Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:34

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
KG 2016/59
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad: gebod tot intrekking prijsbesluit en veroordeling tot betaling voorschot schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 30 juni 2016

Zaaknummer: KG 2016/59

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis in kort geding

in de zaak van

de naamloze vennootschap

[A],

gevestigd te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. L.M.G. Dundas,

tegen

de openbare rechtspersoon

het LAND SINT MAARTEN,

zetelende te Sint Maarten,

gedaagde sub 1,

en

de MINISTER VAN TOERISME, ECONOMISCHE ZAKEN, VERKEER EN TELECOMMUNICATIE,

zetelende te Sint Maarten,

gedaagde sub 2,

gemachtigde voor beide gedaagden: mr. A.A. Kraaijeveld.

Eiseres wordt aangeduid als “[A]”. Gedaagde sub 1 wordt aangeduid als “het Land”. Gedaagde sub 2 wordt aangeduid als “de Minister”. Een en ander tenzij anders is vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken;

  1. verzoekschrift met producties d.d. 18 mei 2016,

  2. brief van 14 juni 2016 van mr. Dundas met daarbij gevoegd een akte eiswijziging en producties,

  3. brief van 16 juni 2016 van mr. Kraaijeveld met daarbij gevoegd producties,

  4. pleitaantekeningen van mr. Dundas,

  5. pleitaantekeningen van mr. Kraaijeveld.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2016 in aanwezigheid van gemachtigden. Naast mr. Dundas is ook mr. Hofman verschenen. [A] werd vertegenwoordigd door haar beide directeuren [C] en [D]. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. [

A] exploiteert een onderneming die LPG (kookgas) importeert en deze in cilinders verkoopt en levert aan de detailhandel en de consumenten in Sint Maarten. Zij heeft geen andere verkoopproducten.

2.2.

Op 19 februari 2016 heeft de Minister in het dagblad The Daily Herald bekend gemaakt dat de maximumprijzen van LPG als volgt worden verlaagd per 22 februari 2016:

Product Huidige prijs Nieuwe prijs

LPG 20 LB NAf 42,00 per tank NAf 21,73 per cilinder

LPG (100LB) NAf 153,00 per tank NAf 112,96 per cilinder

LPG (BULK) NAf 1,51 per LB NAf 0,97 per LB.

2.3.

Dit is een prijsverlaging van ongeveer 50%. De ‘’huidige prijs” werd vastgesteld in december 2014.

2.4.

De tekst waarmee deze prijswijziging in The Daily Herald werd geplaatst luidt als volgt:

“PUBLIC ANNOUNCEMENT

PRICE CHANGE PETROLEUM PRODUCTS

The Government of St. Maarten regulates the prices of petroleum products by imposing a maximum price at which wholesalers and retailers can sell these products on St. Maarten. Due to the ongoing developments on an international level, the prices of crude oil have experienced adjustments. Taking into consideration that our local prices follow the international trend, our prices for LPG ([C]ing Gas) will also experience an adjustment. Given the aforementioned, the general public is hereby informed that as of Monday February 22, 2016 the maximum consumer prices of the following petroleum products have been adjusted as follows:”

2.5.

In een Whatsapp bericht dat aan een van de aandeelhouders van [A] is doorgezonden, kort na de publicatie van de nieuwe prijzen, bericht de Minister het volgende:

“In response to the question on who we are talking about, we are talking about the LPG gas suppliers. The reduction is huge in terms of percentage 50%, however the rationalization here form the economics affairs department that there were no price reduction for LPG gas for a while now so therefore they recommended this huge decrease. The decrease is justified in my opinion but it is drastic.

The advice to reduce the LPG gas was not done in consultation with the suppliers as well as the Cabinet did not have the opportunity to peruse the advice. It was done hastely and forwarded to Minister Lee to sign off and to be published due to my absence. This situation is very unfortunate. Nor the suppliers or the Cabinet were consulted with or even informed before hand, hence nor the suppliers nor the cabinet had the opportunity to give our advise and input.

