Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:21

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
AR 2015/47
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vraag of het Land Sint Maarten al dan niet bevoegd was vertegenwoordigd bij het aangaan van een vaststellingsovereenkomst met een civiele wederpartij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 4, p. 236
NTHR 2017, afl. 1, p. 29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 5 april 2016

Zaaknummer: AR 2015/47

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap

[A],

gevestigd te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. H.A. Sefarina,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND SINT MAARTEN,

zetelende te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr.

Eiser wordt aangeduid als “[A]”. Gedaagde worden aangeduid als “het Land”. Een en ander tenzij anders is vermeld.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties d.d. 8 april 2015,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    de conclusie van repliek met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek met producties,

  • -

    producties 10 en 11 van [A],

  • -

    de pleitnota van mr. Sefarina,

  • -

    de pleitnota van mr. Gibson.

1.2.

Het pleidooi heeft plaatsgevonden op 18 februari 2016 in aanwezigheid van de gemachtigden. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De naamloze vennootschap […………] (hierna: [B]) stelt een vordering op het Land te hebben uit hoofde van nadeelcompensatie. Een gedeelte van deze vordering heeft [B] aan [A], die een factoring bedrijf exploiteert, verkocht.

2.2. [

B] en het Land zijn verwikkeld geweest in meerdere LAR procedures. Zo is op 5 juni 2012 door dit Gerecht uitspraak gedaan in de zaak met nummer Lar 117/2011. Beslist is dat het beroep van [B] gegrond is, de beschikking wordt vernietigd en het Land binnen drie maanden een nieuwe beschikking dient te geven. Op 28 augustus 2012 heeft het Land, meer specifiek zijn Minister van TEZVT, een nieuw besluit genomen en het verzoek om schadevergoeding van [B] wederom afgewezen. Hiertegen heeft [B] beroep ingesteld (Lar 084/12).

2.3.

Bij brief van 31 januari 2013 berichten twee ministers, te weten de Minister van TEZVT en de Minister van Financiën, het volgende aan een medewerker van de Landsadvocaat:

“ref: Settlement between [B]-Cable and Government of St. Maarten

Dear Sir,

I, hereby inform you that in December 2012 a meeting was convened between my person as Minister of TEZT, Minister of Finance, Roland Tuitt and [D] of [B]. The meeting was to discuss a settlement of a court case against government of St. Maarten prior to 10-10-10 which was in the amount of 1.250 million US Dollars. In the meeting, a settlement was reached in the amount of $1 million US Dollars which will be paid in terms. The first payment will be in amount of $400,000.00 and the balance will be paid in installments of $100,000.00 US Dollars per month. This settlement was reached in order to avoid further pursuance of court cases that have a high possibility of resulting in favorable judgment on behalf of [B]-Cable.

I hope to have informed you sufficiently and looking forward to having the contract expedited.”

2.4.

Deze brief is ondertekend door de Minister TEZVT en de Minister van Financiën.

2.5.

Bij brief van 1 februari 2013 aan de beide ministers bevestigt [B] dat zij een schikking heeft bereikt met het Land. In deze brief komen onder andere de volgende passages voor:

“I hereby confirm that on December 7, 2012 we finally reached a settlement agreement. I am glad that after 3 years of struggle inside and outside the court trying to reach an agreement that both Ministers also realize that court would not be beneficial for anyone concerned. Specially taking into consideration that Country St. Maarten will benefit of our DVB-T. We also went ahead and agree to return 4 out of 6 additional rf channels under the condition stated below. Showing our good will we preferred to discount the $250.000.00 and agree to the $1.000.000.00 instead of prolonging by helping understand the justification with the chance of once again going to court.

We agree to the following;

● The government is to pay [B]-CABLE $ 1.000.000.00. of which $400.000.00 to be paid as down payment the moment the paperwork is done which is expected not more than 10 working days from the 7th. The balance of $600.000.00 is to be paid in terms of $100.000.00 per month.”

2.6.

Bij e-mail van 12 februari 2013 bericht het Ministerie van Financiën het volgende aan de directeur van [B]:

“Part of the proposed arrangement with [B] is the use of a channel for DECOM. Could you perhaps send us a copy of a usage and/or lease agreement which you would typically use with regard to the use of one or more of your channels? Such an agreement should be included with the draft settlement agreement. As your company no doubt has ample experience with this subject matter, in order to speed the process up, we would like to see if we could perhaps make use of your typical contract in this regard as a template.”

