Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:7

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
Lar 08/2016
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht, vreemdelingenrecht, voorlopige voorziening,

Tenuitvoerlegging van vreemdelingenbewaring in politiecel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Landsverordening administratieve rechtspraak

Uitspraak : 12 februari 2016

Zaaknummer : Lar 08/2016

Uitspraaknr. :

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

BESLISSING

Op het verzoek tot schorsing en/of het treffen van een voorlopige voorziening van:

[verzoeker],

thans gedetineerd in Philipsburg

verzoeker,

gemachtigde: mr. S.R. Bommel

in een geding tegen:

de MINISTER VAN JUSTITIE VAN LAND SINT MAARTEN,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.A. Kraaijeveld

1 Aanduiding bestreden beschikking

De beschikking van verweerder van 7 december 2015 inhoudende onder meer een bevel tot verwijdering van verzoeker uit Sint Maarten en een bevel tot inbewaringstelling van verzoeker ter fine van zijn verwijdering.

2 Procesverloop

Bij verzoekschrift van 9 februari 2016, op diezelfde datum ontvangen ter Griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier, heeft verzoeker onderhavig verzoek ingediend betreffende schorsing/voorlopige voorziening ten aanzien van de onder 1 aangeduide beschikking als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar).

Mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 februari 2016. Verzoeker is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd die het verzoek heeft toegelicht. Verzoeker heeft het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde brief. Verweerder is bij gemachtigde voornoemd verschenen en heeft op schrift gestelde pleitaantekeningen (met producties) voorgedragen en overgelegd.

Uitspraak is bepaald op heden.

3 De beoordeling

3.1

Het Gerecht gaat uit van de navolgende vaststaande feiten.

- Verzoeker, geboren op [geboortedatum] 1991 in Saint Martin, is een vreemdeling en bezit de Haitiaanse nationaliteit.

- Verzoeker heeft sinds zijn geboorte hier te lande gewoond zonder een verblijfsvergunning, nu deze nooit door zijn ouders is aangevraagd.

- Op 2 maart 2011 heeft verzoeker zich tot verweerder gewend met het verzoek hem in aanmerking te brengen voor een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel “voortzetting rechtmatig verblijf”. Deze aanvraag werd ingewilligd en kreeg hij een verblijfstitel geldig tot 2 maart 2012.

- Bij onherroepelijk vonnis (in hoger beroep) van 18 september 2012 (H-49/2012) is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd, in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De straf is ten uitvoer gelegd.

- Op 30 september 2013, gedurende zijn detentie, heeft verzoeker zich tot verweerder gewend met het verzoek hem in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning met als doel voortgezet verblijf.

- Bij beschikking van 28 mei 2014 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en onder meer het volgende overwogen:

“(…) Betrokkene is ongehuwd en heeft geen kinderen. De vraag of sprake is van familie en/of gezinsleven tussen betrokkene, die meerderjarig is, en zijn ouders wordt bepaald door het criterium of de familieband in voldoende mate uitstijgt boven hetgeen bij relaties tussen dergelijke personen gebruikelijk is oftewel of er sprake is van ‘more than emotional ties’. Hiervan is in dit geval niet gebleken. (…) Betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan drie gewapende en gewelddadige overvallen. Vervolgens wordt ten nadele van betrokkene overwogen dat hij vele jaren onrechtmatig in Sint Maarten heeft verbleven en slechts eenmaal in het bezit is gesteld van een vergunning tot tijdelijk verblijf. Gelet op het vorenstaande en na afweging van de persoonlijke belangen enerzijds en het algemeen belang anderzijds, kan in dit geval in redelijkheid aan het algemeen belang meer gewicht worden toegekend. Derhalve wordt geconcludeerd dat de weigering betrokkene een verblijfsvergunning te verlenen niet in strijd is met eerbiediging van het gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. (…)”

- Bij pro-forma beroepschrift heeft verzoeker op 9 juli 2014 beroep bij het Gerecht aangetekend tegen de beschikking van 28 mei 2014. De beroepsgronden zijn aangevuld bij schrijven van 11 augustus 2014.

- Op 31 maart 2015 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarvan een verslag is opgemaakt.