The recommended new price decrees will have a negative impact on the revenues of the suppliers because they will be incurring a loss. Furthernore the suppliers did not have the opportuniity to adjust their business accordingly.

The reduction in pricing is not uniform. It is now sifnificantly cheaper to buy 5 units of lbs rather than one unit of 100 lbs.

The suppliers have in the meantime ceased the sale of LPG gas because they are unable to sell at the new price because they will be incurring a loss.

My advice is to retract the degree until a in dept study has been done with the input of the suppliers and awaiting the outcome of the recommendations of the SOAB report.

I sincerely believe that the decrease is in the general interest of the public, however we should give the suppliers time to adjust their prices.

Please give me your input and recomnendation on this urgent matter.

You can contact [B] at the Cabinet of TEATT should you require additional information.

Hope having informed you accordingly.

Regards

Minister I. Arrindell.”

2.6.

Op 22 februari 2016 vindt er een vergadering plaats met ambtenaren van de Minister en vier ondernemingen die LPG verkopen, waaronder [A]. De ondernemingen verzoeken de Minister het volgende:

● “This new pricing structure to be suspended until the concerns mentioned above are addressed.

● We request a follow up meeting pertaining the numbers included in the pricing formula that was mentioned to us at the meeting today.

● We are requesting that all of the LPG Players be present in the room, including the one that turn in all of the information of the LPG market in Sint Maarten.”

2.7.

Op 24 februari 2016 schrijft [B] (ambtenaar van de Minister) per e-mail aan [A] het volgende:

“Dear Mr. [C],

Minister Arrindell will be reversing the LPG price change that took place on February 20, 216, effective today.

This will be publicized and you will receive written information, during the course of the day.”

2.8.

Op 26 februari 2016 schrijft [B] per e-mail aan [C]:

“Sorry, Mr. [C]. I just received an update that the Minister will now allow the reduced prices to remain in effect pending the results of further consultations, which I believe will happen next week.

That means that all LPG suppliers are obliged to sell at the reduced prices, and the controllers will once again be back.

We’ve received instructions to that effect from Minister Arrindell.”

2.9.

Namens de Minister is op 26 februari 2016 een e-mail met de volgende tekst aan de LPG bedrijven op Sint Maarten gezonden:

“On behalf of the Government St Maarten, Stichting Overheidsaccountant Bureau (SOAB) is assigned to carry out the task of a Margin Review for LPG cooking gas. The goal of the assignment is to analyze and review the existing wholesaler and retailer margins of LPG.

In order to accomplish this assignment, the Ministry of TEATT is requesting your cooperation to submit all relevant information 9…) within two (2) weeks to SOAB, (…)”

2.10. [

A]’ gemachtigde heeft de Minister op 3, 21 en 29 maart 2016 aangeschreven om de prijzen aan te passen. In de laatste brief is het volgende verzoek opgenomen:

Request

We understand that your Ministry and SOAB are reviewing the matter of the LPG margins / prices and that that process will take about a month more. Client hereby requests you, Honorable Minister, to:

● retract the adjustment of February 22nd, 2016 to LPG prices and publish the retraction in the Official Publications (“Afkondigingsblad”) and set the LPG prices back to the index prior to the adjustment; or

● allow for a price increase of at least 25% from today’s levels for the sale of each LPG category (20# cylinders, 100# cylinders and bulk)

until the SOAB has made a final report of the review and analyzation of the LPG margins.”

2.11.

SOAB bericht bij brief d.d. 3 mei 2016 aan de advocaat van [A]:

“In your letter dated April 29, 2016 (…) you asked us for a comment on the failure of our opinion on the market price of LPG in St. Maarten. In this letter you acknowledge that the current market price for LPG set by the Government of St. Maarten compared to the world price for your client (…), is detrimental and damaging. We regret this very much. However, for the proper execution of our assignment commitment of all parties involved and access to the necessary documents is essential. Without this our assignment cannot be completed successfully.

Highlighting our independent and objective position as auditor, it is important to explicitly state that we can only come to an opinion based on a substantial basis. At present there is no reasonable basis.