2.7.

Bij e-mail van 13 februari 2013 verstrekt [B] de hoofdlijnen van een dergelijk contract met de mededeling dat dit een enkele pagina tekst zal zijn.

2.8.

Op 14, 15, 18 februari 2013, 6 maart 2013 en 22 april 2013 heeft [B] aan [A] gedeeltes van haar vordering uit hoofde van nadeelcompensatie op het Land verkocht. Bij exploten van de deurwaarder zijn de daartoe strekkende overeenkomsten aan het Land betekend, voor het eerst op 12 maart 2013.

2.9.

Het “Beslisblad van de Ministerraad” d.d. 21 juni 2013 luidt ten aanzien van agendapunt 10 als volgt:

“Onderwerp: Paying [B] Cable TV a settlement amount in lieu of a court case

(…)

Besluit: Aangehouden. De overwegingen van Minister Tuitt en het juridisch advies van JZW d.d. 29 mei 2013 zal nader worden bezien alvorens zal worden overgegaan tot finale besluitvorming.

Uitvoering: Minister AZ + secretaris

Cc. Minister FIN.”

2.10.

Op 25 juli 2013 heeft er een vergadering plaatsgevonden tussen [B] en het Land.

2.11.

Op 5 september 2013 heeft het Land NAf 400.000,00 aan [B] betaald. De omschrijving luidt: “[B].” [B] heeft dit doorbetaald aan [A].

2.12.

Bij brief van 27 februari 2015 heeft [A] het Land gesommeerd om aan haar te betalen NAf 965.000,00.

3 Het geschil

3.1. [

A] vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het Land veroordeelt om aan haar te betalen Naf 965.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 april 2013 tot de dag van algehele voldoening en vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van 15% over de hoofdsom, zulks met veroordeling van het Land in de proceskosten.

3.2.

Het Land concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [A] in haar vorderingen, dan wel dat deze aan haar zullen worden ontzegd, met veroordeling van [A] in de proceskosten.

3.3.

Op de argumenten van partijen zal het Gerecht hierna ingaan, voor zover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1. [

A] stelt dat tussen [B] en het Land een minnelijke regeling tot stand is gekomen en dat het Land deze moet nakomen. Zij stelt verder dat zij, op grond van de verkoop van een gedeelte van de vorderingen uit hoofde van deze minnelijke regeling door [A] aan haar, vorderingsgerechtigd is.

4.2.

Kort en zakelijk weergegeven voert het Land de volgende verweren:

  1. er is geen minnelijke regeling overeengekomen,

  2. als er al een minnelijke regeling overeen is gekomen dan waren de voormelde Ministers niet vertegenwoordigingsbevoegd,

  3. er is geen sprake van een rechtsgeldige cessie.

4.3.

Het Gerecht overweegt dat verweer 3 een consequentie vormt van verweren 1 en 2. Verweer 3 houdt namelijk in: er is geen sprake van een vordering van [B] op het Land uit hoofde van nadeelcompensatie en dus kan er ook geen vordering gecedeerd zijn aan [A]. Ook stelt het Land dat ten tijde van de cessie geen sprake was van een bestaande rechtsverhouding en evenmin dat de vordering toen voldoende bepaalbaar was.

4.4.

De verweren 1 en 2 worden als volgt door het Land toegelicht;

  1. er bestaat geen vaststellingsovereenkomst die door alle betrokkenen is ondertekend,

  2. de brief d.d. 31 januari 2013 kan niet als een vaststellingsovereenkomst worden aangemerkt omdat dit geen correspondentie tussen partijen betreft maar een brief van twee Ministers aan een medewerker van de Landsadvocaat,

  3. pas in juni 2013 hebben partijen besloten de Lar procedure 084/12 aan te houden,

  4. e besluitvorming door de Ministerraad is aangehouden op 21 juni 2013 en dat komt omdat de Ministerraad nader onderzoek nodig achtte naar de vraag of [B] wel schade had ondervonden waarvoor het Land aansprakelijk was,

  5. [B] als professionele partij had zich moeten laten bijstaan door een adviseur,

  6. uit de besluitvorming van 21 juni 2013 blijkt al dat beide ministers niet ondersteund werden door de Ministerraad,

  7. bij deze “schikking” is niet voldaan aan de vereisten van de Rijkswet Financieel Toezicht Curaçao en Sint Maarten (“de Rijkswet”), de Comptabiliteitslandsverordening en evenmin aan artikel 3:60 juncto 3:66 BW en 3:40 BW.

