Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:98

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
BBZ nr. 64851 van 2013
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft te laat bezwaar en beroep ingediend. De Inspecteur heeft de tijdige verzending van de aanslag en de uitspraak op bezwaar niet kunnen bewijzen en het is een feit van algemene bekendheid dat de (tijdige) postbezorging op Sint Maarten zeer te wensen overlaat. Gelet daarop zijn de termijnoverschrijdingen naar het oordeel van het Gerecht verschoonbaar. Belanghebbende voldoet niet aan alle voorwaarden van de penshonadoregeling, zodat het penshonadotarief van 10% niet van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 17 mei 2016

BBZ nr. 64851 van 2013

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, woonachtig in Sint Maarten,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

De inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 12 maart 2010 een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2008 opgelegd.

1.2

Belanghebbende is op 30 juni 2010 in bezwaar gekomen tegen de aanslag. Op 28 maart 2013 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Op 19 september 2013 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.

1.3

De Inspecteur heeft een vertoogschrift met bijlagen ingediend.

1.4

Ter zitting van 21 september 2015 te Philipsburg zijn verschenen belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A verbonden aan Y en namens de Inspecteur B LLM en C. Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen. Aan het einde van de zitting heeft de Raad belanghebbende de gelegenheid geboden om nadere informatie te verstrekken. Belanghebbende heeft op 16 december 2015 nadere informatie verstrekt. Vervolgens hebben partijen schriftelijk standpunten uitgewisseld en nadere informatie verstrekt op 17 december 2015 (de Inspecteur), 5 januari 2016 (belanghebbende), 11 januari 2016 (de Inspecteur), 6 februari 2016 (belanghebbende) en 7 maart 2016 (de Inspecteur). De Raad heeft uit de reacties van partijen afgeleid dat zij af willen zien van een nieuwe zitting en wensen dat er uitspraak gedaan wordt. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten en een uitspraak aangezegd op 19 april 2016. Deze termijn is verlengd tot 17 mei 2016. Bij Landsbesluit van 29 april 2016 tot bepaling van de inwerkingtreding van de Landsverordening invoering hoger beroep in belastingzaken (AB 2016, no. 18) is de Landsverordening invoering hoger beroep in belastingzaken per 30 april 2016 in werking getreden. Dat betekent dat vanaf die datum niet de Raad van Beroep voor Belastingzaken, maar het Gerecht in eerste aanleg (hierna: het Gerecht) uitspraak dient te doen met betrekking tot nieuwe en lopende belastinggeschillen.

2 DE TUSSEN PARTIJEN VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting verzocht om toepassing van de penshonadoregeling ex artikel 23B en verder Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LIB). Bij het verzoek zijn geen bewijsstukken gevoegd.

2.3

Bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting is het verzoek afgewezen en is het normale tarief toegepast in plaats van het tarief van 10% dat geldt als de penshonadoregeling van toepassing is.

2.4

Tot de stukken van het geding behoren:

- ‘ Uittreksel basisadministratie’ van 20 december 2006, waarin staat dat belanghebbende sedert 15 juni 2006 is opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens;

- Beslissing van de Vreemdelingendienst Eilandgebied Sint Maarten van 23 mei 2006, waarin staat dat aan belanghebbende een vergunning tot tijdelijk verblijf wordt verleend tot 17 mei 2007;

- Beslissing van de Vreemdelingendienst Eilandgebied Sint Maarten van 6 september 2007, waarin staat dat aan belanghebbende een vergunning tot tijdelijk verblijf wordt verleend tot 6 september 2009;

- Beschikking van de Immigratiedienst Sint Maarten van 27 januari 2012, waarin staat dat aan belanghebbende een vergunning tot tijdelijk verblijf wordt verleend tot 9 oktober 2014;

- Beschikking van de Immigratiedienst Sint Maarten van 12 november 2014, waarin staat dat aan belanghebbende een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend.

3 HET GESCHIL

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op toepassing van de penshonadaregeling. Tevens zijn de ontvankelijkheid van het bezwaar en het beroep in geschil.

4 STANDPUNTEN PARTIJEN

4.1

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het bezwaar ontvankelijk is, omdat hij eerst medio juni 2010 bekend is geworden met het bestaan van de aanslag en hij daarna onverwijld op 30 juni 2010 een bezwaarschrift heeft ingediend. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep voert belanghebbende aan dat hij de uitspraak op bezwaar nooit heeft ontvangen en dat hij pas door een exploit van beslag onder derden van 17 september 2013 bekend is geworden met de uitspraak op bezwaar. Vervolgens heeft hij op 19 september 2013 beroep ingesteld. Derhalve is volgens belanghebbende voor zowel het bezwaar als het beroep sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De Inspecteur acht het ongeloofwaardig dat belanghebbende de aanslag en de uitspraak op bezwaar en daarnaast ook de aanmaning en de verminderde aanslag inkomstenbelasting 2008 niet zou hebben ontvangen terwijl al deze documenten naar het door hem zelf opgegeven adres, Z, zijn gestuurd. Daarbij is het volgens de Inspecteur heel vreemd dat belanghebbende van de aanslag AVBZ 2008, die tegelijkertijd met de aanslag inkomstenbelasting 2008 is verstuurd, pas in 2012 zou hebben kennis genomen. Belanghebbende heeft volgens de Inspecteur de late ontvangst van de aanslag inkomstenbelasting en de uitspraak op bezwaar niet bewezen.