We make every effort to complete our assignment within a very short timeframe, which of course depends on the abovementioned conditions. (…).”

3 Het geschil

3.1.

Na eiswijziging vordert [A] dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

“ I. Gedaagde sub 2 te gelasten tot intrekking van de nietige aanpassing van LPG prijzen (zoals bepaald op 22 februari jl. en bekend gemaakt op 18 maart 2016 in het Landscourant) en bekendmaking van de intrekking van de aanpassing in het Afkondigingsblad conform de Prijzenverordening, op straffe van een door gedaagden te verbeuren dwangsom van US $ 2,000,= op een door Uw Gerecht in goede justitie te betalen dwangsom per dag of gedeelte van een dag dat gedaagden in gebreke blijven te voldoen aan het in deze te wijzen vonnis;

II. Gedaagde sub 2 te gelasten tot onmiddellijke stopzetting van de inspecties door de Control Unit, totdat gedaagde sub 2 nieuwe LPG prijzen heeft bepaald op basis van het eindrapport van SOAB en de nieuw bekende LPG prijzen in het Afkondigingsblad bekend worden gemaakt krachtens de Prijzenverordening, op straffe van een door gedaagden te verbeuren dwangsom van US $ 2,000,= op een door Uw Gerecht in goede justitie te betalen dwangsom per dag of gedeelte van een dag dat gedaagden in gebreke blijven te voldoen aan het in deze te wijzen vonnis;

III. Gedaagden te gelasten tot betaling van US$ 55,106.= of een door uw Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding bij wege van voorschot voor de financiële schade die eiseres reeds heeft geleden vanaf 22 februari jl. als gevolg van de onrechtmatige daad (houdende de ongeldige aanpassing en handhaving van LPG prijzen) ex artikel 6:162 BW en het misbruik van bevoegdheid tot de handhaving van de ongeldige aanpassing ex artikel 3:13 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;

SUBSIDIAIR

IV. Gedaagde sub 2 te gelasten tot intrekking van de aanpassing van LPG prijzen (die eventueel nader in het Afkondigingsblad is bekendgemaakt en met terugwerkende kracht in werking is getreden) en tot bekendmaking van de intrekking van de aanpassing in het Afkondigingsblad conform de Prijzenverordening, op straffe van een door gedaagden te verbeuren dwangsom van US $ 2,000,= op een door Uw Gerecht in goede justitie te betalen dwangsom per dag of gedeelte van een dag dat gedaagden in gebreke blijven te voldoen aan het in deze te wijzen vonnis;

V. Gedaagde sub 2 te gelasten tot onmiddellijke stopzetting van de inspecties door de Control Unit, totdat gedaagde sub 2 nieuwe LPG prijzen heeft bepaald op basis van het eindrapport van SOAB en de nieuw bekende LPG prijzen in het Afkondigingsblad bekend worden gemaakt krachtens de Prijzenverordening, op straffe van een door gedaagden te verbeuren dwangsom van US $ 2,000,= op een door Uw Gerecht in goede justitie te betalen dwangsom per dag of gedeelte van een dag dat gedaagden in gebreke blijven te voldoen aan het in deze te wijzen vonnis;

VI. Gedaagden te gelasten tot betaling van US$ 55,106.= of een door uw Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding bij wege van voorschot voor de financiële schade die eiseres reeds heeft geleden vanaf 22 februari jl. als gevolg van de onrechtmatige daad (houdende de ongeldige aanpassing en handhaving van LPG prijzen) ex artikel 6:162 BW en het misbruik van bevoegdheid tot de handhaving van de ongeldige aanpassing ex artikel 3:13 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;

ZOWEL PRIMAIR ALS SUBSIDIAIR

VII Gedaagden te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betekening van het in deze te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening.”

3.2.

Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [A] in haar vorderingen, althans dat deze worden afgewezen, met proceskostenveroordeling.

3.3.

Op de argumenten van partijen zal het Gerecht hierna ingaan, voor zover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Gedaagden voeren aan dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is van deze zaak kennis te nemen. De bestuursrechter zou bevoegd zijn omdat het besluit van 19 februari 2016 een beschikking is in de zin van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak (LAR). Dit wordt door [A] weersproken.

