Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:67

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
KG 2016/122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslagrecht. Vordering summierlijk ondeugdelijk gebleken. Conservatoire beslagen opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 7 oktober 2016

Zaaknummer: KG 2016/122

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis in kort geding

in de zaak van

de stichting [A],

gevestigd te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. K. Huisman,

tegen

de naamloze vennootschap [B],

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: de heer E.I. Maduro.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 23 september 2016,

  2. brief van 29 september 2016 met bijlagen van de heer Maduro,

  3. brief van 29 september 2016 met bijlagen van mr. Huisman,

  4. pleitnota van mr. Huisman,

  5. pleitnota van de heer Maduro.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 september 2016 in aanwezigheid van de gemachtigden en de heer …………., directeur van gedaagde.

1.3.

De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.4.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Ingevolge toestemming van dit Gerecht d.d. 16 september 2016 is aan gedaagde toestemming verleend om ten laste van eiseres conservatoire derdenbeslagen te leggen onder The Bank of Novia Scotia en de Windward Islands Bank Ltd. Deze beslagen zijn gelegd op 21 september 2016. Op 28 september 2016 heeft gedaagde het verzoekschrift in de bodemprocedure ingediend bij dit Gerecht.

2.2.

Eiseres exploiteert een school voor basis- en middelbaar onderwijs op Sint Maarten.

2.3.

Tussen partijen is op 4 maart 2014 een overeenkomst tot stand gekomen. Bij brief van 22 juni 2015 heeft eiseres deze overeenkomst per eerstmogelijke datum opgezegd.

2.4.

De overeenkomst strekt ertoe dat gedaagde tegen betaling door eiseres van USD 1.360,00 per maand, kort gezegd, onderhoud aan de automatisering van eiseres pleegt. De volgende bedingen worden geciteerd:

“Article 6:

It is strictly forbidden for The Customer to completely or partially transfer or assign the right of use under this maintenance agreement to a third party or third parties, whether or not said transfer or assignment is free of charge or against some form of compensation.”

“Article 8:

The parties agree do not contract o hiring employees, consultants, subcontractors, companies represented and member of the other party without the prior written consent. If either party violates this article, shall pay to the other an amount equal to 60 months of monthly contract value, even after terminated this contract for a period of 5 years.”

2.5.

Bij e-mail van 29 maart 2015 schrijft eiseres aan gedaagde het volgende:

“Does all companies on the island have internet and network issues like we do? I can’t imagine that they do.

Why is our network so fragile and interrupted by other ip addresses? I find this to be so unprofessional for our staff and students to deal with on a daily bases.

(…)

Please look into this problem because if this issue is not resolved in 7 days I will be looking for a new company to solve our internet and network solutions.”

2.6.

De reactie van gedaagde komt de volgende dag per e-mail. Er is sprake van een server die draait op verouderde software. Als deze wordt vervangen (kosten USD 3.000,00) dan zijn de problemen opgelost.

2.7.

Eiseres heeft daarna een andere firma ingeschakeld, [C]. Blijkens diens factuur d.d. 11 juni 2015 heeft hij USD 130,00 in rekening gebracht aan eiseres. Dit bedrag heeft eiseres in mindering gebracht op een reguliere factuur van gedaagde ingevolge de overeenkomst.

2.8.

Deze [C] is een ex-werknemer van gedaagde. Hij was tot 11 februari 2015 in loondienst voor gedaagde werkzaam.

2.9.

Per e-mail van 15 juni 2015 zendt gedaagde aan eiseres, “subject: PENALTY INVOICE” een factuur voor USD 81.600,00 met als omschrijving: “MAINTENANCE’S CONTRACT MAINTENANCE CONTRACT FOR THE AMOUNT EQUAL TO 60 MONTHLY VALUE FOR VIOLATING THE CONTRACT.”

2.10.

Eiseres heeft schriftelijk aan gedaagde te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze factuur.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres verzoekt het Gerecht om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, de volgende beslissingen te nemen:

I. “de gelegde conservatoire derdenbeslagen op de bankrekeningen van verzoekster op te heffen, althans gedaagde te bevelen dit beslag binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te heffen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van USD 5.000,- per dag, een gedeelte van een dag tot een gehele dag gerekend, dat gedaagde dit bevel niet mochten nakomen;

II. Gedaagde te verbieden wederom beslag te leggen ten laste van verzoekster voor de door gedaagde in deze gepretendeerde vordering, totdat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad deze vordering mocht zijn vastgesteld, zulks op straffe van verbeurte aan verzoekster van een dwangsom van USD 5.000,- per dag, een gedeelte van een dag tot een gehele dag gerekend, dat gedaagde dit bevel niet mocht nakomen;

III. Gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, een en ander te voldoen binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn, deze (na)kosten te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum verzuim tot de dag der algehele voldoening.”

3.2.

Gedaagde concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eiseres in de proceskosten.

3.3.

