Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:73

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
KG 2016/133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executierecht. Kort geding. Misbruik van omstandigheden. Verbod woning openbaar te veilen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 26 oktober 2016

Zaaknummer: KG 2016/133

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[A]

wonende te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.E. Duncan

tegen

de naamloze vennootschap [de Bank] NV,

mede gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.H. Bruns (krachtens volmacht).

Partijen worden aangeduid als “[A]” en “de Bank”, tenzij hierna anders is vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 21 oktober 2016,

  2. pleitnota met producties van mr. Duncan,

  3. verweerschrift en pleitnota en producties van mr. Duncan.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016 in aanwezigheid van [A], mr. Duncan en mr. Bruns. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Tussen de Bank als geldgever en [A] als geldnemer bestaat een overeenkomst van geldlening. Ter meerdere zekerheid voor de nakoming van haar betalingsverplichtingen op grond van deze geldlening heeft [A] aan de Bank, naast enkele persoonlijke zekerheden, op 9 juli 2013 het recht van eerste hypotheek op de aan haar in eigendom toebehorende woning aan de ……….. te Sint Maarten gegeven. De maandelijks aan de Bank te betalen termijn bedraagt USD 3.422,00.

2.2. [

A] was in verzuim geraakt met de tijdige nakoming van haar betalingsverbintenissen op grond van de geldlening. Om die reden heeft de Bank aan [A] te kennen gegeven dat de woning executoriaal zou worden verkocht door middel van een openbare veiling op 16 juni 2016. [A] had toen een achterstand in haar betalingsverplichtingen jegens de Bank van USD 38.000,00.

2.3.

Partijen hebben een regeling getroffen op grond waarvan de Bank deze veiling heeft afgelast. [A] heeft de veilingkosten aan de Bank voldaan. Partijen hebben een betalingsregeling getroffen. Deze is neergelegd in een e-mailwisseling tussen partijen.

2.4.

In de e-mail van 25 mei 2016 van de Bank zijn onder andere de volgende voorwaarden vermeld:

  • -

    betaling van het salaris van [A] op haar rekening bij de Bank,

  • -

    alle cashflow van [A]’s Kantoor N.V. (hierna: de N.V.) via een rekening van de Bank,

  • -

    “A payment agreement is to be signed for weekly loan payments of at least US$ 1.800”;

  • -

    alle kosten van de veiling moeten door [A] worden betaald.

2.5. [

A] is akkoord gedaan met en heeft inmiddels aan alle voorwaarden van de Bank voldaan maar kan, zoals zij schrijft in haar e-mail van 26 mei 2016 aan de Bank, niet zonder meer de gevraagde betaling per week voldoen:

“With reference to weekly payment agreement of $1,800, I would not be able to commit to the weekly deposit because most of my clients pay between the 10th and 30th of each month. Payments per week vary sometimes from $ 500 to $ 5.000 depending on the services rendered.

Therefore the proposed total of $7022 per month, which is the monthly mortgage payment of $3,422 from my salary and an additional $3,600 on the arrears from the company would be deposited accordingly with upon receiving of the Receivables.”

2.6.

De Bank reageert hier per e-mail van 31 mei 2016 als volgt op:

“(…) With regard to the loan pament we will amend the payment agreement taking into account that you receive payments between the 10th and 30th of the month. (…)”

2.7.

Gedurende de maand mei 2016 heeft [A] USD 7.202,12 aan de Bank betaald.

2.8.

Partijen mailen vervolgens over en weer over de betaling van de veilingkosten. De Bank schrijft op 8 juni 2016 dat [A] moet voldoen aan de eisen als vermeld in haar e-mail van 25 mei 2016 omdat anders de woning wordt geveild. Per e-mail van 13 juni 2016 bevestigt de bank dat [A] de veilingkosten heeft betaald en dat zij ingaande juni 2016 zich aan de regeling moet houden. [A] heeft zich vervoegd bij de Bank om de afbetalingsregeling te ondertekenen maar de Bank had de documenten niet klaar liggen. Deze zijn nooit ondertekend.

2.9.

De Bank heeft via de notaris door middel van diens brief van 31 augustus 2016 aan [A] medegedeeld dat zij wederom gebruik zal maken van haar recht van parate executie. De woning zal op donderdag 27 oktober 2016 in het openbaar worden geveild.

2.10.

Ter zitting stelt [A] dat zij thans een achterstand heeft jegens de Bank van USD 31.023,00. De Bank stelt dat [A] een achterstand heeft van USD 27.000,00. Op een rekening van de N.V. bij de Bank staat USD 5.253,35. In de N.V. exploiteert [A] haar onderneming; een accountantskantoor. Partijen zijn het erover eens dat dit bedrag ook aangewend kan worden ter delging van de achterstand van [A] jegens de Bank.

2.11.

Uit een schriftelijke verklaring van haar huisarts volgt dat [A] in 2015 een ingrijpende operatie heeft ondergaan. Hierdoor heeft zij geruime tijd niet kunnen werken. Voormelde betalingsachterstand is in 2015 ontstaan.