4.2.

Het Gerecht overweegt als volgt. Artikel 3 van de LAR bepaalt dat een beschikking een schriftelijk besluit is van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke handeling die niet van algemene strekking is. Het onderhavige besluit is gebaseerd op de Prijzenverordening. De ratio van deze regeling is dat de overheid consumentenprijzen aan banden kan leggen indien het algemeen belang daartoe noopt (zie artikel 2). Aldus is het onderhavige besluit gericht tot alle verkopers van LPG gas voor huishoudelijk gebruik in het belang van de consumenten op Sint Maarten. Dat is dus een besluit van algemene strekking dat niet onder de werkingssfeer van de LAR valt. Door [A] wordt gesteld dat het Land onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door dit besluit. Dat is voldoende om toegang tot de burgerlijke rechter te krijgen in het kader van de aanvullende rechtsbescherming betreffende handelingen van de overheid. Aldus is de burgerlijke rechter bevoegd kennis te nemen van de onderhavige vorderingen.

4.3.

Verder voeren gedaagden aan dat de Minister geen civiele procespartij is. Gedaagden stellen dat [A] niet uitlegt waarom de Minister naast het Land ook in deze procedure is betrokken. [A] heeft op dit verweer niet gereageerd.

4.4.

Het Gerecht is van oordeel dat een vordering als de onderhavige, gebaseerd op onrechtmatige overheidsdaad, ingesteld dient te worden tegen het Land en niet tegen de Minister. De Minister heeft immers gehandeld als Minister van het Land en dus namens het Land. Behoudens persoonlijke aansprakelijkheid van de Minister, waarover het in dit kort geding niet gaat, is er geen rechtens waardeerbaar belang om de Minister als gedaagde in rechte te betrekken. Dit betekent dat het Gerecht [A] in haar vorderingen tegen de Minister niet-ontvankelijk dient te verklaren.

4.5.

Het spoedeisend belang is met de aard van de vorderingen gegeven.

4.6.

Door het Land is bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Deze zou te laat kenbaar zijn gemaakt. Dit wordt door [A] weersproken.

4.7.

Het Gerecht overweegt dat het de akte eiswijziging op 14 juni 2016 heeft ontvangen. Op de brief is vermeld dat deze cc is gezonden aan het Land en de Minister. Dit is ruim voor het tijdstip genoemd in artikel 52 Rolreglement (voor 14.00 uur de dag voor de zitting). Anders dan door gedaagden wordt bepleit is het niet zo dat [A] ervan uit moet gaan dat het kantoor van mr. Kraaijeveld als advocaat zal optreden omdat dit kantoor in civiele korte gedingen altijd namens gedaagden optreedt, zodat de producties en eiswijziging aan hem dienden te worden toegezonden. Het inleidend verzoek is immers op 27 mei 2016 door de deurwaarder aan gedaagden betekend zonder dat gedaagden dit kennelijk hebben doorgezonden aan het kantoor van mr. Kraaijeveld en hem opdracht hebben gegeven hun belangen te behartigen. Het is aan gedaagden om een advocaat in te schakelen en aan die advocaat om daarvan het Gerecht en [A] te informeren. Een opdracht aan een advocaat wordt immers niet verondersteld. Deze moet uitdrukkelijk zijn gegeven. Aldus zal het Gerecht recht doen op de gewijzigde eis.

4.8.

Toewijzing van de vorderingen tegen het Land is enkel mogelijk indien het Gerecht in dit kort geding tot het voorlopig oordeel komt dat het zeer waarschijnlijk dat de bodemrechter de vorderingen zal toewijzen. Ten aanzien van een vordering tot intrekking van publiekrechtelijke regelgeving in kort geding is bovendien vereist dat de omstreden regeling onmiskenbaar onrechtmatig is (HR 1 juli 1983, NJ 1984, 360).

4.9.

