Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:9

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
EJ 2015/233
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht: cessantia, overwerk, verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/459
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: EJ 2015/233

Datum: 17 februari 2016

Beschikkingnr.

BESCHIKKING

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te Sint Maarten,

verzoeker,

gemachtigde: de heer E.I. Maduro,

tegen:

de naamloze vennootschap

[verweerder],

wonende in Sint Maarten,

verweerster,

gemachtigde: mr. N. de la Rosa.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als ‘[verzoeker]’ en ‘[verweerder]’, tenzij anders wordt vermeld.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    verzoekschrift met producties d.d. 13 november 2015,

  • -

    verweerschrift met producties,

  • -

    brief van mr. De la Rosa d.d. 18 januari 2016 met producties,

  • -

    brief van mr. De la Rosa d.d. 19 januari 2016 met producties,

  • -

    brief van de heer Maduro d.d. 18 januari 2016 met producties,

  • -

    pleitnota van de heer Maduro.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 december 2015 en is toen, met instemming van partijen, uitgesteld naar 20 januari 2016. Partijen zijn toen verschenen. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

verzoeker] is op 13 augustus 2003 als “Sales Clerk” in dienst getreden. Er is sprake van een zesdaagse werkweek van 7 uur per dag tegen een laatstelijk salaris van bruto NAf 1.593,00 per maand. Werktijden zijn van 05.00 tot 12.00 uur.

2.2.

Op 8 februari 2013 is door [verweerder] en [verzoeker] een Labour Agreement ondertekend. Het gaat om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd; 8 februari 2013 – 7 februari 2014. In artikel 8 is voorzien in een opzegtermijn van een maand.

2.3.

Op 8 juni 2015 is [verzoeker] op staande voet ontslagen door [verweerder]. Bij brief van 8 juni 2015, overhandigd aan [verzoeker] op 17 juni 2015, is dit ontslag ingetrokken en is de arbeidsovereenkomst door [verweerder] opgezegd tegen 8 juli 2015.

2.4.

Door [verzoeker] is de nietigheid van deze opzegging ingeroepen.

2.5.

In de loop van het dienstverband heeft [verzoeker] zeer veel schriftelijke waarschuwingen gekregen van [verweerder] wegens, kort gezegd, het niet opvolgen van instructies van [verweerder] betreffende de uitoefening van zijn functie.

2.6.

Voorafgaande aan deze procedure zijn door [verweerder] betalingen gedaan aan [verzoeker] wegens het niet in acht nemen van de correcte opzegtermijn.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Na vermindering en vermeerdering van eis verzoekt [verzoeker] het Gerecht om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen tot betaling aan haar terzake

  1. overwerk: NAf 207.979,00 bruto,

  2. loon opzegtermijn: NAf 3.186,00 bruto,

  3. vakantiedagen: NAf 415,62,

  4. vergoeding naar billijkheid: NAf 20.000,00 bruto,

de posten a tot en met c te verhogen met wettelijke verhogingen en rente,

een en ander met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

3.2. [

verweerder] verzoekt het Gerecht om de vorderingen van Maria af te wijzen, althans hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren, kosten rechtens.

4 De beoordeling

4.1. [

verzoeker] beroept zich op de nietigheid van de opzegging maar berust in de beëindiging van het dienstverband. Hij verbindt daaraan de conclusie dat aan hem dient te worden uitbetaald de post b (wegens het niet in acht nemen van de correcte opzegtermijn). Dat wordt door [verweerder] ook erkend maar er is discussie tussen partijen aan welke post door [verweerder] inmiddels gedane betalingen dienen te worden toegerekend. [verweerder] heeft namelijk een bedrag van Naf. 4.810,93 aan [verzoeker] betaald en, anders dan [verzoeker] meent, zag dat niet op de cessantia-uitkering, maar op loon opzegtermijn en restant vakantiedagen.

4.2.

Aldus dient het Gerecht te beoordelen of [verzoeker] recht heeft op de cessantia-uitkering van NAf. 4.595,25 bruto. Partijen verschillen over de hoogte hiervan niet van mening. Indien dat het geval is dan strekt de gedane betaling in mindering op deze uitkering en als dat niet het geval is dan dient de betaling in mindering te strekken op de andere vorderingen, indien deze worden toegewezen.

4.3.

Kort en zakelijk weergegeven voert [verweerder] aan dat uit de vele waarschuwingsbrieven aan [verzoeker] alsmede het ontslag op staande voet volgt dat het aan zijn schuld of aan een hem toe te rekenen omstandigheid is toe te schrijven dat de dienstbetrekking is geëindigd, zodat aan hem geen cessantia-uitkering toe komt. Dit wordt door [verzoeker] weersproken. [verzoeker] stelt hiertegenover dat hij deze waarschuwingsbrieven kreeg elke keer als hij aansneed dat hij een vergoeding wilde hebben voor het vele overwerk dat hij moest verrichten.

