Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:4

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
AR 2015/98
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling, bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 9 februari 2016

Zaaknummer: AR 2015/98

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap

[eiseres],

gevestigd te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. B.,

tegen

de naamloze vennootschap

[gedaagde],

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. K. Huisman.

Eiser wordt aangeduid als “[eiseres]”. Gedaagde wordt aangeduid als “[gedaagde]”.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties strekkende tot het verkrijgen van een bevel tot betaling d.d. 6 mei 2015,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. [

eiseres], in de persoon van de advocate mr. B., heeft in opdracht en voor rekening van mevrouw [A] werkzaamheden op het gebied van rechtsbijstand verricht betreffende een dispuut dat is gerezen met de verhuurder van haar woning, te weten [gedaagde].

2.2.

Van de derdengeldenrekening van [eiseres] zijn betalingen ter zake van de huurpenningen verricht aan [gedaagde] door overmaking op diens bankrekening. Het gaat om betalingen op 20 januari 2014, 5 februari 2014 en 4 maart 2014.

2.3.

Ook is een betaling van USD 1.100,00 gedaan op 22 april 2014 met als betalingskenmerk “Rent April 14 B. [A]”. [eiseres] heeft [gedaagde] bericht dat deze betaling onverschuldigd is gedaan en heeft haar verzocht deze te restitueren. Aan deze sommatie heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

3.1. [

eiseres] vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van USD 1.100,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2014 tot de dag van algehele betaling alsmede tot betaling van USD 165,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2. [

gedaagde] concludeert dat het Gerecht de vordering van [eiseres] zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.3. [

eiseres] stelt, kort en zakelijk weergegeven, dat [gedaagde] weigerde de huurbetalingen contant in ontvangst te nemen. Vandaar dat er is besloten om via haar derdenrekening de huur over te maken op de bankrekening van [gedaagde]. Voor de voormelde eerste drie betalingen heeft zij contante bedragen van [A] gekregen, maar voor de betaling van 22 april 2014 is dat niet het geval. Dat is een betaling die per vergissing is gedaan. Er zijn immers geen gelden van [A] doorbetaald maar gelden van [eiseres]. Dat is dus onverschuldigd. De gelden waren niet eigendom van [A]. Anders dan [gedaagde] stelt was er geen reden dat [gedaagde] kon denken dat de betaling geschiedde ter delging van een vordering uit de huurovereenkomst omdat tussen [A] en [gedaagde] was afgesproken “dat zij haar voorschot zou uitwonen”. [gedaagde] stelt dat dit niet is toegestaan volgens de huurovereenkomst en dat klopt inderdaad, ware het niet dat het een vaste praktijk is op Sint Maarten dat de laatste maand na de inspectie wordt ‘’uitgewoond’’. Deze afspraak is gemaakt begin april 2014 met [B] van [gedaagde] tijdens de inspectie. Bovendien heeft [A] nooit een huurovereenkomst ondertekend met [gedaagde].

3.4. [

gedaagde] stelt hier, kort en zakelijk weergegeven, tegenover dat de huur over de maand april 2014 openstond en dat zij de gewraakte betaling, conform het betalingskenmerk, daarop heeft afgeboekt. Aldus is er geen sprake van onverschuldigde betaling en [eiseres], als vertegenwoordiger van [A], heeft de huur betaald en [gedaagde] mocht er vanuit gaan dat dit ook de bedoeling was, gelet op de eerdere betalingen. De borgsom mag niet worden uitgewoond omdat de huurovereenkomst dat niet toestaat in artikel 7 van de wel degelijk ondertekende huurovereenkomst. De borg is aangewend om de door [A] veroorzaakte gebreken in de gehuurde woning te herstellen.

4 De beoordeling

4.1.

Het Gerecht overweegt het volgende. Indien een persoon aan een ander zonder rechtsgrond een geldsom heeft gegeven dan is hij gerechtigd dit bedrag als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Anders dan [eiseres] stelt gaat het er niet om wie eigenaar was van het vermeend onverschuldigd betaalde bedrag, doch gaat het erom of de ontvanger behoorde te weten dat het aan hem betaalde bedrag zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd is betaald. Duidelijk is immers dat [eiseres] handelde als vertegenwoordiger van [gedaagde] en reeds eerder drie betalingen had gedaan terzake de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [A]. Dit betekent dat moet worden onderzocht of [gedaagde] wist, dan wel behoorde te weten, dat de gewraakte betaling, ondanks het bestaan van deze huurovereenkomst en het duidelijke betalingskenmerk, zonder rechtsgrond is geschied. Daartoe voert [eiseres] de nodige argumenten van feitelijke aard aan (zie 3.3.) die door [gedaagde] gemotiveerd worden weersproken. Op grond van de hoofdregel van artikel 129 Rv dient [eiseres] te worden toegelaten tot het bewijs zoals hieronder is vermeld, nu [eiseres] heeft voldaan aan haar stelplicht.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

belast [eiseres] met het bewijs van feiten en omstandigheden dat [gedaagde] wist dan wel kon weten dat de betaling van USD 1.100,00 d.d. 22 april 2014 onverschuldigd aan haar is gedaan,

verwijst de zaak naar de rolzitting van 8 maart 2016 voor akte waarin wordt vermeld of en hoe [eiseres] aan deze bewijsopdracht wil voldoen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.