Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:82

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
02-01-2017
Zaaknummer
EJ 2016/193
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst medewerker bank wegens verlies aan vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/42

Uitspraak

Beschikking van 19 oktober 2016

Zaaknummer: EJ 2016/193

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Beschikking

in de zaak van

de naamloze vennootschap [de bank],

gevestigd te Sint Maarten,

verzoekster,

gemachtigde mr. G.B. Steward,

tegen

[de werknemer],

wonende te Sint Maarten,

verweerder,

gemachtigde mr. J.G. Bloem.

Partijen worden aangeduid als “[de bank]” en “[de werknemer]”, tenzij anders is vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 25 augustus 2016,

  2. brief d.d. 20 september 2016 met producties van mr. Bloem,

  3. pleitnota met producties van mr. Steward,

  4. pleitnota met productie van mr. Bloem.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 september 2016 in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1. [

de werknemer], geboren op ……1968, is met ingang van 5 januari 1995 in dienst getreden van [de bank] tegen een huidig salaris van NAf 5.681,00 bruto per maand. Hij is werkzaam als Security Supervisor.

2.2.

Op 2 december 2015 is door een fout van een medewerker van [de bank] de bankrekening van [de werknemer] bij [de bank] gecrediteerd met NAf 6.000,00. [de bank] heeft deze fout op 10 maart 2016 ontdekt. Zij heeft toen de rekening van [de werknemer] gedebiteerd. [de werknemer] heeft op 11 maart 2016 zich bij [de bank] gemeld en gezegd dat hij geen geld meer kon opnemen van zijn bankrekening door middel van de pinautomaat vanwege een debetsaldo van NAf 2.600,00.

2.3.

Bij brief van 14 maart 2016 is [de werknemer] geschorst met behoud van loon door [de bank].

2.4.

Bij beslissing van 14 juni 2016 heeft de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid de door [de bank] verzochte toestemming om de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te mogen opzeggen geweigerd.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Het verzoek van [de bank] luidt als volgt:

“… verzoekt [de bank] uw Gerecht dan ook de arbeidsovereenkomst tussen haar en [de werknemer] wegens gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7A:1615w BW, in de zin van veranderingen in de omstandigheden met onmiddellijke ingang c.q. op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, onder eventuele toekenning van een billijke vergoeding aan [de werknemer] en met veroordeling van [de werknemer] in de kosten van deze procedure.”

[de werknemer] “concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van de Bank in haar vordering, dan wel die af te wijzen, met veroordeling van de Bank, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, de proceskosten in deze zaak.”

3.2.

Het Gerecht gaat hierna in op de argumenten van partijen, voor zover zij althans relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Het verwijt dat [de bank] aan [de werknemer] maakt komt, kort samengevat, neer op het volgende. [de werknemer] heeft niet aan de bel getrokken toen de NAf 6.000,00 op zijn rekening werd bijgeschreven. [de werknemer] meldde zich pas toen hij niet meer kon pinnen in maart 2016. Verzoekschrift onder 2.14: “[de bank] mag van haar medewerkers verwachten dat zij naar eer en geweten handelen. Gezien de functie van [de werknemer] als Security Supervisor, mag [de bank] daarnaast van [de werknemer] verwachten dat hij zich voorbeeldig gedraagt. Door het bedrag dat foutief op zijn bankrekening is gestort, te gebruiken en dit niet bij [de bank] te melden, toont [de werknemer] gebrek aan integriteit en eerlijkheid, wat twee kernwaardes zijn voor de functie van [de werknemer].” Het vertrouwen is verdwenen en om die reden wil [de bank] niet verder met [de werknemer].

4.2.

Kort en zakelijk weergegeven verweert [de werknemer] zich als volgt. Allereerst stelt hij dat [de bank] misbruik van procesrecht maakt door kort na de weigering van de ontslagtoestemming dit verzoek in te dienen bij het Gerecht. Dit is al voldoende reden om het verzoek af te wijzen. Toen [de werknemer] op 2 december 2015 zijn saldo checkte op het pinautomaat ging hij ervan uit dat de ontvangst van zijn salaris over december, zijn Kerstpremie, zijn 13e maand en “a Bashy and a March Bonus” de verklaring vormden van het hoge saldo. Hij heeft namelijk geen telebanking en evenmin krijgt hij rekeningafschriften. Daar heeft hij ook nooit om gevraagd. “Every normal person that would experience this (in Dutch the legal term would be ‘onverschuldige betaling’) would sit and wait what will happen next. (…)”, zoals hij stelt in zijn verweer bij de Secretaris-Generaal dat blijkens het verweerschrift ook in deze procedure wordt gevoerd. Hij kon niet weten dat het geld van [de bank] afkomstig was want dat kon hij niet zien op het scherm van het pinautomaat. Gelet op zijn onberispelijke dienstverband is ontbinding van de arbeidsovereenkomst een te vergaande maatregel. Het verzoek moet dus worden afgewezen.

4.3.

Het Gerecht overweegt als volgt. Lid 1 van artikel 1615w BW bepaalt: “Ieder van de partijen is te allen tijde bevoegd zich wegens gewichtige redenen tot de rechter te wenden (…)”. Er is dan ook geen rechtsregel aanwijsbaar die een werkgever (of, in voorkomend geval, een werknemer) verbiedt om een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen nadat hij nul op rekest heeft gekregen van de Secretaris-Generaal. Er kan dus geen sprake zijn van misbruik van procesrecht.

