Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:64

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
AR 2015/27
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaat procedure. Schade is niet komen vast te staan. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 4 oktober 2016

Zaaknummer: AR 2015/27

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis

in de zaak van

[A],

wonende te Sint Maarten,

eiser,

gemachtigde: mr. R.E. Duncan

tegen

de stichting [B],

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.G. Bloem.

Partijen worden hierna aangeduid als “[A]” en “[B]”, tenzij anders is vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    de schadestaat met producties d.d. 25 februari 2015,

  • -

    de conclusie van eis in de schadestaatprocedure, houdende akte tot vermeerdering van eis met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties.

1.2.

Aan [A] is akte niet dienen verleend wat betreft de conclusie van repliek. Hij heeft toen pleidooi gevraagd.

1.3.

Dit pleidooi heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2016, in aanwezigheid van gemachtigden. Mr. Bloem heeft aan de hand van een pleitnota de standpunten van [B] uiteengezet. Mr. Duncan heeft de standpunten van [A] toegelicht, maar heeft geen pleitnota overgelegd.

1.4.

De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.5.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op 20 juli 2010 heeft [B], na daartoe verkregen toestemming van dit Gerecht, ten laste van [A] aan hem in erfpacht toebehorende percelen grond in conservatoir verhaalsbeslag genomen. J.C. [A], broer van [A], is mede gerechtigd tot dit recht van erfpacht (hierna: de percelen).

2.2.

Eerder, te weten op 7 augustus 2008, heeft ene [C] dezelfde percelen in conservatoir beslag genomen. Deze beslagen zijn bij kort geding vonnis d.d. 5 maart 2010 opgeheven en dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie op 28 januari 2011.

2.3.

Bij vonnis van dit Gerecht d.d. 23 augustus 2011 (AR 2010/152) is onder andere de volgende beslissing genomen:

“verklaart voor recht dat [B] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] door ten laste van hem conservatoir beslag te leggen en veroordeelt [B] in de schade die [A] dientengevolge heeft geleden, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet”.

2.4.

Bij vonnis in hoger beroep van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie d.d. 12 december 2014 is dit vonnis bevestigd. Hiertegen is geen cassatie ingesteld.

2.5.

Bij kort geding vonnis d.d. 14 april 2015 (KG 2015/53), waarvan geen hoger beroep is ingesteld, heeft het Gerecht het volgende verbod uitgesproken:

“verbiedt [A] conservatoir of executoriaal beslag te leggen ten laste van [B] uit hoofde van de vordering die thans in de schadestaatprocedure aanhangig is, zo lang als nog niet door dit Gerecht eindvonnis is gewezen in de schadestaatprocedure.”

3 De vorderingen en het verweer

3.1.

Na eisvermeerdering luidt de vordering van [A] als volgt:

“Bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

Gedaagde te veroordelen om – tegen kwijting – aan eiser te betalen de som van US$ 1,472,899.80, althans zodanig bedrag dat uw gerecht in goede justitie zal vaststellen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van onrechtmatige beslaglegging.

Kosten rechtens.”

3.2. [

B] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [A]; kosten rechtens.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover deze relevant zijn voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de beslissing van het Gerecht en het Gemeenschappelijk Hof in hoger beroep staat vast dat [B] jegens [A] onrechtmatig heeft gehandeld door conservatoir beslag op de percelen te leggen. In deze schadestaatprocedure stelt [A] dat hij als gevolg hiervan schade heeft ondervonden. Het Gerecht dient aan de hand van artikel 6:95 BW en verder te beoordelen of [B] aan [A] schadevergoeding moet betalen.

4.2.

Het procesdebat tussen partijen is als volgt samen te vatten. [A] stelt dat hij op 5 (schadestaat) of 25 (conclusie van eis) juni 2008 aan [D] een van de beslagen percelen (hierna perceel 1) heeft verkocht voor USD 800.000,00. [D] heeft USD 100.000,00 vooruit betaald. Als gevolg van het beslag kon [A] perceel 1 niet leveren aan [D] als gevolg waarvan [D] de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. Het bestaan van deze koopovereenkomst blijkt uit een handgeschreven en door beiden ondertekende aantekening in de Franse taal op een plattegrond met daarop het perceel: Societe ……… s’engage a vendre le lot #24 pour un montant de 800 000,00 Dollars, soit huite cent mille Dollars a M. [D]. [D] -. Onder de namen en handtekeningen van [A] en [D] is vermeld: AC Cheque WIB Le 05/06/2008 de $ 100.000 en daaronder 000104. Uit onderhandse ondertekende verklaringen van J.C. [A] en C. [D] uit maart 2015 blijkt dat het voormelde wordt bevestigd (koopovereenkomst van 5 juni 2008), aldus [A].