- Naar aanleiding van deze nieuwe beschikking heeft het Gerecht bij uitspraak van 3 juli 2015 (uitspraaknummer 96 van 2015) het volgende overwogen:

“(…) Hoewel eiser beroep heeft ingesteld tegen de thans bestreden beschikking, is het Gerecht - na de mondelinge behandeling - bekend geraakt met het feit dat verweerder de bestreden beschikking, ambtshalve dan wel naar aanleiding van het beroepschrift, heeft heroverwogen en op 14 mei 2015 met een nieuwe beschikking is gekomen. Dat verweerder voornemens was de bestreden beschikking te heroverwegen, was het Gerecht en partijen echter reeds bij de mondelinge behandeling bekend.

Voorgaande geeft aanleiding voor de volgende overwegingen. Uit de gang van zaken is op te maken dat verweerder de bestreden beschikking niet wenste te handhaven, maar aanleiding heeft gezien tot heroverweging. Daarbij is aan het Gerecht echter niet gebleken dat de bestreden beschikking is ingetrokken. Het ligt in de rede dat verweerder het Gerecht, onder overlegging van de nieuwe beschikking, hierover informeert. Voorzover geen sprake is van intrekking, zal het onderhavige beroep onverkort dienen te worden afgedaan. Mogelijk heeft eiser niet (langer) belang bij het onderhavige beroep. De beoordeling hiervan vergt echter lezing van de nieuwe beschikking alsmede een nadere toelichting van eiser. De hiervoor genoemde nadere toelichting kon echter niet ter gelegenheid van de mondelinge behandeling worden gegeven aangezien de beschikking van 14 mei 2015 ná de openbare behandeling van 2 maart 2015 is gekomen. Toen is reeds uitspraak bepaald en waren partijen daarvan in afwachting. Het Gerecht ziet derhalve aanleiding om eiser, als meest gerede partij, in de gelegenheid te stellen nadere toelichting te geven op zijn belang bij het onderhavige beroep. Het onderzoek zal met het oog daarop worden heropend als hierna te bepalen.(…)”

-Bij e-mailbericht van 25 mei 2015 is namens verweerder aan het Gerecht medegedeeld dat de minister op 18 mei 2015 een ‘beschikking op bezwaar’, gedateerd 14 mei 2015, aan de gemachtigde van verzoeker is verzonden.

-Bij beschikking van 17 november 2015 heeft verweerder besloten de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker met zes maanden uit te stellen.

- Bij bezwaarschrift van 1 december 2015 heeft verzoeker een bezwaar tegen deze beschikking aangetekend.

- Bij beschikking van 4 december 2015 besluit verweerder verzoeker voorwaardelijk in vrijheid te stellen.

- Op 4 december 2015 wordt verzoeker aan het IGD overgedragen en in vreemdelingen bewaring gehouden ter fine van verwijdering.

- Op 4 december 2015, nadat de IGD is nagegaan of verzoeker beroep heeft aangetekend tegen afwijzende beslissing, wordt hem een meldplicht opgelegd inhoudende dat hij zich op maandag 7 december 2015 ter kantore van IGD dient te melden.

- Bij de bestreden beschikking van 7 december 2015 werd aan verzoeker met het oog op zijn verwijdering een maatregel van bewaring ingevolge artikel 19, tweede lid van de Landsverordening toelating en uitzetting (LTU) opgelegd.

- Tegen de afwijzende beschikking van 14 mei 2014 is verzoeker in beroep gegaan en heeft het Gerecht op 16 december 2015 deze ongegrond verklaard. Daarbij is het volgende overwogen:

“(…)3.11 Daarnaast heeft verweerder belang mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiser 24 jaar oud is en dat hij niet heeft gestaafd dat tussen hem en zijn hier te lande verblijvende familieleden 'more than the normal emotional ties' bestaan. Het feit dat de steun van familie in praktische zin nodig en van dienst kan zijn bij het verschaffen van onderdak en inkomen gaat onvoldoende uit boven de gebruikelijke familiebanden. Van een bijzondere afhandelijkheid is onvoldoende gebleken.

3.12

Verder heeft verweerder bij zijn afweging mogen betrekken dat voor eiser geen objectieve belemmering bestaat het gezinsleven met zijn verloofde en andere familieleven in Haïti uit te oefenen. De uitdagingen waarvoor zij zich gesteld zien om daar een inkomen en onderdak te verwerven betreft geen belemmering in voormelde zin.

