Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:43

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
05-08-2016
Datum publicatie
09-08-2016
Zaaknummer
EJ 2016/119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst filiaalmanager van bank. Veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2344

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: EJ 2016/119

Datum: 5 augustus 2016

Beschikkingnr.

BESCHIKKING

op het verzoek van

de naamloze vennootschap

[de Bank],

gevestigd te Sint Maarten,

verzoekster,

gemachtigde: mr. G.B. Steward

tegen

[de werkneemster],

wonende te Sint Maarten,

verweerster,

gemachtigde: mr. J.G. Bloem.

Partijen worden aangeduid als “de Bank” en “[de werkneemster]”, tenzij hierna anders wordt vermeld.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 27 juni 2016,

  2. producties van [de werkneemster],

  3. producties van de Bank,

  4. pleitnota mr. Steward,

  5. pleitnota mr. Bloem.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juli 2016, in aanwezigheid van partijen en gemachtigden. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

Tijdens dezelfde zitting is het door [de werkneemster] tegen de Bank aangevangen kort geding behandeld, strekkende tot wedertewerkstelling (KG 2016-72).

1.4.

In beide zaken is de uitspraak bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1. [

de werkneemster], geboren op …….., is sinds 1 november 2013 werkzaam bij de Bank als branch manager. Haar salaris bedraagt NAf 6.886,00 bruto per maand.

2.2.

Bij brief van 2 juni 2016 van de Bank is [de werkneemster] geschorst. De brief luidt als volgt:

“Dear [werkneemster],

Our Security and Investigations and Audit Department have finalized their report to Management regarding your involvement in irregular/unauthorized cash advance practices at the Bank.

Pending a final decision in regard to disciplinary action to be taken by Sr. Management, you are herewith by way of action of order relieved from your duties with immediate effect.

You will keep your salary till further notice. Please be informed that you are not allowed to access the work premises of the Bank as of now. We will revert on short term.”

2.3.

Bij brief van 7 juni 2016 heeft de Bank aan [de werkneemster] te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen, bij voorkeur langs minnelijke weg. De kernpassage in deze brief luidt als volgt:

“Please be advised that the investigations and the results thereof have led to the conclusion that you continuously breached several guidelines and procedures over several years. In your position as a branchmanager you should be a role model for your subordinates. However, instead of leading by example you not only established/created but also maintained a practice in the cash area which practice is not only in violation of the Branch procedures and policies but can also lead to fraud.”

2.4.

In het kader van het in deze brief genoemde rapport is [de werkneemster] een interview afgenomen. Uit de door haar op 5 mei 2016 afgelegde en ondertekende verklaring wordt het volgende geciteerd:

“(…) I was not aware of the “cash advance” against a postdated transaction voucher till sometimes in November of 2015. This was when I needed cash to buy a ticket to Curacao that was on special but did not have sufficient funds on my account. I was then told by my cash supervisor [A] that I could get the cash from a teller against postdated transaction voucher. I asked [A] to be more specific. [A] told me that I could give a postdated transaction voucher and receive cash. The transaction voucher will be processed on the posted date which is always on the day after pay day. The transaction voucher will overnight mostly 2 to 3 days before being processed. After I have received the explanation by [A] which by the way happened in the cash area with all the staff present, I decided to fill out a postdated transaction voucher. The transaction voucher was given to the teller [B] who gave me the cash. It was dated to be processed within 2 days being the day after pay day. During these 3 days [B] would use the post-dated Transaction Voucher to balance with. The post-dated Transaction Voucher would represent the taken cash out of [B]’s till. I again took cash against a postdated transaction voucher sometimes in March of 2016. (…) This time I took cash from teller [C] against a postdated transaction voucher. This overnighted for 1 day as the next day would have been pay day. Reason I took this against the postdated transaction voucher was that I did not have any cash on my account but was in need of money at that moment. The amount involved was USD 50.00. I have done this only twice. (…) Furthermore I have to inform you that I have seen these postdated transaction vouchers in teller tills when I performed lock-up. (…)”

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De Bank verzoekt het Gerecht de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7A:1615 BW, in de zin van veranderingen in de omstandigheden met onmiddellijke ingang, c.q. op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, onder eventuele toekenning van een billijke vergoeding aan [de werkneemster] en met veroordeling van [de werkneemster] in de kosten van deze procedure.