Kort en zakelijk weergegeven stelt eiseres het volgende ter onderbouwing van haar vorderingen. De door gedaagde gestelde vordering heeft in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid geen kans van slagen. Artikel 8 van de overeenkomst is een onredelijk beding dat door eiseres bovendien niet is geschonden. Immers, dit beding ziet niet op ex-werknemers van gedaagde. Bovendien heeft gedaagde eiseres in de gelegenheid gesteld het probleem op te lossen door haar daartoe een termijn te stellen. Er is dus geen sprake van een toerekenbare tekortkoming. Sowieso zal de boete in de bodemprocedure vergaand worden gematigd. Een afweging van belangen valt in het voordeel van eiseres uit omdat handhaving van de beslagen leidt tot het stilleggen van het onderwijs dat eiseres verzorgt. Zij kan immers haar vaste lasten, waaronder de salarissen van de docenten en de huren van hun dienstwoningen, niet meer betalen.

3.4.

Kort en zakelijk weergeven verweert gedaagde zich als volgt. Door het inschakelen van een ex-werknemer is wel degelijk artikel 8 van de overeenkomst geschonden door eiseres. [C] was de medewerker die altijd bij eiseres kwam namens gedaagde. Gedaagde kon er niets aan doen dat de automatisering niet werkte omdat eiseres niet wilde investeren in een nieuwe server. Eiseres heeft nog steeds te kampen met dezelfde problemen. Eiseres heeft contractbreuk gepleegd door [C] in te schakelen. Het was eiseres niet toegestaan om USD 130,00 in mindering te brengen op haar betaling van de reguliere factuur van gedaagde.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 705 lid 2 Rv kan de rechter een conservatoir beslag onder meer opheffen indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt.

4.2.

Naar voorlopig oordeel van het Gerecht is sprake van een ondeugdelijke vordering.

4.3.

In de eerste plaats omdat artikel 8 van de overeenkomst niet verbiedt dat eiseres een ex-werknemer van gedaagde inschakelt. Dat staat er immers niet en gedaagde legt geenszins uit hoe het Gerecht een ex-werknemer wèl in de tekst van dit boetebeding zou moeten lezen.

4.4.

Anders dan gedaagde aanvoert is het niet zo dat uit artikel 6 voortvloeit dat het eiseres in het geheel niet vrijstaat om met een ander in zee te gaan zolang de overeenkomst voortduurt. Artikel 6 ziet erop dat het eiseres niet is toegestaan om de met gedaagde overeengekomen diensten aan een derde over te dragen. Daarvan is hier geen sprake. Kortom: de overeenkomst is niet exclusief.

4.5.

Er is geen rechtsregel die eiseres belet om aan gedaagde een redelijke termijn te stellen om de overeengekomen werkzaamheden deugdelijk uit te voeren, zoals zij met haar e-mail van 29 maart 2015 heeft gedaan. Gedaagde heeft in antwoord daarop medegedeeld dat dit niet mogelijk was zonder nieuwe server. Eiseres hoefde hier geen genoegen mee te nemen en mocht vervolgens [C] inschakelen om te bezien of hij de problemen (goedkoper) kon oplossen. Aldus is er geen sprake van dat eiseres zodoende toerekenbaar tekort is geschoten jegens gedaagde, zoals gedaagde ten onrechte stelt.

4.6.

Tot slot geldt dat het Gerecht het eens is met eiseres dat het te verwachten is dat de bodemrechter, indien hij al tot het oordeel zou komen dat door eiseres in strijd is gehandeld met artikel 8, de boete zeer vergaand zal matigen. Uiteindelijk gaat het om de inschakeling van een derde die slechts 2 uur heeft gewerkt en daar USD 160,00 voor in rekening heeft gebracht, terwijl eiseres bereid was de overeenkomst met gedaagde voort te zetten. Eiseres heeft immers pas de overeenkomst beëindigd toen zij de factuur voor het boetebedrag ontving van gedaagde. Tegen de achtergrond van de relatief korte looptijd van de overeenkomst en de wederzijdse opzegbaarheid daarvan met een opzegtermijn van feitelijk vier maanden, is het Gerecht voorlopig van oordeel dat het boetebedrag waarvoor beslag is gelegd excessief is.

4.7.

Voor de goede orde overweegt het Gerecht nog dat het volgens gedaagde uitstaande bedrag van USD 130,00 door eiseres op goede gronden wordt betwist. Zie hetgeen hiervoor onder 4.5. is overwogen. Ook deze vordering acht het Gerecht ondeugdelijk in de zin van artikel 705 lid 2 Rv.

4.8.

Een en ander betekent dat het Gerecht de conservatoire beslagen zal opheffen.

4.9.

Tevens ziet het Gerecht aanleiding, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gedaagde te verbieden voor dezelfde vordering wederom conservatoir beslag te leggen.

4.10.

Als in het ongelijk gestelde partij dient gedaagde in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

rechtdoende in kort geding:

heft op de voormelde conservatoire beslagen onder The Bank of Novia Scotia en de Windward Islands Bank Ltd.,

verbiedt gedaagde voor dezelfde vordering nieuwe conservatoire beslagen te leggen, zulks op verbeurte van een dwangsom van USD 50.000,00 per gelegd beslag, zulks gemaximeerd tot USD 200.000,00,

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres begroot op NAf 450,00 aan griffierecht, NAf 296,50 aan oproepingskosten en op NAf 1.500,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.