4.4.

Het Gerecht overweegt dat er gedurende de periode 2003 tot en met april 2015 maar liefst 15 waarschuwingsbrieven aan [verzoeker] zijn verzonden, gevolgd door het ontslag op staande voet. In de ontslagbrief wordt aangehaald dat [verzoeker] hardnekkig weigert formulieren in te vullen en weigert andere spullen in de bedrijfsauto te vervoeren dan brood. Dat zijn klachten die ook in de eerdere brieven terugkomen, tezamen met soortgelijke klachten. Kennelijk was de maat vol en dat gaf aanleiding tot het ontslag op staande voet dat echter enkele dagen alweer werd ingetrokken en dat werd opgevolgd door een ongemotiveerde opzegging zonder ontslagtoestemming van de Secretaris-Generaal van Arbeidszaken. Het Gerecht oordeelt dat uit deze handelwijze van [verweerder] volgt dat zij het dienstverband niet met inachtneming van dwingendrechtelijke regels heeft beëindigden en zij dus schadeplichtig is. Verder overweegt het Gerecht dat [verweerder] vele jaren lang het kennelijke disfunctioneren van [verzoeker] voor lief heeft genomen door enkel waarschuwingsbrieven te schrijven maar niet eerder het besluit te nemen dat het dienstverband diende te worden beëindigd. Daaruit leidt het Gerecht af dat [verweerder] dus ook heel veel dingen goed deed tijdens zijn langdurige dienstverband. Dat betekent dat het Gerecht oordeelt dat niet gezegd kan worden dat [verzoeker] door zijn schuld of ten gevolge van een hem toe te rekenen omstandigheid er debet aan is dat de arbeidsovereenkomst eindigt, in de zin van artikel 3 van de Cessantia Landsverordening. Aldus is de cessantia verschuldigd geworden.

4.5.

Dit betekent dat de eerder gedane betaling eerst in mindering strekt op de cessantia uitkering en pas daarna op de andere posten, zoals door [verzoeker] wordt gesteld en dit brengt met zich mede dat post b, die cijfermatig niet is betwist, toewijsbaar is.

4.6.

Wat betreft post c heeft [verzoeker] uitgelegd dat in de berekening van het Departement van Arbeidszaken als beëindigingsdatum 8 juni 2015 is opgenomen maar dat moet zijn, bij inachtneming van de correcte opzegtermijn van 3 maanden, 17 september 2015. Dit is door [verweerder] onvoldoende betwist zodat post c ook kan worden toegewezen.

4.7.

Over posten b en c worden de wettelijke verhogingen gevorderd en de wettelijke rente. Deze zullen worden toegewezen, zij het dat de wettelijke verhogingen worden gematigd tot 10%.

4.8.

Post d wordt ingesteld op grond van 7A:1615s BW; kennelijke onredelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst waardoor een schadevergoeding naar billijkheid zou zijn verschuldigd door [verweerder]. Terecht voert [verweerder] onder andere aan dat [verzoeker] niet aannemelijk maakt dat hij schade heeft geleden die tot toewijzing van een dergelijke vergoeding zou moeten lijden, waarbij [verweerder] er onder andere op wijst dat [verzoeker] ook andere werkgevers heeft.

4.9.

Het Gerecht overweegt dat de partij die aanspraak wil maken op een schadevergoeding naar billijkheid minimaal moet voldoen aan zijn stelplicht dat hij überhaupt schade heeft ondervonden. Door [verzoeker] wordt niet dan wel onvoldoende betwist dat hij ten tijde van het dienstverband met [verweerder] ook andere werkgevers had, zodat het niet voldoen aan zijn stelplicht temeer klemt. Daarbij komt dat [verzoeker] erin heeft berust dat het dienstverband zou eindigen terwijl hij even goed had kunnen zeggen, gelet op de beide nietige opzeggingen, dat hij herstel van het dienstverband wilde waarbij de loondoorbetalingsverplichting van [verweerder] was herleefd tot de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig tot een einde kwam en er dus mogelijk minder schade zou zijn ondervonden dan die hij nu vordert. Tot slot geldt dat met de toekenning van de cessantia uitkering mogelijke schade in elk geval deels gedekt kan worden geacht. Dit betekent dat post d wordt afgewezen.

4.10.