3.2.

De conclusie van het verweer is dat het verzoek van de Bank dient te worden afgewezen, kosten rechtens.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover deze van belang zijn voor de beoordeling van het geschil.

4 De beoordeling

4.1.

Uit het verzoek volgt dat de Bank van oordeel is dat er geen vertrouwen meer bestaat in een vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst, hetgeen een verandering in omstandigheden inhoudt zodat de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden.

4.2.

Het Gerecht onderschrijft deze visie. Dit wordt als volgt gemotiveerd. Van [de werkneemster] als branch manager, verantwoordelijk voor het dagelijks reilen en zeilen van …….. filiaal, had zonder meer verwacht mogen worden dat zij persoonlijk geen gebruik zou hebben gemaakt van het uit haar verklaring blijkende “cash advance” systeem. Sterker nog: van haar had zonder meer mogen worden verwacht dat zij deze praktijk direct aan haar superieuren zou hebben gemeld en had gevraagd om instructies. Duidelijk is immers dat gelden van de Bank, bestemd voor haar klanten, worden gebruikt als voorschot op salaris en dat de kas op ondeugdelijke wijze wordt opgemaakt. Er wordt in de boeken genoteerd dat de kas klopt (er zitten een x bedrag aan geld in) maar dat is niet correct (er zit een x bedrag in, bestaande uit geld en “I owe you’s”).

4.3.

Aan dit oordeel doet niet af dat er geen geld is ontvreemd en dat de kas na pay day altijd weer kloppend was met contanten (en zonder I owe you’s). Uit de door de Bank overgelegde reglementen en handboeken volgt dat de Bank, uiteraard, hecht aan zeer zorgvuldige omgang met geldmiddelen. Dat er mogelijk niet precies een regeltje aanwijsbaar is waarin deze praktijk met zoveel woorden is verboden doet hier niet aan af. Het Gerecht is het eens met de Bank waar zij stelt dat zelfs zonder enige regel het gezond verstand dicteert dat deze praktijk, ook wel aangeduid als “forced closure” van de kas, niet toelaatbaar is binnen een bank.

4.4.

Aan dit oordeel doet evenmin af dat [de werkneemster] in haar vorige werkkring bij de Rabobank in Nederland uitstekende beoordelingen kreeg en dat dit ook gedurende haar dienstverband met de Bank het geval was. Ook uitstekend beoordeelde werknemers kunnen zich zodanig gedragen dat het vertrouwen wordt geschonden. Dat geldt temeer nu [de werkneemster] verklaart zelf twee keer persoonlijk gebruik te hebben gemaakt van dit systeem en het, nadat zij er voor het eerst mee werd geconfronteerd, daarna zeer regelmatig te hebben waargenomen zonder dat er bij haar een alarmbel afging.

4.5.

Evenmin acht het Gerecht relevant dat [de werkneemster], zoals de bank ook erkent, binnen haar filiaal goede procedures heeft geïntroduceerd die door andere filialen zijn overgenomen. Ook haar effectieve optreden tegen andere “illegale” praktijken binnen de Bank is onvoldoende zwaarwegend.

4.6.

Verder is niet van belang dat het systeem van “cash advances” tegen “I owe you’s” op Sint Maarten, en breder gezien alle eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen, wijd en zijd verbreid zou zijn en dat de Bank dat natuurlijk wist, althans behoorde te weten. Zelfs al zou dit het geval zijn, dan immers staat het de Bank vrij om aan deze onwenselijke praktijk op enig moment een definitief einde te maken door maatregelen te nemen tegen medewerkers, supervisors en managers die hieraan meededen c.q. van afwisten. Een ander oordeel van het Gerecht zou inhouden dat de Bank als werkgever gehinderd zou worden om deze praktijken effectief te kunnen uitbannen.