Het is vaste jurisprudentie sinds het landbouwvliegersarrest (HR 16 mei 1986, NJ 1987, 251) dat een publiekrechtelijke regeling buiten werking kan worden gesteld. Het rechterlijke toetsingskader komt blijkens deze jurisprudentie neer op het volgende. Geen rechtsregel staat er aan in de weg dat de rechter een zodanig voorschrift (niet zijnde afkomstig van de formele wetgever) onverbindend en in verband daarmee de uitvoering daarvan onrechtmatig kan oordelen op grond dat sprake is van willekeur, zodanig dat het betreffende overheidsorgaan, in aanmerking genomen de belangen die aan dit orgaan ten tijde van de totstandbrenging van het voormelde uitvoeringsbesluit bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot het betreffende besluit is kunnen komen. Daarbij heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen, terwijl zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in het staatsbestel meebrengen dat hij ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid moet betrachten. Voorts zullen gebreken in de motivering van het betreffende voorschrift op zichzelf niet tot onverbindendheid leiden. Wel zal de motivering in aanmerking kunnen worden genomen bij de vraag of dit voorschrift de toetsing aan de boven weergegeven maatstaf kan doorstaan, zoals daarbij ook in aanmerking kan worden genomen of in verband met het voorschrift wellicht aan de daardoor in het gedrang komende belangen is tegemoet gekomen door aan eventuele benadeelden enigerlei vorm van vergoeding toe te kennen.

4.10.

Alvorens deze maatstaf toe te passen is het van belang in te gaan op enige feitelijkheden waarover partijen van mening verschillen. Door het Land word namelijk aangevoerd dat [A] weigert om aan het Land inzicht te verschaffen in haar kostenstructuur. De pleitnota van mr. Kraaijeveld onder 7 zegt hierover: “Er mist namelijk een belangrijk stuk informatie, namelijk de kostenstructuur van de kookgas-verkopers. Deze informatie is al sinds 2012 meerdere malen opgevraagd bij [A] en haar concurrenten. [A] weigert om haar kostenstructuur inzichtbaar te maken en voldoet niet aan de verplichtingen in de prijzenverordening.” Dit is door [A] gemotiveerd weersproken.

4.11.

Het Gerecht heeft ter zitting kunnen vaststellen dat [A] pas in februari 2013 haar bedrijfsactiviteiten heeft gestart, zodat zij niet reeds in 2012 door het Land kan zijn bevraagd. Verder is aan het Gerecht een map betreffende de kostenstructuur van [A] getoond en is met het voorlezen van e-mails van en aan ambtenaren van het Land duidelijk gemaakt dat het Land deze informatie wel degelijk heeft ontvangen. Het Land heeft een en ander bij gebrek aan wetenschap toch ontkend. Het Gerecht gaat aan deze betwisting voorbij nu het Land er voor heeft gekozen ter zitting niet te verschijnen, doch uitsluitend zijn advocaat het woord te laten doen, zodat het Gerecht hierover geen verdere vragen kon stellen. Aldus is door onvoldoende betwisting komen vast te staan dat het Land wel degelijk de beschikking heeft gekregen over de stukken van [A] die het heeft opgevraagd door middel van zijn hiervoor geciteerde e-mail van 26 februari 2016.

4.12.

Verder heeft het Land ter zitting medegedeeld dat reeds sinds 2012 een aantal gasleveranciers in gebreke zijn gebleven met het aanleveren van deze informatie. Terecht voert [A] aan dat deze gasleveranciers dus handelen in strijd met artikel 4 van de Prijzenverordening waarin de verplichting tot het verschaffen van deze informatie met zoveel woorden is opgenomen. Het Land kon desgevraagd niet aan het Gerecht uitleggen om welke reden het tegen deze gasleveranciers geen actie heeft ondernomen. Het staat dus vast dat het Land geen volledig inzicht in de kostenstructuur van de LPG aanbieders had toen zij de prijsaanpassing op 19 februari 2016 publiceerde.

4.13.

