewezen om dezelfde vier redenen als hiervoor. Daarbij komt dat de arbeidsovereenkomst toch afloopt op 1 september 2017 vanwege de overeengekomen bepaalde tijd en het dus qua tijd nauwelijks meer de moeite waard is om de arbeidsovereenkomst eerder te ontbinden, waarbij het Gerecht overigens aanleiding zou zien om een vergoeding toe te kennen gelijk aan de overgebleven duur van de arbeidsovereenkomst, wederom vanwege al hetgeen hiervoor is overwogen.

4.9.

Het Gerecht komt niet toe aan het voorwaardelijk tegenverzoek van de werknemer en zal dit in de beslissing verstaan.

4.10.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij zal de werkgever in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werkgever af,

verstaat dat niet wordt toegekomen aan het voorwaardelijk tegenverzoek van de werknemer,

veroordeelt de werkgever in de proceskosten, aan de zijde van de werknemer begroot op nihil aan verschotten en op NAf 1.000,00 aan salaris gemachtigde,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.