4.7.

Dat de Bank de nodige maatregelen heeft genomen blijkt uit het rapport van haar Security and Investigations and Audit Department. Daarin wordt opgesomd per categorie medewerkers wat de maatregelen zijn. Deze variëren van ontslag tot berisping en training. De branchmanagers die erbij betrokken zijn worden ontslagen.

4.8.

Anders dan namens [de werkneemster] wordt gesteld is het niet zo dat zij tweemaal wordt bestraft, te weten door de schorsing en vervolgens door de uit te spreken ontbinding. Een schorsing als de onderhavige is immers niet een disciplinaire straf maar geeft de werkgever, en dat blijkt ook uit de tekst van de schorsingsbrief, de gelegenheid om zich te bezinnen hoe om te gaan met de haar gebleken situatie. Bovendien heeft de Bank binnen vijf dagen na de schorsingsbrief reeds te kennen gegeven wat haar besluit werd, namelijk dat zij de arbeidsovereenkomst wenste te beëindigen. Aldus heeft [de werkneemster] niet lang in onzekerheid verkeerd.

4.9.

Dan verwijt [de werkneemster] de Bank nog dat zij twee bankmanagers direct heeft geschorst en haar pas vier weken later. Volgens [de werkneemster] mocht zij hieraan het vertrouwen ontlenen dat zij niet zou worden ontslagen. In elk geval handelt de Bank opportunistisch door haar vier weken door te laten werken, waarschijnlijk omdat er anders te weinig leidinggevend personeel zou zijn, aldus [de werkneemster]. Het Gerecht overweegt hierover dat de Bank binnen redelijke termijn na de verklaring van 5 mei 2016 van [de werkneemster] de knoop heeft doorgehakt. Verder geldt dat de Bank, geconfronteerd met de “cash advance” praktijk, hiertegen diende op te treden maar dat tegelijkertijd haar bedrijfsvoering voort diende te gaan. Het Gerecht overweegt dat dit niet zozeer opportunistisch is maar eerder verstandig, gelet op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de Bank. Het Gerecht begrijpt niet hoe [de werkneemster] hierdoor geschaad zou kunnen zijn, nu immers haar salaris gewoon is doorbetaald.

4.10.

De Bank is niet afkerig om aan [de werkneemster] een billijke vergoeding te betalen. Het Gerecht volgt deze visie, nu niet is gebleken van enige kwade wil aan de zijde van [de werkneemster] en zij voor het overige onberispelijk heeft gefunctioneerd. Dit betekent dat het Gerecht aan [de werkneemster] een vergoeding zal toekennen met een correctiefactor van C = 1 ingevolge de kantonrechtersformule.

4.11.

Aldus dient aan de Bank een intrekkingstermijn te worden vergund.

4.12.

Ongeacht of de Bank het verzoek intrekt of niet ziet het Gerecht aanleiding te bepalen dat partijen de proceskosten voor eigen rekening dienen te houden.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

geeft de Bank tot 12 augustus 2016 13.00 uur de gelegenheid om een brief op de griffie te deponeren waarmee het verzoek wordt ingetrokken, en,

indien het verzoek niet wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, bestaande uit een verandering van omstandigheden, met ingang van 13 augustus 2016,

kent aan [de werkneemster] een vergoeding toe van NAf 24.100,00 bruto en veroordeelt de Bank om aan [de werkneemster] dit bedrag binnen 14 dagen na 13 augustus 2016 te betalen op door [de werkneemster] kenbaar te maken wijze, en

ongeacht of het verzoek wordt ingetrokken of niet:

bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening houden,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier op 5 augustus 2016.