4.5.

Conclusies van het Land: er is geen schikkingsovereenkomst tot stand gekomen. Als het Gerecht bevindt dat er wel een schikkingsovereenkomst tot stand is gekomen dan is deze nietig want strijdig met voormelde wetgeving omdat de Ministers niet bevoegd waren het Land te vertegenwoordigen.

Verweer 2: onbevoegde vertegenwoordiging

4.6.

Het Gerecht ziet aanleiding eerst in te gaan op verweer 2. Daarbij gaat het Gerecht er, zuiver veronderstellenderwijs, vanuit dat er een schikking tot stand is gekomen.

4.7.

Artikel 21 van de Rijkswet luidt als volgt:

1. Onze Minister van Financiën van het betrokken land houdt een register bij van de namen en functies van degenen die zijn gemachtigd tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen die voortvloeien uit een besluit tot het aangaan van financiële verplichtingen. Daarbij geeft hij tevens aan voor welke rechtshandelingen en tot welke bedragen zij gemachtigd zijn. Hij publiceert dit register na elke wijziging, maar in elk geval iedere zes maanden. Publicatie geschiedt op de website van Onze Minister van Financien van het betrokken land.

2 Bij toepassing van artikel 20, zevende lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0028132/2010-10-10), wordt, na inwerkingtreding van een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 20, achtste lid, in het register bij de desbetreffende personen aangetekend dat voor het aangaan van verplichtingen de voorafgaande instemming van het college is vereist.

3 Privaatrechtelijke rechtshandelingen betreffende het aangaan van financiële verplichtingen als bedoeld in het eerste lid zijn nietig indien zij zijn aangegaan door personen die daartoe blijkens het register, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet of niet voldoende gemachtigd zijn.

4 In afwijking van het derde lid is een rechtshandeling als bedoeld in dat lid wel rechtsgeldig als de bevoegdheid tot het aangaan van de verplichting blijkt uit een ten behoeve van die rechtshandeling verstrekte schriftelijke machtiging. Deze machtiging wordt slechts in incidentele gevallen verstrekt.

5 Het bestuur verstrekt afschriften van de in het vierde lid bedoelde machtigingen aan het college.

6 Het college kan Onze Minister van Financiën van het betrokken land aanbevelingen geven ter zake van de wijze waarop het beheer wordt gevoerd van het in dit artikel bedoelde register.

4.8.

Uit de Rijkswet blijkt dat de regeling van artikel 21 is ingegaan op 10-10-10. Uit het procesdebat volgt dat pas op 19 december 2014 het Land het in lid 1 bedoelde register is opgesteld en gepubliceerd. De minnelijke regeling dateert van 31 januari 2013, althans 1 februari 2013, zodat het Land op artikel 21 lid 1 Rijkswet geen beroep kan doen.

4.9.

Het Land beroept zich nog op lid 4. Hij stelt dat de Ministers het Land niet rechtsgeldig hebben vertegenwoordigd omdat er geen machtiging is afgegeven om de schikking aan te gaan. Het Gerecht overweegt dat uit voormeld artikel volgt dat de hoofdregel is dat er een register moet worden bijgehouden. Als de in het register genoemde personen niet of niet voldoende gemachtigd zijn kunnen zij toch vertegenwoordigingsbevoegd zijn als er een machtiging wordt afgegeven. Dat is dus een uitzondering op de hoofdregel. Deze regels zijn gegeven om het Land bescherming te bieden tegen onbevoegde vertegenwoordiging door zijn eigen Ministers en ambtenaren. De wet geeft de meest vergaande sanctie, te weten nietigheid van de rechtshandeling die aldus onbevoegd is aangegaan. Het Land kan niet stellen dat het ontbreken van een machtiging leidt tot nietigheid van de schikking indien hij zelf heeft bewerkstelligd dat het register niet tijdig is gepubliceerd. De uitzondering van lid 4 komt pas aan de orde als het Land de algemene regel van lid 1, nota bene in zijn eigen belang, heeft toegepast. Ook dit verweer van het Land gaat dus niet op.

4.10.

