Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:47

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
22-08-2016
Zaaknummer
AR 2015/113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aflossing geldlening. Stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 9 augustus 2016

Zaaknummer: AR 2015/113

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis

in de zaak van

[A],

wonende in de Verenigde Staten van Amerika,

eiser,

gemachtigde: mr. V.C. Choennie,

tegen

de naamloze vennootschap

[de Bank],

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr.

1 De procedure

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift met producties d.d. 14 augustus 2015,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    de conclusie van repliek tevens wijziging/aanvulling van eis met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op 28 januari 2009 zijn partijen een overeenkomst tot geldlening aangegaan. Daarin werd afgesproken dat eiser USD 181.000,00 leent van gedaagde tegen afbetaling in maandelijkse termijnen van USD 1.783,00 tot aan de einddatum, te weten 30 oktober 2024. De geldlening is verstrekt ten behoeve van de verbouwing van een appartementencomplex. Ter zekerheid voor de lening is een recht van eerste hypotheek gevestigd op het perceel waarop het complex staat, bekend onder meetbrief 487/1996.

2.2.

Bij berichten van 4 oktober 2010 en 25 oktober 2010 wordt gedaagde aangemaand om de opgelopen achterstand in de maandelijkse termijnbedragen te betalen. Vanaf februari 2011 ontvangt gedaagde in het geheel geen betalingen meer. Bij brief van 26 februari 2013 wordt eiser hierover aangeschreven en wordt hem een executie veiling in het vooruitzicht gesteld. Op 3 mei 2013 wordt dit voornemen bij brief van gedaagde herhaald. De veilingdatum wordt vastgesteld op 13 juli 2013. Vervolgens vindt er overleg tussen partijen plaats zonder dat betaling volgt zodat de veiling wederom wordt aangezegd en wel tegen 9 oktober 2013. Wederom overleg tussen partijen met als resultaat dat de veiling wordt geagendeerd op 18 december 2013.

2.3.

Eiser komt tegen het voornemen tot veiling op in kort geding. Het verbod de executie te staken wordt afgewezen door het Gerecht (vonnis d.d. 18 december 2013, KG 2013/183). Desalniettemin heeft gedaagde op verzoek van eiser de veiling weer uitgesteld en wel tot 2 april 2014. Wederom overleg. Blijkens de brief van 14 maart 2014 van gedaagde bedroeg de achterstand inmiddels USD 243.446,43, met name in verband met overeengekomen boeterente vanwege het niet betalen van de maandtermijnen. Er werd een betalingsafspraak gemaakt en de veiling werd afgelast. Eiser hield zich echter niet aan deze afspraak en gedaagde agendeerde de veiling opnieuw en wel op 4 maart 2015. Toen is het appartementencomplex executoriaal verkocht.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Na wijziging van eis vordert eiser dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal veroordelen aan hem te voldoen “de marktwaarde van de woning ad US$ 385,000.00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2015”, kosten rechtens.

3.2.

De conclusie van het verweer is dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van eiser zal afwijzen, althans hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van eiser in de proceskosten.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover zij relevant blijken voor de beoordeling van het geschil.

4 De beoordeling

4.1.

Eiser stelt dat hij op 8 november 2010 USD 175.051,55 heeft betaald aan gedaagde. Daarmee is de geldlening afgelost. Hij beroept zich daartoe op een bankafschrift d.d. 8 november 2010 van gedaagde betreffende rekening nummer 000……….. Daarop is vermeld: 11/08/2010 Credit MORTGAGE LOAN EARLY MAT. REPAYMENT 620………. $175,051.61 USD”.

4.2.

Gedaagde betwist dat door eiser is betaald. Vanwege de wanbetaling van eiser heeft gedaagde een non-productive account aangemaakt. Dat is een administratieve handeling die banken plegen te verrichten indien geldleningen niet regulier worden betaald. Het betreft een interne overboeking. Gedaagde brengt de “print screen” in het geding waaruit dit blijkt. Er heeft dus geen betaling door eiser plaatsgevonden.

4.3.

Het Gerecht overweegt dat tegenover deze stellingen van gedaagde eiser in gebreke blijft deze te weerleggen. Bovendien acht het Gerecht het onaannemelijk dat eiser serieus van mening kan zijn dat hij USD 175.051,61 heeft afbetaald. Waarom zou gedaagde uitvoerig met eiser gaan onderhandelen en telkenmale op zijn verzoek de veiling afblazen als de lening al is afgelost? Waarom heeft eiser in het kader van het kort geding niet gesteld dat de lening is afgelost? Op deze vragen, die door gedaagde bij repliek terecht en goed gemotiveerd aan de hand van bewijsstukken worden opgeworpen, blijft eiser het antwoord schuldig. Tot slot overweegt het Gerecht dat eiser geen bewijs bijbrengt dat voormelde door hem gestelde betaling ten laste van zijn vermogen is gegaan. Er wordt niet uitgelegd vanaf welke rekening door hem dit bedrag aan gedaagde zou zijn betaald.

4.4.

Het Gerecht oordeelt dus dat eiser niet heeft voldaan aan zijn stelplicht betreffende zijn dragende stelling dat de lening is afgelost. Dit betekent dat het Gerecht niet toekomt aan de andere argumenten van eiser omdat, indien deze gegrond zouden worden bevonden, deze niet ertoe kunnen leiden dat zijn vordering wordt toegewezen.

4.5.

Als in het ongelijk gestelde partij dient eiser te worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt eiser in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde begroot op nihil aan verschotten en op NAf 5.400,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.