Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:65

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
AR 2015/149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring. Stuitingshandelingen niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 4 oktober 2016

Zaaknummer: AR 2015/149

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap [de bank],

gevestigd te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. M. Hofman-Ruigrok,

tegen

[A],

wonende te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: de heer E.I. Maduro.

1 De procedure

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift met producties d.d. 6 november 2015,

  • -

    de conclusie van antwoord met productie,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

Eiseres heeft aan gedaagde gelden ter leen verstrekt op 27 februari 2006. Deze overeenkomst is geƫindigd op 29 januari 2009. De uitgeleende gelden zijn niet volledig terugbetaald door gedaagde.

3 De vordering en het verweer

3.1.

Eiseres vordert dat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde wordt veroordeeld om aan haar te betalen NAf 12.469,65 plus de overeengekomen rente van 11% per jaar, berekend vanaf 2 juni 2014 tot de dag van algehele betaling. Verder vordert eiseres 15% incassokosten over de hoofdsom en veroordeling van gedaagde tot betaling van de proceskosten, met de wettelijke rente daarover.

3.2.

Gedaagde concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van eiseres in haar vorderingen, dan wel deze aan haar te ontzeggen, met veroordeling van eiseres in de proceskosten, zulks bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover deze althans relevant zijn voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Gedaagde doet een beroep op verjaring. Hij stelt dat op grond van artikel 3:308 BW de termijn van 5 jaar na opeisbaarheid van de vordering van eiseres is verstreken zonder dat eiseres enige stuitingshandeling heeft ondernomen. De door eiseres ingebrachte sommatiebrieven van 3 december 2008, 5 januari 2009, 18 februari 2009 en 27 mei 2013 zijn niet door hem ontvangen.

4.2.

Bij repliek voert eiseres aan dat door de sommatiebrieven de verjaring wel degelijk is gestuit. Zij gaat echter niet in op het verweer dat deze brieven door gedaagde niet zijn ontvangen.

4.3.

Om stuiting te bewerkstelligen dienen de stuitingsmeldingen de schuldenaar te hebben bereikt. Nu gedaagde dit betwist dient eiseres te stellen en te bewijzen dat deze meldingen gedaagde hebben bereikt. Nu eiseres niet ingaat op het daartoe strekkende verweer van gedaagde betekent dit dat zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Het Gerecht komt dan ook niet toe aan een bewijsopdracht.

4.4.

Dit betekent dat aan eiseres haar vorderingen dienen te worden ontzegd omdat het Gerecht ervan uit dient te gaan dat de verjaring niet is gestuit.

4.5.

Als in het ongelijk gestelde partij dient eiseres in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde begroot op NAf 2.000,00 aan salaris gemachtigde en verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.