4.3. [

[B] stelt hiertegenover onder andere het volgende. De koopovereenkomst van perceel 1 is gefingeerd. De originele koopovereenkomst is nooit in het geding gebracht. Het is een fabricatie achteraf om schade te kunnen claimen. Veelzeggend is dat in het kader van het voormelde kort geding deze koopovereenkomst door [A] in het geheel niet ter sprake is gebracht. Perceel 1 als gedefinieerd in deze koopovereenkomst bestaat niet. [A] laat na om uit leggen waaruit zijn schade bestaat. Het feit dat de gestelde koopovereenkomst niet is doorgegaan wil nog niet zeggen dat er sprake is van schade. Immers, [A] en zijn broer zijn nog steeds eigenaar van perceel 1. Verder lag er nog een ander beslag zodat levering sowieso niet kon plaatsvinden.

4.4.

Het Gerecht overweegt, uitgaande van de veronderstelling dat tussen [A] (althans een rechtspersoon in zijn invloedsfeer) als verkoper (kennelijk mede namens zijn broer) en [D] als koper een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen, als volgt.

4.5.

Uit de koopovereenkomst blijkt niet wat partijen hebben afgesproken over de termijn van levering van perceel 1. [A] zegt daarover niets in de processtukken. Uit de onderhandse verklaringen van zijn broer en [D] blijkt daarover ook niets. Van [A] had mogen worden verwacht dat hij in deze procedure zou hebben uitgelegd wat partijen daarover hebben afgesproken. Immers, [A] stelt zelf dat [D] de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden vanwege deze niet levering maar brengt de voorgeschreven schriftelijke verklaring (artikel 6:267 lid 1 BW) niet in het geding. Dit betekent dat het Gerecht niet kan vaststellen welke termijn de gebroeders [A] voor de levering hebben afgesproken en of [D] inderdaad de koopovereenkomst op de voorgeschreven wijze heeft ontbonden vanwege een tekortkoming van [A] om perceel 1 tijdig te leveren. Het Gerecht is van oordeel dat [A] aldus niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, hetgeen betekent dat het Gerecht niet aan nader onderzoek in de vorm van een bewijsopdracht kan toekomen. Dit betekent dat het Gerecht er dus niet van kan uitgaan dat het beslag van [B] de levering heeft belemmerd. Het causale verband (in de zin van condicio sine qua non) tussen het beslag van [B] en de niet-levering is dus niet komen vast te staan.

4.6.

Uitgaande van de dubbele veronderstelling van een rechtsgeldige koopovereenkomst en de rechtsgeldige buitengerechtelijke ontbinding door [D], heeft nog het volgende te gelden. Door [A] wordt niet uitgelegd wat hij heeft gedaan om de buitengerechtelijke ontbinding te voorkomen. Hij heeft niet [B] aangeschreven dat perceel 1 was verkocht en dat het beslag de levering belemmerde. Hij heeft niet [B] in kort geding gedagvaard om opheffing van het beslag te verkrijgen. Er is niet aan [B] gevraagd om medewerking aan de levering te verlenen en de koopprijs onder de notaris te deponeren tegen opheffing van het beslag. Tijdens het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van 15 april 2015 is door hem met geen woord gerept over de koopovereenkomst en de door [D] gedane buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst, hetgeen de gelegenheid bij uitstek was omdat [A] toen de rechter kon overtuigen dat hij door het beslag daadwerkelijk schade had ondervonden. Het Gerecht is van oordeel dat [A] onvoldoende heeft gedaan om zijn schade te beperken.

4.7.

Wat betreft die schade voert [A] aan dat deze, betreffende perceel 1, USD 800.000,00 betreft. Dit is de koopprijs zoals die blijkt uit de koopovereenkomst. De koop is niet doorgegaan zodat perceel 1 nog in eigendom toebehoort aan de gebroeders [A]. De koopprijs is dus niet de schade, zoals door [B] terecht wordt aangevoerd. De schade betreft de winstmarge, oftewel het verschil tussen de waarde van perceel 1 tijdens de verkoop enerzijds en de koopprijs anderzijds. [A] laat dit verweer van [B] onweersproken zodat het Gerecht niet kan vaststellen dat er sprake is van een dergelijke winstmarge. Het schadebedrag betreffende perceel 1 is dus niet aangetoond.

4.8.

Een en ander betekent dat de vorderingen van [A] betreffende perceel 1 dienen te worden afgewezen.

4.9.

Wat betreft de overige percelen geldt dat [A] volstaat met de stelling, ondersteund door een korte onderhandse verklaring van een makelaar, dat er andere gegadigden waren die belangstelling hadden om deze percelen te kopen. Een dergelijke stelling, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen betreffende perceel 1, houdt in dat er met deze gegadigden geen koopovereenkomsten tot stand zijn gekomen. Een expertiserapport betreffende de waarde vóór het beslag en de waarde na opheffing van het beslag ontbreekt zodat het Gerecht er niet vanuit kan gaan dat [A] schade heeft ondervonden. Het Gerecht kan dus zelfs niet uitsluiten dat de percelen door tijdsverloop meer waard zijn geworden.

4.10.

Alle vorderingen van [A] dienen dus te worden afgewezen.

4.11.

Als in het ongelijk gestelde partij dient [A] te worden verwezen in de proceskosten.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] begroot op NAf 18.000,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.