4.2

Belanghebbende stelt dat hij kwalificeert voor de penshonadoregeling en daar ook voor heeft geopteerd. Hij kan geen bewijsstukken overleggen omdat hij zich niet binnen twee maanden bij de bevoegde Inspecteur heeft gemeld. Dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan blijkt uit het feit dat de Inspecteur over 2007 de penshonadoregeling, nadat belanghebbende tegen de definitieve aanslag bezwaar had gemaakt, heeft geaccepteerd. Belanghebbende mocht er dan ook op vertrouwen dat ter zake van toepassing van penshonadoregeling sprake was van een bewuste standpuntbepaling. De Inspecteur voert aan dat belanghebbende heeft nagelaten stukken in te dienen waardoor niet vastgesteld kan worden of belanghebbende voldoet aan de in artikel 23D LIB gestelde voorwaarden. Belanghebbende heeft volgens de Inspecteur niet tijdig verzocht om toepassing van de penshonadoregeling, hij heeft slechts een toelating tot tijdelijk verblijf en hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft voldaan aan de eisen die in artikel 23D LIB aan het hebben van een eigen woning zijn gesteld. De Inspecteur acht het vertrouwensbeginsel niet geschonden omdat het toestaan van de penshonadoregeling in 2007 berust op een vergissing.

5 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Ontvankelijkheid bezwaar en beroep

5.1.1

Ingevolge artikel 29, lid 1 en artikel 31 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen kan de belastingplichtige binnen twee maanden na dagtekening van de aanslag en de uitspraak op bezwaar respectievelijk bezwaar en beroep daartegen aantekenen. Belanghebbende heeft het bezwaar- en beroepschrift na die termijn en dus te laat ingediend. In dat geval blijft niet-ontvankelijkheid achterwege indien wordt aangetoond dat de tijdige indiening door bijzondere omstandigheden is verhinderd. Dit is voor het beroep bepaald in artikel 5, lid 4 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940, maar heeft naar het oordeel van het Gerecht evenzeer te gelden voor het bezwaar.

5.1.2

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij pas medio juni 2010 bekend is geworden met de aanslag en pas op 17 september 2013 met de uitspraak op bezwaar. Het Gerecht acht die verklaring geloofwaardig. De Inspecteur heeft de tijdige verzending van de aanslag en de uitspraak op bezwaar niet kunnen bewijzen en het is een feit van algemene bekendheid dat de (tijdige) postbezorging op Sint Maarten zeer te wensen overlaat. Gelet daarop zijn de termijnoverschrijdingen naar het oordeel van het Gerecht verschoonbaar. Omdat belanghebbende na het bekend worden met de aanslag en de uitspraak op bezwaar zo spoedig als redelijkerwijze mogelijk was bezwaar en beroep heeft aangetekend, dienen beide ontvankelijk te worden verklaard. Nu het bezwaar in de uitspraak ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard is in zoverre het beroep reeds gegrond.

Inhoudelijk

5.2

Ingevolge artikel 23D lid 1 en lid 2 LIB kan een belastingplichtige met succes een verzoek tot toepassing van de penshonadoregeling doen indien hij (voor zover hier van belang):

- direct voorafgaand aan het jaar waarin de penshonadaregeling voor het eerst op hem van toepassing wordt, in het buitenland woonachtig is geweest voor een aaneengesloten periode van tenminste 60 maanden (artikel 23D, lid 1, letter a LIB);

- binnen twee maanden na inschrijving in het bevolkingsregister zich bij de bevoegde Inspecteur der Belastingen heeft aangemeld als belastingplichtige die in aanmerking wil komen voor toepassing van de penshonadoregeling (artikel 23D, lid 1 letter c LIB);

- voor eigen gebruik een woning in Sint Maarten in eigendom onverhuurd ter beschikking heeft welke op het tijdstip van verkrijging een waarde heeft van minstens Naf 450.000 (artikel 23D, lid 2, letter b LIB);

- binnen 18 maanden na inschrijving in het bevolkingsregister een woning als bedoeld in het vorige gedachtestreepje in gebruik heeft genomen (artikel 23D, lid 1, letter d LIB)

- een persoon is als bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening toelating en uitzetting (P.B. 1966, no. 17) of krachtens die landsverordening is toegelaten tenzij het een toelating betreft tot tijdelijk verblijf (artikel 23D, lid 2, letter a LIB).