3.13

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt het Gerecht als volgt. Verweerder erkent dat er in het verleden vttv’s zijn toegekend aan personen die, net als eiser, gedetineerd waren wegens veroordelingen voor ernstige strafbare feiten, terwijl een deugdelijke belangenafweging in hun nadeel had moeten uitvallen, maar voert aan dat deze te vrijgevige toekenningen inmiddels langere tijd niet meer voorkomen, nu de lijn door verweerder bestendig is bijgesteld. Gezien deze - op zichzelf onweersproken - toelichting kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.(…)”

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld, waarop nog niet is beslist.

- Bij verzoekschrift van 14 december 2015 heeft verzoeker een verzoek om schorsing/voorlopige voorziening betreffende de bestreden beschikking gevraagd. Bij uitspraak van 18 december 2015 (Lar 149/2015, uitspraaknummer 152) is dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard, waartoe onder meer is overwogen:

‘(…)Ter zitting is zijdens verzoeker aangevoerd dat een beroep tegen de bestreden beschikking reeds bij het Gerecht was ingediend, en dat hiervan nader een bevestiging per e-mail zou worden gezonden. Dit is niet geschied, terwijl blijkens de administratie van het Gerecht bedoelde beroepsschriftuur niet is ingediend. In vorenstaande ziet het Gerecht grond om het verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren.(….)’

- Bij afzonderlijke verzoekschriften van 21 december 2015, op diezelfde datum ontvangen ter Griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier, heeft eiser nogmaals een verzoek om schorsing/voorlopige voorziening ingediend en beroep ingesteld tegen de onder 1 aangeduide beschikking als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Lar. Bij uitspraak van 23 december 2015 (Lar 149/2015) heeft dit Gerecht de verzoeken afgewezen, waartoe onder meer is overwogen:

‘ (…) Bij onderhavige beoordeling neemt het Gerecht tot uitgangspunt de uitspraak van 16 december 2015, waarbij het beroep tegen de afwijzing van de vttv ongegrond is verklaard en daarmee, nu het aangekondigde hoger beroep geen schorsende werking heeft, van illegaal verblijf van verzoeker hier te lande op grond waarvan verwijdering in beginsel mogelijk is. (…)

Hiervan uitgaande ligt thans de vraag voor of de opgelegde maatregel van bewaring passend en geboden is. Het Gerecht is voorshands van oordeel dat verweerder deze vraag bevestigend heeft mogen beantwoorden, gezien het aangehaalde beleid. Er is sprake van ernstige criminele antecedenten van een aard waaronder de samenleving in de huidige actualiteit zwaar gebukt gaat. De strafrechtelijke voorwaardelijke invrijheidstelling kan aan deze afweging van verweerder in algemene zin onvoldoende afdoen, nu het Gerecht er van uit gaat dat deze (standaard) procedure in het beleid van verweerder verdisconteerd is. Evenmin hoefde hetgeen is aangevoerd betreffende woonadres van verzoeker hier te lande bij zijn ouders, die bereid zijn voor hem garant te staan, verweerder te nopen tot toepassing van een lichter middel kan worden volstaan, zoals het opleggen van een meldingsplicht of afgifte van het paspoort. Dat aanvankelijk een meldplicht werd opgelegd leidt niet tot een ander oordeel, nu verweerder heeft toegelicht dat dit een inschattingsfout betrof die recht is gezet. (…)

Gelet op vorenstaande ziet het Gerecht geen grond om de gevraagde voorziening te treffen.(…)’

- Het beroepschrift tegen de bestreden beschikking is nog bij het Gerecht in behandeling.

3.2

In de bestreden beschikking heeft verweerder onder meer overwogen dat de maatregel wordt gevorderd de voor terugkeer noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn.

3.3

Verzoeker heeft het Gerecht verzocht over te gaan tot het treffen van een voorlopige voorziening bestaande dat:

“1. Het bestreden besluit wordt geschorst;

2 Verzoeker onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld;

3. Met toekenning van een schadevergoeding van NAf 200,- voor elke dag welke verzoeker in de politiecellen op het Politiebureau te Philipsburg heeft doorgebracht;

4. Ter voorkoming van zijn verwijdering, onder verwijzing naar de inhoud van de hierbij gevoegde stukken, een voorziening te treffen inhoudende een verbod om hem van Sint Maarten te verwijderen, hangende de behandeling van de appelprocedure;