Het is het Gerecht gebleken dat het Land inzicht had in de kostenstructuur van LPG leverancier [E]. Dit is een veel grotere onderneming dan [A]. Anders dan [A], die alleen de onderhavige LPG producten verkoopt, heeft [E] ook andere handelsactiviteiten. Haar kostenstructuur zal dus anders zijn dan die van [A] en andere leveranciers in eenzelfde positie.

4.14.

Het Gerecht overweegt het volgende. Ten tijde van de prijsaanpassing op 19 februari 2016 had het Land geen volledig inzicht in de kostenstructuur van de LPG leveranciers op Sint Maarten. Dit betekent dat het Land de prijzen heeft verlaagd zonder zich rekenschap te hebben gegeven van de effecten die deze prijsverlaging van 50% op de bedrijfsvoering van de LPG leveranciers, in het bijzonder de leveranciers die enkele LPG kookgas verkopen, zouden hebben. Dit blijkt ook met zoveel woorden uit het geciteerde whatsapp bericht van de Minister zelf, waarvan de authenticiteit door het Land niet wordt betwist. Zij onderschrijft daarin dat de gasleveranciers niet van tevoren zijn geconsulteerd, dat het Kabinet geen gelegenheid heeft gehad erover te beraadslagen, dat de besluitvorming een haastklus was en dat een andere minister het besluit heeft ondertekend. Verder schrijft zij dat de inkomsten van de LPG leveranciers zullen dalen en dat de leveranciers geen gelegenheid hebben gehad hun bedrijfsvoering aan te passen. Uit de e-mail van [B] van 24 februari 2016 volgt dat de Minister voornemens was de prijsverlaging terug te draaien, waaraan echter geen uitvoering is gegeven. Het Land verwijst naar het onderzoek van SOAB maar onmiskenbaar is gebleken dat het Land geen actie neemt om de gasleveranciers te dwingen de informatie aan SOAB te geven. Hierdoor laat de uitkomst van het onderzoek van SOAB op zich wachten en dus ook het namens de Minister aangekondigde nieuwe besluit op grond van dit onderzoek.

4.15.

Door het Land wordt nog aangevoerd dat het niet zo is dat [A] schade ondervindt door de prijsbijstelling omdat [A] momenteel haar LPG producten onder de vastgestelde maximumprijs verkoopt. Aldus zou er geen sprake zijn van onrechtmatigheid. Het Gerecht oordeelt dat dit argument niet opgaat omdat [A] er een belang bij heeft haar klantenkring te behouden, temeer nu niet kan worden uitgesloten dat andere leveranciers, zoals voormeld [E], deze prijsverlaging gebruiken om [A] uit de markt te drukken, zoals [A] stelt.

4.16.

Uitgaande hiervan is de prijsaanpassing naar voorlopig oordeel van het Gerecht onmiskenbaar onrechtmatig jegens [A]. Deze onrechtmatigheid duurt voort zolang SOAB haar rapport niet kan voltooien. Het Land handelt immers onrechtmatig jegens [A] door de nalatige leveranciers niet te dwingen inzicht in hun kostenstructuur te geven.

4.17.

Het Gerecht zal de primaire vorderingen, die zijn gebaseerd op de stelling dat de publicatie van het besluit niet volgens de regels is verlopen, afwijzen nu het niet kan uitsluiten dat de gestelde nietigheid achteraf is gerepareerd of alsnog gerepareerd kan worden door opnieuw te publiceren. Een eventuele reparatie doet echter niet af aan de vastgestelde onrechtmatigheid van het Land.

4.18.

Dit betekent dat het Gerecht de subsidiaire vorderingen I en II zal toewijzen, zij het met ambtshalve maximering van de dwangsommen waartegen overigens door het Land geen specifiek verweer is gevoerd. In plaats van de Minister zal het Land worden veroordeeld, zie 4.4.

4.19.

Wat betreft de primaire vordering sub 3, vergoeding van de door [A] ondervonden schade, wordt het volgende overwogen. Een dergelijke vordering is in kort geding enkel toewijsbaar indien het bestaan van de vordering en de omvang daarvan in hoge mate aannemelijk zijn. Verder dient er geen restitutierisico te zijn en er moet een spoedeisend belang zijn.