Wat betreft het beroep dat het Land doet op de Comptabiliteitslandverordening overweegt het Gerecht dat deze regeling aanwijzingen geeft voor het opstellen van de balansen, jaarrekeningen, verslagen en wat dies meer zij, van het Land. Verder stelt deze regeling vast dat de Minister rechtshandelingen met derden mag aangaan indien dat, kort gezegd, past in de begroting. In artikel 42 lid 6 is bepaald dat een rechtshandeling met een derde nietig is indien deze is aangegaan zonder besluit waarin de bevoegdheid daartoe is vastgelegd. Als uitzondering geldt een specifiek afgegeven machtiging. Duidelijk is dat een dergelijke machtiging ontbreekt terwijl gesteld noch gebleken is dat er een besluit is dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de Ministers regelt, anders dan het register dat pas na de schikking is gepubliceerd. Het beroep op deze regeling gaat dus evenmin op om dezelfde redenen als hiervoor onder 4.9. vermeld. Voor zover het Land een beroep doet op het Reglement van Orde voor de Ministerraad geldt ten aanzien van deze regeling dat daarin geen bevoegdheidsregels staan waarmee derden rekening hebben te houden.

4.11.

Met [A] is het Gerecht van oordeel dat het beroep van het Land op artikel 3:60 juncto 3:66 BW niet opgaat. De Rijkswet is van een hogere orde is dan het Burgerlijk Wetboek en geeft een specifieke regeling betreffende vertegenwoordigingsbevoegdheid van functionarissen van het Land. De Rijkswet is aldus de exclusieve regelgeving die dient te worden toegepast.

4.12.

Een en ander neemt niet weg dat de betrokken Ministers politiek verantwoordelijk waren (ze zijn immers afgetreden) en destijds door de Staten ter verantwoording hadden kunnen worden geroepen. Verder geldt dat de betrokken Ministers mogelijk aansprakelijk zijn jegens het Land als zij in de uitoefening van hun ambt tot hen gerichte regels overtreden, zoals het niet publiceren van voormeld register en het aangaan van een overeenkomst met een derde zonder machtiging van de Ministerraad. Dit ligt buiten het bestek van deze uitspraak zodat het Gerecht hierop niet verder ingaat.

Verweer 1: geen minnelijke regeling tot stand gekomen

4.13.

De vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen dient beantwoord te worden aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Er dient sprake te zijn van aanbod en aanvaarding. Dat geldt ook in het geval van een vaststellingovereenkomst. Of sprake is van aanbod en aanvaarding dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De brief van 31 januari 2013 van de Ministers aan de medewerker van de Landsadvocaat is niet aan te merken als een tot [B] gerichte wilsverklaring. Terecht stelt het Land dat dit als een soort van “interne brief” is aan te merken. De brief van 1 februari 2013 van [B] aan de Ministers is wel als een wilsverklaring van [B] aan te merken dat er sprake is van een bereikt compromis betreffende de kwestie van de nadeelcompensatie. Deze brief is door het Land nooit schriftelijk weersproken door middel van enige communicatie door het Land rechtstreeks aan [B]. Uit de e-mailwisseling van 12 en 13 februari 2013 blijkt juist dat het Land doende is om tot uitvoering van de schikking te geraken; er dient een contract opgesteld te worden om de door [B] toegezegde diensten op het gebied van televisie en radio vast te leggen. Verder is er de betaling van NAf 400.000,00; dat is weliswaar niet de betaling van USD 400.000,00 als vermeld in de voormelde brieven van 31 januari 2013 en 1 februari 2013 maar door het Land wordt niet betwist dat deze betaling op iets anders betrekking kan hebben dan de rechtsverhouding [B] –het Land. Het Land heeft bij pleidooi gesteld dat sprake was van een interne miscommunicatie. Uit deze feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, kan worden afgeleid dat tussen [B] en het Land wilsovereenstemming is bereikt als vermeld in de brieven van 31 januari 2013 en 1 februari 2013.

4.14.