5. Met veroordeling van de minister van justitie in de kosten van deze procedure.”

3.4

Verzoeker voert - in de kern - het volgende aan. Verzoeker zit nu al meer dan twee maanden in vreemdelingenbewaring in een strafrechtelijk detentieregime dat totaal niet daartoe geschikt is. Hij verblijft onder erbarmelijke omstandigheden in een politiecel, waar hij slechts een kwartier per dag wordt gelucht en op sommige dagen helemaal niet. Zijn cel deelt hij met strafrechtelijk gedetineerden, soms wel tot zeven personen. Deze wijze van uitvoeren van vreemdelingenbewaring is in strijd met het recht en het maandenlang voortzetten van deze situatie is illegaal en volstrekt onaanvaardbaar. Ongeacht eventueel uitzicht op verwijdering dient aan de gang van zaken de consequentie te worden verbonden dat verzoeker in vrijheid wordt gesteld, aldus verzoeker.

3.5

Verweerder voert gemotiveerd verweer.

3.6

Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

3.7

Het Gerecht overweegt en oordeelt voorshands als volgt.

Ingevolge artikel 85 van de Lar kan, op verzoek van de indiener van een beroep- of bezwaarschrift, het Gerecht de beschikking geheel of gedeeltelijk schorsen of ter zake een voorlopige voorziening treffen, als de uitvoering van de beschikking voor de belanghebbende onevenredig nadeel met zich mee zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen belang. Er is aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, indien het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

Ingevolge artikel 15 van de LTU kunnen uitgezet worden personen die na het verlies van hun toelating van rechtswege, of na intrekking van hun vergunning tot verblijf, niet binnen een te stellen termijn Sint Maarten hebben verlaten en personen, voor wie ingevolge deze landsverordening toelating is vereist en wier verblijf met het oog op de zedelijkheid, de openbare orde of de publieke rust of veiligheid niet wenselijk wordt geacht.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a en b van LTU kan de Minister van Justitie uit Sint Maarten verwijderen personen die in strijd met de wettelijke bepalingen nopens toelating en uitzetting het land zijn binnengekomen of personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige oorzaak is vervallen. Ingevolge het tweede lid kan de betreffende vreemdeling, indien naar het oordeel van de minister betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde, de publieke rust of veiligheid of de goede zeden, dan wel indien naar zijn oordeel gegronde vrees bestaat dat betrokkene zal trachten zich aan zijn verwijdering te onttrekken, op bevel van de minister ter verzekering van zijn verwijdering in bewaring worden gesteld.

Ingevolge artikel 33 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel 30 van de Staatsregeling van Sint Maarten bepaalt dat verdachten, uitzonderlijke omstandigheden buiten, beschouwing gelaten, gescheiden worden gehouden van veroordeelden en aanspraak kunnen maken op een afzonderlijke behandeling overeenkomend met hun staat van niet veroordeelde persoon.

De Landsverordening beginselen gevangeniswezen van 1996 regelt in artikel 5 dat de huizen van bewaring zijn bestemd tot onder meer tot opneming van hen, die de straffen van hechtenis of van militaire detentie moeten ondergaan en alle van alle anderen, aan wie krachtens rechterlijke beslissing of door het openbaar gezag rechtens hun vrijheid is ontnomen, voor zover geen andere plaats voor hen is bestemd of voor zolang opname in de voor hen bestemde plaats niet mogelijk is. Ingevolge het eerste lid van artikel 20 worden niet veroordeelden bij voorkeur niet met veroordeelde gedetineerden in een vertrek geplaatst. Bovendien bepaalt artikel 18 dat niet-veroordeelden aan geen andere beperkingen worden onderworpen dat die welke voor het doel van hun opsluiting of in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in het gesticht noodzakelijk zijn.

In het beleid dat verweerder ter zake heeft uitgewerkt in de Richtlijnen (hoofdstuk 12) is opgenomen dat de maatregel van bewaring wordt toegepast als deze onvermijdbaar is.