Thans gaat het Gerecht in op post a. Dat betreft een vordering ter zake door [verweerder] niet vergoed overwerk in de periode vanaf 13 augustus 2003 tot 8 juni 2015. Door [verweerder] is een beroep gedaan op verjaring. De verjaringstermijn is op grond van artikel 3:307 BW 5 jaar. Ter zitting heeft het Gerecht gevraagd wanneer voor het eerst aanspraak is gemaakt op deze vordering. Dat bleek te zijn gedaan bij brief van de gemachtigde van [verzoeker] d.d. 13 oktober 2015, zij het dat deze aanmaning zag op overwerk van een enkel jaar. Bij verzoekschrift d.d. 13 november 2015 is aanspraak gemaakt op vergoeding voor overwerk over de laatste vijf jaar, dus vanaf 12 november 2010 tot 8 juni 2015. Bij vermeerdering van eis d.d. 20 januari 2016 is over het gehele dienstverband aanspraak gemaakt op de overwerkvergoeding. Ter zitting is verder gebleken dat gedurende het gehele dienstverband nooit ofte nimmer door [verzoeker] een stuitingshandeling is verricht. Aldus wordt het verjaringsverweer deels terecht voorgesteld en gaat het nu om de periode 12 november 2010 tot 8 juni 2015. De vorderingen van [verzoeker] over de periode daarvoor dienen te worden afgewezen.

4.11. [

verzoeker] stelt dat hij elke dag 5 uur langer heeft gewerkt, namelijk tot 17.00 uur in plaats van de overeengekomen tijd van 05.00 tot 12.00 uur. [verweerder] acht dit een absurde stelling en stelt dat er nooit is overgewerkt. Zij verwijst naar de loonstaten en verzamelloonstaten over de jaren 2011 tot en met 2014. Die zijn door [verzoeker] allemaal voor ontvangst en akkoord ondertekend. Nooit heeft [verzoeker] gevraagd om vergoeding voor vermeende overuren. [verweerder] brengt in het geding de door [verzoeker], overigens zeer gebrekkig bijgehouden rittenadministratie waaruit evenmin blijkt van overwerk. Tot slot geldt dat [verzoeker] twee andere banen heeft bij met naam en toenaam door [verweerder] genoemde supermarkten zodat het, menselijk gezien, volstrekt onmogelijk is dat dergelijk overwerk in deze mate zou zijn verricht. [verzoeker] moet per slot van rekening ook nog een keer slapen.

4.12.

Het Gerecht overweegt dat [verzoeker] moet stellen en zonodig bewijzen dat sprake is van overwerk. Het gemotiveerde verweer van [verweerder] is door [verzoeker] enkel betwist met de stellingen dat hij wel overwerkte en dat hij schriftelijke waarschuwingen kreeg als hij vroeg om een overwerkvergoeding. Met deze verweren voldoet [verzoeker] niet aan zijn stelplicht; zo heeft hij niet uitgelegd waarom hij de salarisstroken ondertekende en evenmin waarom hij nooit eerder een brief of e-mail heeft geschreven om extra salaris te eisen. Van hem had mogen worden verwacht dat hij duidelijk zou uitleggen welke dienstverbanden hij had en hoe dat overwerk mogelijk was. Dit betekent dat het Gerecht niet toekomt aan een bewijsopdracht aan [verzoeker] en dus dient post a te worden afgewezen.

4.13.

Nu partijen over en weer deels in het gelijk zijn gesteld zal het Gerecht bepalen dat partijen de proceskosten voor eigen rekening dienen te houden. 

5 De beslissing

Het Gerecht:

veroordeelt verweerder tot betaling van NAf. 3.186,00 bruto betreffende achterstallig loon over de opzegtermijn, te vermeerderen met de wettelijke verhogingen van maximaal 10% over het bedrag van NAf 4.779,00 bruto en de wettelijke rente vanaf 8 juni 2015 tot en met 30 november 2015 en de wettelijke rente en de voormelde wettelijke verhogingen tot maximaal 10% over NAf 3.186,00 vanaf 1 december 2015 tot en met de dag van algehele voldoening,

veroordeelt verweerder tot betaling van NAf. 415,62 bruto betreffende achterstallig loon over de opzegtermijn, te vermeerderen met de wettelijke verhogingen van maximaal 10% over het bedrag van NAf 2.100,00 bruto en de wettelijke rente vanaf 8 juni 2015 tot en met 30 november 2015 en de wettelijke rente en de voormelde wettelijke verhogingen tot maximaal 10% over NAf 415,62 vanaf 1 december 2015 tot en met de dag van algehele voldoening,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening dienen te houden,

wijst af het meer of anders gevorderde

Deze beschikking is gegeven op 17 februari 2016 door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, in tegenwoordigheid van de griffier.