Aan dit oordeel doet niet af dat er geen vaststellingsovereenkomst voorligt die door alle betrokkenen is ondertekend. Beide partijen hebben het over een contract of “paperwork” dat afgerond dient te worden maar gesteld noch gebleken is dat dit een opschortende voorwaarde is. Daarbij overweegt het Gerecht dat door het Land in deze procedure niet het standpunt wordt ingenomen dat [B] in verzuim is geraakt betreffende de nakoming van haar verbintenissen op het gebied van televisie en radio ingevolge de schikking. De stelling dat pas in juni 2013 partijen hebben besloten de Lar procedure 084/12 aan te houden is evenmin van belang nu het Land deze stelling verder niet inhoudelijk inkleedt, zodat het Gerecht er even goed vanuit kan gaan dat deze aanhouding ook past in de uitvoering van de schikking. Ook het besluit van de Ministerraad d.d. 21 juni 2013 kan het Land niet baten; niet wordt uitgelegd wat er nog moet worden onderzocht en evenmin of dit besluit aan [B] kenbaar was gemaakt. Het argument dat [B] zich had moeten laten bijstaan door een professionele adviseur kan het Gerecht niet goed plaatsen; wat is het belang van het Land daarbij?

Tussenconclusie

4.15.

Er is sprake van een rechtsgeldige schikkingsovereenkomst tussen het Land en [B]. Deze behelst dat het Land de in deze procedure gevorderde bedragen verschuldigd is geworden aan [B].

Verweer 3: geen rechtsgeldige cessie

4.16.

Het Gerecht overweegt dat het verweer van het Land, inhoudende er geen vordering uit nadeelcompensatie bestaat en er dus geen vordering van [B] is, niet opgaat. De overwegingen van het Gerecht in dit vonnis houden immers in dat het Land en [B] op 1 februari 2013 een schikking hebben getroffen betreffende hun geschil over de verschuldigdheid van het Land betreffende de nadeelcompensatie waarop [B] meende recht te hebben. Dit is een vaststellingsovereenkomst die eigen rechten creëert; het gaat niet meer om het oorspronkelijke geschil maar over de door de vaststellingsovereenkomst ontstane verbintenissen, waaronder vorderingsrechten op het Land.

4.17.

Dit oordeel brengt tevens met zich dat de overige verweren van het Land, te weten geen bestaande rechtsverhouding en onvoldoende bepaalde vordering ten tijde van de cessie, niet opgaan. De rechtsverhouding is de vaststellingsovereenkomst en de vordering is het toen overeengekomen bedrag van USD 1 miljoen dollar die het Land aan [B] diende te betalen.

De wettelijke rente

4.18. [

A] stelt dat de wettelijke rente is verschuldigd geworden vanaf 22 april 2013. Dit is de dag waarop de meest recente akte van cessie aan het Land is betekend. Het Land stelt dat de wettelijke rente pas ingaat op 27 februari 2015. Toen heeft [A] het Land immers gesommeerd om te betalen.

4.19.

Het Gerecht overweegt dat uit de brieven van 31 januari 2013 en 1 februari 2013 niet blijkt van afgesproken betaaldata van de eerste betaling van USD 400.000,00 en de maandelijkse betalingen van USD 100.000,00. Aldus dient gehandeld te worden naar artikel 3:38 BW. De eerste aanmaning van [B] of [A] heeft dan als gevolg dat de wettelijke rente is verschuldigd. [A] kiest voor 22 april 2013 als startdatum. Dat betreft echter een mededeling van de cessie en niet een sommatie tot betaling. De eerste en enige sommatiebrief die het Gerecht in het dossier aantreft is die van 27 februari 2015. Daarin wordt een betalingstermijn gegeven en aangekondigd dat aanspraak op gemaakt op de wettelijke rente bij het niet gehoor geven aan de sommatie. De wettelijke rente zal aldus worden toegewezen vanaf 27 februari 2015.

De buitengerechtelijke incassokosten

4.20.

Het Land betwist de verschuldigdheid hiervan. Bij repliek refereert [A] zich aan het oordeel van het Gerecht. Het Gerecht heeft enkel de voormelde sommatiebrief van mr. Sefarina d.d. 27 februari 2015 aangetroffen. Het was redelijk om een dergelijke sommatiebrief op te stellen en te verzenden. Het redelijke tarief hiervoor begroot het Gerecht op USD 1.500,00.

De proceskosten

4.21.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij dient het Land in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

veroordeelt het Land om aan [A] te betalen NAf 965.000,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 februari 2015 tot aan de dag van algehele betaling,

veroordeelt het Land om aan [A] te betalen USD 1.500,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,

veroordeelt het Land in de proceskosten, aan de zijde van [A] begroot op NAf 7.796,50 aan verschotten en op NAf 14.700,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2016 in aanwezigheid van de griffier.