3.8

Gelet op het beroep dat nog aanhangig is tegen de bestreden beschikking is er sprake van de vereiste connexiteit. Het Gerecht heeft voorts ten aanzien van de ambtshalve beoordeling van de ontvankelijkheid (andermaal) stil te staan bij het leerstuk van ne bis in idem en de (Nederlandse) jurisprudentie op het betreffende leerstuk en de wet (artikelen 4:6 en 8:81en verder Awb). Inderdaad is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep bestendig uitgemaakt dat een herhaald verzoek om voorlopige voorziening slechts voor toewijzing in aanmerking kan komen, indien de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen, hetgeen in de regel zo wordt uitgelegd dat sprake dient te zijn van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. Nu verzoeker het lange voortduren van zijn vreemdelingendetentie aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, hetgeen als nieuw kan worden beschouwd, en voorts voor ogen moet worden gehouden dat indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening naar de aard van de daarmee te bieden rechtsbescherming en naar de wet niet volledig ingepast kan worden in het leerstuk van het gesloten systeem van rechtsmiddelen, acht het Gerecht het verzoek dan ook ontvankelijk. Het Gerecht gaat voorbij aan hetgeen verweerder heeft aangevoerd ten aanzien van de vereisten die aan het verzoekschrift te stellen eisen, behoorlijke procesvoering en fair trial, hetgeen ziet op het ontbreken van bijlagen bij het beroepschrift. Gelet op de urgentie van het onderhavige verzoek en de bekendheid die bij verweerder mocht worden verondersteld na de diverse procedures kan van verzoeker in deze minder worden gevergd dan gebruikelijk.

3.9

Bij onderhavige beoordeling neemt het Gerecht andermaal tot uitgangspunt de uitspraak van 16 december 2015, waarbij het beroep tegen de afwijzing van de vttv ongegrond is verklaard en daarmee, nu het aangekondigde hoger beroep geen schorsende werking heeft, van illegaal verblijf van verzoeker hier te lande op grond waarvan verwijdering in beginsel mogelijk is.

3.10

Hiervan uitgaande ligt thans de vraag voor of de opgelegde maatregel van bewaring passend en geboden is. Het Gerecht heeft eerder overwogen dat verweerder deze vraag bevestigend heeft mogen beantwoorden, gezien het aangehaalde beleid. De onderhavige gronden van het verzoekschrift geven in zoverre ten aanzien van die overwegingen geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen, met uitzondering van de vraag naar de betekenis van de detentieduur en de omstandigheden waaronder de verzoeker in vreemdelingenbewaring verblijft.

3.11

Verweerder erkent thans, zoals ook in andere procedures waarin de vraag naar de detentieomstandigheden bij vreemdelingenbewaring voorligt, dat er op Sint Maarten feitelijk geen detentieplaatsen beschikbaar zijn die geschikt worden geacht voor vreemdelingenbewaring. De vraag is vervolgens of die wijze van tenuitvoerlegging (in de politiecellen van Philipsburg) steeds onrechtmatig is te achten.

3.12

Verzoeker voert aan dat de wijze van tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring (steeds) onrechtmatig moet worden geacht, nu de verblijfsomstandigheden blijkens vier achtereenvolgende rapporten (Country Reports) van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment van de Raad van Europa (CPT) raken aan een schending van artikel 3 EVRM.

3.13

Het Gerecht verwerpt het beroep van verzoeker ter onderbouwing van zijn betoog op de Country Reports van het CPT, in die zin, dat daaraan geen rechtstreekse werking in de rechtsorde van Sint Maarten toekomt en hierin ook overigens geen voor de in bewaring gestelde vreemdelingen verderstrekkende rechten zijn opgenomen dan die waarin reeds in de Landsverordening beginselen gevangeniswezen van 1996, die op de vreemdelingenbewaring van toepassing is, is voorzien. Wel ligt de vraag voor of de vreemdelingenbewaring voldoet aan de in het EVRM neergelegde grondrechten waarop de verzoeker zich beroept, waartoe hij naar de CPT rapporten en de bevindingen van de Raad voor de Rechtshandhaving verwijst. In het laatste rapport (van 25 augustus 2015) schrijft CPT onder meer: ‘(…) In Sint Maarten, urgent measures should be taken to improve conditions at Philipsburg Police Station, and steps taken to ensure that persons are not detained in excess of three days and in any event never longer than 10 days at this station. (…)’ In het rapport: Detentiecapaciteit in Sint Maarten (december 2013) van de Raad voor de rechtshandhaving is onder meer vermeld: ‘(…) Ook in de als huis van bewaring aangewezen politiecellen te Philipsburg en het Grenshospitium Simpson Bay worden arrestanten, vreemdelingen, voorlopig gehechten en lang en kort gestraften door elkaar geplaatst. Tijdens het bezoek hebben inspecteurs van de Raad tevens geconstateerd dat de gedetineerden in deze inrichtingen gedurende de week niet naar de inrichting Pointe Blanche worden vervoerd, zoals vermeld in de ministeriële regeling van 2011 en dat aan het in de regeling vermelde regime en dagprogramma zeer beperkt uitvoering worden gegeven. In de politiecellen te Philipsburg is er geen mogelijkheid tot recreatie of werken. Er is geen tv of bibliotheek. Ook in het Grenshospitium te Simpson Bay is op 1 tv na geen mogelijkheid tot recreatie of werken. Bovendien is op de zalen geen toetreding van daglicht en is het er erg warm. Er is geen mogelijkheid om te luchten in de open lucht.(…) ’ De verwijzing door verzoeker naar de rapportages van de CPT en het aangehaalde rapport van de Raad voor de Rechtshandhaving acht het Gerecht onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM. De inhoud en strekking van de aanbevelingen van de CPT en de Raad voor de Rechtshandhaving kunnen niet een zo vergaande conclusie dragen dat het regime in het politiebureau in Philipsburg als huis van bewaring ten aanzien van vreemdelingenbewaring strijdig is met artikel 3 EVRM. Andere feiten ter onderbouwing van zijn stelling dat bij de toepassing van de vreemdelingenbewaring in het politiebureau sprake is van een vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM heeft verzoeker onvoldoende gesteld.