4.4.

Evenmin bestaat er een rechtsregel die maakt dat het Gerecht op enigerlei wijze gebonden is aan diens beslissing of dat het Gerecht gehouden is zich te richten naar de beslissing van de Secretaris-Generaal, zoals [de werknemer] ook aanvoert. Hoogstens kan worden gezegd dat de beslissing de ontslagtoestemming te weigeren een van de omstandigheden is waarvan het Gerecht in het kader van een ontbindingsverzoek kennis neemt. Dit heeft te maken met de te onderscheiden positie van de rechter enerzijds en de Secretaris-Generaal, die behoort tot de uitvoerende macht, anderzijds. De rechter behoort tot de derde staatsmacht en kan dus principieel niet worden gebonden door het oordeel van de Secretaris-Generaal omtrent een rechtsverhouding waarover partijen krachtens artikel 1615w BW zich “te allen tijde” tot de rechter kunnen wenden. Zie artikel 115 lid 1 Staatsregeling waarin de beslechting van civiele geschillen is opgedragen aan de burgerlijke rechter. Ook artikel 6 EVRM waarborgt dit grondrecht. Dit verweer van [de werknemer] gaat dus niet op.

4.5. [

de bank] stelt dat er sprake is van een veranderde omstandigheid, namelijk het wegvallen van vertrouwen noodzakelijk om de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Het Gerecht is het daarmee eens en overweegt als volgt. Zelfs al zou [de werknemer] worden gevolgd in zijn standpunt dat hij op 2 december 2015 dacht zijn salaris over december, zijn Kerstpremie, zijn 13e maand en “a Bashy and a March Bonus” te ontvangen, dan geldt het volgende. Aan het einde van de maand december had [de werknemer] dan moeten constateren dat hij veel te veel geld had ontvangen. [de werknemer] heeft toen echter niets gedaan. Pas toen hij niet meer kon pinnen in maart 2016 heeft hij zich bij [de bank] gemeld.

4.6. [

de werknemer] stelt dat hij geen bankafschriften ontving en evenmin de beschikking had over telebanking zodat hij niet kon nagaan van wie de overmaking kwam en van welke omschrijving deze was voorzien. [de bank] stelt dat [de werknemer] wel degelijk bankafschriften ontving. Wat daarvan zij, het is de eigen keuze van [de werknemer] om enkel te vertrouwen op het saldo dat op het scherm van het pinautomaat verscheen. Hij had immers kunnen vragen om bankafschriften en om telebanking. Het argument van [de werknemer] dat hij niet kon zien dat het bijgeschreven bedrag van [de bank] afkomstig was kan hem dus niet baten. Het is informatie waartoe hij als rekeninghouder toegang kon hebben. Het Gerecht vindt dat uiterlijk einde december 2015 [de werknemer] zich bij zijn superieur had moeten melden en hem had moeten attenderen op deze onverwachte bijschrijving zodat zij een en ander samen hadden kunnen uitzoeken. [de werknemer] voert immers niet aan dat hij gelden uit andere bron verwachtte; zijn enige inkomstenbron is het salaris van [de bank]. Bovendien is [de werknemer] niet “a normal person” zoals hierboven geciteerd uit het verweerschrift, maar een “security supervisor” die al zeer lang in dienst is van [de bank], een goed salaris verdient, en op wiens gezond verstand en moreel besef [de bank] moet kunnen vertrouwen.

4.7.

Het Gerecht is dus van oordeel dat [de bank] terecht stelt dat zij thans geen vertrouwen meer kan hebben in [de werknemer] als haar werknemer. Aldus is er sprake van een veranderde omstandigheid die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Dat brengt het Gerecht tot de vraag of een vergoeding naar billijkheid passend is. Gelet op het overwegend onberispelijke dienstverband en de te verwachten achteruitgang in salaris vanwege de ontbinding is een vergoeding op haar plaats. Er is sprake van een eenmalige maar ernstige uitglijer. Het Gerecht zal dan ook de vergoeding vaststellen met inachtneming van een correctiefactor van 0,5, zoals in de beslissing is vermeld.

4.8.

Dit betekent dat aan [de bank] een intrekkingstermijn dient te worden vergund.

4.9.

Als [de bank] het verzoek zou intrekken dient zij in de proceskosten te worden veroordeeld. Als [de bank] het verzoek niet intrekt dienen beide partijen de proceskosten voor eigen rekening te houden.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

geeft aan [de bank] de gelegenheid tot en met vrijdag 28 oktober 2016 om 13.00 uur in de middag om haar verzoekschrift in te trekken,

en, voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken,

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2016,

kent aan [de werknemer] een vergoeding toe van (afgerond) NAf 57.000,00 bruto en veroordeelt [de bank] om dit bedrag binnen 14 dagen aan [de werknemer] uit te betalen,

bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening dienen te houden,

en, voor het geval het verzoek wel wordt ingetrokken,

veroordeelt [de bank] in de proceskosten, aan de zijde van [de werknemer] begroot op NAf 1.500,00 aan salaris gemachtigde,

in beide gevallen voor het overige:

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.