3 De vorderingen en het verweer

3.1. [

A] vraagt dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de volgende beslissingen neemt:

  1. “gedaagde te bevelen om onmiddellijk, danwel binnen één (1) uur na uw bevel in dezen, de voorgenomen veiling van 27 oktober 2016 op te schorten en te staken, op straffe van een aan eiseres te betalen onmiddellijk opeisbare dwangsom ad NAf 750.000,== voor elke dag, of gedeelte van een dag, dat gedaagde nalaat aan Uw in dezen te geven bevel te voldoen,

  2. Alles met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding.”

3.2.

De Bank verzoekt om [A], bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vordering af te wijzen als zijnde ongegrond en of onbewezen met veroordeling van eiseres in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover deze relevant zijn voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid is met de aard van de vordering gegeven.

4.2.

Ter zitting bleek de Bank desgevraagd niet een overzicht van betalingen en ontvangsten te kunnen overleggen. Het Gerecht heeft de Bank tot 9.00 uur hedenochtend de gelegenheid gegeven een dergelijk overzicht aan het Gerecht te e-mailen maar dat heeft de Bank niet gedaan. Dit betekent dat het Gerecht ervan uitgaat dat de betalingsachterstand USD 27.000,00 minus USD 5.253,35 = USD 21.746,65 is conform de mondelinge opgave namens de Bank ter zitting. Dit is dus minder dan [A] zelf denkt. Dit bedrag strookt met een achterstand van 6,3 maanden. Verder moet het Gerecht, bij gebreke van een financieel overzicht van de Bank, uitgaan van het gelijk van [A] betreffende de totale betalingen over de periode januari tot en met september 2016 van USD 31.342,42. De kosten van de eerdere veiling zijn door [A] betaald.

4.3.

Voor beantwoording van de vraag of de vordering van [A] kan worden toegewezen zal het Gerecht dienen te beoordelen of de Bank bij gebruikmaking van de haar ingevolge artikel 3:268 lid 1 BW toekomende bevoegdheid tot executie misbruik maakt van recht (3:13 BW). Daarvan zal sprake kunnen zijn indien “men, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daarbij wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.”

4.4.

Vanwege het voortdurende verzuim van [A] tijdig aan haar betalingsverbintenissen te voldoen is de Bank in principe gerechtigd om de executie te vervolgen door middel van een openbare veiling van de woning. Het Gerecht is evenwel van oordeel dat de Bank door dit recht nu uit te oefenen misbruik van recht maakt. Daartoe neemt het Gerecht het volgende in aanmerking.

4.5.

Tussen partijen staat vast dat de voornaamste reden van de ontstane achterstand de arbeidsongeschiktheid van [A] gedurende het jaar 2015 is. Door een ingrijpende operatie heeft zij toen niet kunnen werken en meer inkomstenbronnen dan die uit haar eigen arbeidskracht in de N.V. heeft zij niet. Toen [A] weer aan de slag kon gaan heeft zij de betalingen aan de Bank hervat. Partijen zijn het er ook over eens dat nadien de achterstand niet is opgelopen. De Bank is in het kader van de eerdere veiling van 16 juni 2016 akkoord gegaan met een betalingsregeling; deze heeft zij echter niet vastgelegd. Wel heeft zij toegezegd, zie de e-mail van 31 mei 2016, rekening te houden met het betalingspatroon van de klanten van [A], zodat zij ermee akkoord is gegaan dat de betalingen niet per elke week konden worden gedaan.

4.6.

Tussen de geplande veiling van 16 juni 2016 en die van 26 oktober 2016 zitten iets meer dan vier maanden en gedurende deze korte periode is de achterstand fors geslonken (van USD 38.000,00 naar USD 21.746,650), kort daarvoor zijn de veilingkosten betaald en [A] voldoet de reguliere maandelijkse termijnen. Gelet hierop is er geen reden om aan te nemen dat [A] de aflossing van de achterstand zal staken of de reguliere hypotheekpenningen niet zal betalen, temeer omdat [A] niet langer arbeidsongeschikt is en dus haar arbeidskracht kan aanwenden om inkomen te genereren via de N.V. Er is dus reëel uitzicht op aflossing van de achterstand binnen een redelijke termijn. Van belang is voorts dat het de algemene verwachting is dat een executieveiling niet genoeg zal opleveren om de hypotheekschuld geheel af te lossen zodat [A] met een restschuld achterblijft en bovendien dakloos wordt.

4.7.

Al deze omstandigheden in aanmerking genomen is het Gerecht van oordeel dat de belangen van [A] onevenredig worden geschaad indien de veiling morgen door zou gaan. De Bank had in redelijkheid dus niet tot de uitoefening van deze bevoegdheid mogen komen.

4.8.

Dit betekent dat het Gerecht de veiling zal verbieden.

4.9.

Als in het ongelijk gestelde partij dient de Bank in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

rechtdoende in kort geding:

verbiedt de Bank de woning van [A] aan de ………….. te Sint Maarten op 27 oktober 2016 in het openbaar te veilen en bepaalt dat de Bank een dwangsom van USD 1.000.000,00 verbeurt indien zij dit verbod overtreedt,

veroordeelt de Bank in de proceskosten, aan de zijde van [A] begroot op NAf 450,00 aan griffierecht, NAf 294,50 aan oproepingskosten en NAf 1.500,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.