3.14

De vreemdelingenbewaring kan ten uitvoer worden gelegd in een huis van bewaring, waartoe het Politiebureau in Philipsburg is aangewezen. Niet in geschil is evenwel dat de wijze van tenuitvoerleggen van de vreemdelingenbewaring aldaar niet voldoet aan alle de in de Landsverordening beginselen gevangeniswezen van 1996 neergelegde eisen, nu verweerder op zichzelf de bevindingen van de Raad voor de Rechtshandhaving niet weerspreekt. Binnen het voorliggende beoordelingskader gaat het Gerecht er voorshands vanuit dat de vreemdelingenbewaring, wanneer deze ten uitvoer wordt gelegd in het politiebureau van Philipsburg, op zichzelf niet zonder meer in strijd met het recht is, maar dat deze wijze van tenuitvoerleggen zoveel mogelijk in duur moet worden beperkt. Van verweerder kan worden verwacht dat hij de maatregel slechts dan toepast, wanneer de verwachting gerechtvaardigd is dat binnen zeer afzienbare termijn (van in beginsel 10 tot 14 dagen) tot verwijdering kan worden overgegaan en dat verweerder vervolgens de nodige inspanningen verricht om de verwijdering binnen die termijn zo spoedig mogelijk te effectueren.

3.15

Vast staat dat de vreemdelingendetentie van verzoeker in het politiebureau reeds veel langer duurt. Volgens verweerder kunnen uitzettingen naar Haiti in de regel op zeer korte termijn worden gerealiseerd, maar is in dit geval de lange duur veroorzaakt door de aangekondigde tegenwerking van verzoeker, waardoor hij niet op korte termijn met een reguliere vlucht naar Haïti kon worden verwijderd en er eerst middelen dienden te worden vrijgemaakt op hem op die vlucht te escorteren. Verweerder stelt dat de nodige voorzieningen thans zijn getroffen en dat er voor morgen een vlucht is geregeld met escorte. Verzoeker weerspreekt dat hij heeft aangekondigd te zullen tegenwerken en acht de lange termijn zodanig dat hij reeds daarom nu in vrijheid dient te worden gesteld. Volgens verzoeker is verweerder pas in actie gekomen met de voorbereiding van de uitzetting naar aanleiding van onderhavig verzoek.

3.16

Gelet op de aangekondigde verwijdering op zeer korte termijn en het beperkte voorliggende beoordelingskader kan het Gerecht thans niet nader de gelegenheid bieden aan partijen om hun standpunten ten aanzien de reden waarom de detentie zo lang heeft geduurd nader te onderbouwen. Aan verzoeker stond echter reeds eerder de mogelijkheid open om een verzoek als de onderhavige te doen. Onduidelijk is waarom hij daarmee zo lang heeft gewacht. Nu (eindelijk) de verwijdering is voorbereid, is het doel is waarvoor de maatregel dient in zicht. Alle omstandigheden beschouwend acht het Gerecht voortzetting van de aan verzoeker opgelegde bewaring met het oog op verwijdering rechtmatig tot en met zaterdag 13 februari 2016.

3.17

Gelet op vorenstaande ziet het Gerecht thans geen grond om de gevraagde voorziening te treffen.

4 De beslissing

Het Gerecht:

wijst de verzoeken af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Mans, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 12 februari 2016.

Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.