Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:55

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
22-09-2016
Zaaknummer
KG 2016/92
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing conservatoire beslagen. Misbruik van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 31 augustus 2016

Zaaknummer: KG 2016/92

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis in kort geding

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van Nevis [A],

gevestigd te Sint Maarten,

de naamloze vennootschap [B],

gevestigd te Sint Maarten,

[C],

wonende te Sint Maarten,

eisers,

gemachtigde: mr. K. Huisman,

tegen

[D en E],

wonende te Sint Maarten,

gedaagden,

gemachtigde: mr. B.Ph.C. de Jong.

1 De procedure

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 27 juli 2016,

  2. producties van eisers,

  3. producties van gedaagden,

  4. pleitnota namens eisers,

  5. pleitnota namens gedaagde.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2016 in aanwezigheid van mr. Huisman en mr. P. Soons namens mr. De Jong. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 22 juli 2016 zijn ingevolge verlof van het Gerecht door gedaagden ten laste van eisers conservatoire derdenbeslagen gelegd.

2.2.

Ondanks sommatie namens eisers zijn deze beslagen door gedaagden niet opgeheven.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de volgende beslissingen zal nemen:

“de gelegde conservatoire derdenbeslagen op de bankrekeningen van verzoekers op te heffen, althans gedaagden te bevelen dit beslag binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te heffen, zulks op straffe van verbeurte aan verzoekers van een dwangsom van USD 5.000,- per dag, een gedeelte van een dag tot een gehele dag gerekend, dat gedaagden dit bevel niet mochten nakomen;

Gedaagden te verbieden wederom beslag te leggen ten laste van verzoekers voor de door gedaagden in deze gepretendeerde vordering, totdat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad deze vordering mocht zijn vastgesteld, zulks op verbeurte van een dwangsom van USD 5.000,- per dag, een gedeelte van een dag tot een gehele dag gerekend, dat gedaagden dit bevel niet mocht nakomen;

Gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, een en ander te voldoen binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn, deze (na)kosten te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum verzuim tot de dag der algehele voldoening.”

3.2.

Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijk verklaring van eiseres sub 1 in haar vorderingen, dan wel dat deze aan haar te ontzeggen, met veroordeling van eiseres sub 1 in de proceskosten.

3.3.

Op de argumenten van partijen zal het Gerecht hierna ingaan, voor zover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting heeft het Gerecht de volgende conclusies kunnen trekken:

  1. het beslagrekest kent 10 producties. Producties 1, 2, 3, 7, 8, 9 en 10 hebben niets van doen met de zaak tussen partijen;

  2. mr. Soons heeft medegedeeld dat in het beslagrekest ten onrechte eisers 2 en 3 als gerequestreerden zijn genoemd. Gedaagden hebben geen vorderingen op hen. Ter zitting bleek bovendien dat gedaagden de ten laste van eisers 2 en 3 gelegde beslagen niet hadden opgeheven. Dit zou binnenkort wel gebeuren, zo deelde mr. Soons mede;

  3. eiseres sub 1 en gedaagde zijn een overeenkomst van bindend advies overeengekomen. De bindend adviseur heeft op 22 september 2015 advies uitgebracht; gedaagden dienen USD 19.836,00 te betalen aan eiseres sub 1. In het beslagrekest wordt niets gezegd over dit bindend advies.

4.2.

Op grond van artikel 705 leden 1 en 2 Rv kan de kort geding rechter beslagen opheffen.

Duidelijk is dat de conservatoire beslagen ten laste van eisers sub 2 en 3 moeten worden opgeheven omdat zij onterecht zijn gelegd. Gedaagden hebben immers geen vordering op eisers sub 2 en 3.

4.3.

Door het bindend advies, waaruit blijkt dat gedaagden juist een schuld aan eiseres sub 1 hebben in plaats van een vordering op haar, is summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van het vorderingsrecht van gedaagden. Het Gerecht acht niet overtuigend dat bij brief van 22 augustus 2016 (dus daags voor de zitting in dit kort geding) door gedaagden een beroep wordt gedaan op de nietigheid van de bindend advies overeenkomst. In de door gedaagden korte tijd daarvoor aanhangig gemaakte bodemprocedure wordt niet gesproken over deze nietigheid, want ook in dat verzoekschrift wordt niet gesproken over de bindend advies procedure. Evenmin acht het Gerecht overtuigend dat uit een deskundigenrapport, bij de opstelling waarvan eiseres sub 1 overigens niet is betrokken, en dat is opgesteld ruim na het bindend advies, volgt dat eiseres sub 1 in het kader van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst fouten heeft gemaakt die schade voor gedaagden hebben veroorzaakt.

4.4.

Dit betekent dat de beslagen dienen te worden opgeheven. Het Gerecht tekent aan dat de beslagrechter door gedaagden foutief is voorgelicht. De producties in het beslagrekest kloppen niet, eisers sub 2 en 3 zijn geen debiteuren van gedaagden en het bindend advies had moeten worden gemeld. Dit acht het Gerecht kwalijk omdat het verzoek om conservatoir beslag te mogen leggen een vergaande bevoegdheid is van een partij die door de beslagrechter in een zeer summiere procedure, zonder wederhoor, beperkt wordt getoetst. De beslagrechter moet ervan uit kunnen gaan dat de feiten naar waarheid worden aangevoerd. Dat is in deze zaak apert niet het geval. Bovendien zijn de beslagen ten laste van eisers sub 2 en 3 niet opgeheven. Het Gerecht merkt dit alles aan als misbruik van procesrecht.

4.5.

De tweede vordering, verbod tot opnieuw beslag leggen, zal het Gerecht niet toewijzen. Niet kan worden uitgesloten dat als er een nieuw beslagrekest wordt ingediend het Gerecht tot het oordeel zal komen dat gedaagden wel een vordering op eiseres sub 1 heeft. Wel ziet het Gerecht aanleiding te bepalen dat een mogelijk nieuw beslagrekest voorzien dient te worden van een kopie van dit kort geding vonnis.

4.6.

Als in het ongelijk gestelde partij dienen gedaagden in de proceskosten te worden veroordeeld. Vanwege het geconstateerde misbruik van procesrecht ziet het Gerecht aanleiding om ten gunste van eisers af te wijken van het liquidatietarief en om aan te sluiten bij de door hen daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand. Mr. Huisman deelde, desgevraagd, ter zitting mede dat zij aan dit kort geding circa 10 uur heeft besteed. Haar uurtarief is USD 275,00. Deze urenbesteding en het tarief komen het Gerecht redelijk voor. Aldus zal het Gerecht aan salaris gemachtigde toewijzen USD 2.750,00.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

rechtdoende in kort geding:

heft op alle door gedaagden ten laste van eisers gelegde conservatoire beslagen onder de Windward Islands Bank N.V., de Orco Bank N.V., de Banque Européenne du Crédit Mutuel en de RBC Royal Bank N.V.,

bepaalt dat een eventueel nieuw beslagrekest van gedaagden jegens eisers voorzien moet zijn van een kopie van dit vonnis,

veroordeelt gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van eisers begroot op NAf 450,00 aan griffierecht, NAf 296,50 aan oproepingskosten en op USD 2.750,00 aan salaris gemachtigde, althans het equivalent daarvan in Nederlands-Antilliaanse valuta,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.