Belanghebbende moet aan al deze voorwaarden voldoen om recht te hebben op toepassing van de penshonadoregeling.

5.3

Belanghebbende heeft erkend dat hij zich niet binnen twee maanden na inschrijving in het bevolkingsregister bij de Inspecteur heeft aangemeld als belastingplichtige die in aanmerking wil komen voor toepassing van de penshonadoregeling (bladzijde 2 pleitnota belanghebbende). Hij heeft aldus niet voldaan aan de tweemaandseis als bedoeld in artikel 23D, lid 1 letter c LIB. Belanghebbende heeft aangevoerd dat deze tweemaandseis in de praktijk nooit werd toegepast, maar tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur heeft belanghebbende die stelling niet aannemelijk gemaakt. Voor zover belanghebbende heeft willen stellen dat ter zitting is afgesproken dat niet aan deze formele voorwaarde getoetst zou worden, faalt deze stelling. Ter zitting is besproken of belanghebbende aannemelijk kon maken dat aan de overige voorwaarden voldaan werd. Belanghebbende zou daarvoor nadere gegevens aanleveren waarna partijen mogelijk onderling tot overeenstemming zouden kunnen komen. In dat geval zou het Gerecht geen uitspraak meer hoeven doen. Nu dit niet gelukt is zal het Gerecht uitspraak doen waarbij aan alle voorwaarden, ook die van de tweemaandstermijn, getoetst dient te worden. Dat betekent dat belanghebbende reeds om deze reden geen recht heeft op toepassing van de penshonadoregeling.

5.4

Ten overvloede overweegt het Gerecht nog als volgt. Ten aanzien van de voorwaarde inzake de woning heeft belanghebbende gesteld dat hij in 2008 twee naast elkaar gelegen appartementen bezat in een appartementencomplex, gelegen in de wijk W, die een gezamenlijke waarde hadden van meer dan Naf 450.000 en dienden als één eigen woning. Als bewijs heeft belanghebbende de aankoopakten uit respectievelijk 1994 en 1997 bijgevoegd van twee aldaar gelegen appartementen met aankoopbedragen van Naf. 393.800 en Naf. 400.500. De Inspecteur heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat die appartementen dienden als één eigen woning en heeft daartoe uittreksels van het kadaster overgelegd. Volgens die uittreksels bezat belanghebbende aldaar vier appartementen die hij in de jaren negentig van de vorige eeuw heeft gekocht en die ieder op het tijdstip van verkrijging een waarde had van minder dan Naf. 450.000. Bovendien, zo stelt de Inspecteur, heeft de adviseur van belanghebbende, A voornoemd, in een email van drie december 2015 verklaard dat belanghebbende woonachtig is in een miljoenenvilla, een van de duurste huizen van Sint Maarten en niet in twee appartementen.

Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat hij een eigen woning in de zin van artikel 23D, lid 2, letter b LIB bewoonde. Het enkel overleggen van de aktes van aankoop van twee appartementen in 1994 en 1997 is daarvoor onvoldoende. Dat betekent dat belanghebbende ook niet aan de betreffende voorwaarde voor toekenning van de penshonadoregeling heeft voldaan.

5.5

Gelet op hetgeen is overwogen in 5.3 en 5.4 heeft belanghebbende niet voldaan aan een tweetal voorwaarden voor toepassing van de penshonadoregeling terwijl aan alle voorwaarden voldaan dient te zijn.

5.6

Belanghebbende heeft tevens een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, maar dit beroep faalt. Van meet af aan stond vast dat belanghebbende niet voldeed aan alle voorwaarden voor toepassing van de penshonadoregeling. Hierdoor was de handelwijze van de Inspecteur met betrekking tot 2007, waarbij hij de penshonadoregeling toestond, zozeer in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende redelijkerwijze had kunnen en moeten beseffen dat die handelwijze berustte op een vergissing. Dit geldt temeer nu de regeling in het jaar 2006, ook na bezwaar, niet werd toegestaan.

5.7

Uit het hiervoor overwogene volgt dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de penshonadoregeling en dat het beroep slechts gegrond is voor zover het de niet ontvankelijk verklaring van het bezwaar betreft.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. S. Verheijen, mr. drs. M. de Werd en mr. A. Beukers-van Dooren rechters in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2016, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, Bij afwezigheid van de

voorzitter tekent de rechter mr. drs. M. de Werd,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17b Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening dan wel toezending naar de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17c Landsverordening op het beroep in belastingzaken).