4.20.

Het Gerecht constateert dat tegen deze vordering door het Land geen specifiek verweer is gevoerd. Duidelijk is echter dat het Land zich verzet tegen toewijzing, gelet op zijn stellingen dat er geen gebreken kleven aan de besluitvorming omtrent en publicatie van de prijsaanpassing. Het Gerecht acht het spoedeisend belang aanwezig nu duidelijk is dat de Minister in voormeld whatsapp bericht zelf schrijft dat er als gevolg van de prijsdaling sprake zal zijn van een verlies aan inkomsten voor de gasleveranciers. Wat betreft het bestaan en de hoogte van de vordering is door [A] bij verzoekschrift een overzicht in het geding gebracht van haar inkomsten en kosten in de twee maanden voor en in de twee maanden na de prijswijziging. Daaruit volgt dat er sprake is van een gemiddeld verlies per maand (geactualiseerd tot medio juni 2016 blijkens de pleitnota) van USD 15.450,16 voor belastingen. Het Gerecht acht overheersend aannemelijk dat er sprake is van een vordering maar de hoogte daarvan kan het Gerecht niet vaststellen omdat de onderliggende stukken niet kenbaar zijn gemaakt. Het Gerecht zal als voorschot vaststellen USD 10.000,00. Het restitutierisico acht het Gerecht niet aanwezig. In dat verband acht het Gerecht relevant dat [A] dit kort geding is begonnen juist om te voorkomen dat haar bedrijfsvoering verliesgevend wordt c.q. blijft. Gesteld noch gebleken is verder dat [A] een dergelijk bedrag niet zou kunnen terug betalen.

4.21.

Door het Land wordt verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis. In kort geding zijn er te weinig bewijsmogelijkheden en de gevraagde voorziening is te verstrekkend. Dit wordt door [A] betwist.

4.22.

Het Gerecht overweegt dat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van onmiskenbaar onrechtmatig handelen van het Land jegens [A]. Het instellen van de onderhavige vorderingen door [A] strekken ertoe om deze onrechtmatigheid te beëindigen en verdere schade te voorkomen. Het Land kan bovendien de werking aan de uitvoerbaarheid bij voorraad feitelijk ontnemen door het ordentelijk doen uitvoeren van het onderzoek door SOAB en de medewerking van de nalatige gasleveranciers af te dwingen en vervolgens een nieuw prijsbesluit te nemen en te publiceren. Aldus zal het Gerecht dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4.23.

Als in het ongelijk gestelde partij dient het Land in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

rechtdoende in kort geding:

verklaart [A] in haar vorderingen tegen de Minister niet-ontvankelijk,

gelast het Land tot intrekking van de aanpassing van LPG prijzen (die eventueel nader in het Afkondigingsblad is bekendgemaakt en met terugwerkende kracht in werking is getreden) en tot bekendmaking van de intrekking van de aanpassing in het Afkondigingsblad conform de Prijzenverordening, op straffe van een door het Land te verbeuren dwangsom van US $ 2,000,= per dag of gedeelte van een dag dat het Land in gebreke blijft te voldoen aan het in deze te wijzen vonnis;

gelast het Land tot onmiddellijke stopzetting van de inspecties door de Control Unit, tot de Minister nieuwe LPG prijzen heeft bepaald op basis van het eindrapport van SOAB en de nieuw bekende LPG prijzen in het Afkondigingsblad bekend worden gemaakt krachtens de Prijzenverordening, op straffe van een door gedaagde te verbeuren dwangsom van US $ 2,000,= per dag of gedeelte van een dag dat gedaagden in gebreke blijft te voldoen aan het in deze te wijzen vonnis;

bepaalt de maximaal te verbeuren dwangsommen op USD 200.000,00 totaal betreffende beide veroordelingen;

veroordeelt het Land om aan [A] betreffende voorschot op de schadevergoeding USD 10.000,00 te betalen;

veroordeelt het Land in de proceskosten, aan de zijde van [A] begroot op NAf 1.343,00 aan verschotten en op NAf 1.500,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.