Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:17

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
AR 2015/66
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Vereiste van conditio sine qua non

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 22 maart 2016

Zaaknummer: AR 2015/66

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap

[A],

gevestigd te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. B.Ph. C. de Jong,

tegen

HET LAND SINT MAARTEN, HET MINISTERIE VAN TOURISME, TELECOMMUNICATIE EN TRANSPORT,

zetelende te Philipsburg, Sint Maarten,

gedaagde sub 1,

gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr.,

en

de openbare rechtspersoon

BUREAU TELECOMMUNICATIE EN POST,

gevestigd te Philip[A]urg, Sint Maarten,

gedaagde sub 2,

gemachtigde: mr. P.A. Brandon.

Partijen worden hierna aangeduid als [A], het Land en BTP, tenzij anders is vermeld.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties d.d. 28 mei 2015,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties van het Land,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties van BTP,

  • -

    de conclusie van repliek tevens akte houdende wijziging van eis met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek van het Land,

  • -

    de conclusie van dupliek van BTP.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. [

A] exploiteerde een radiostation op frequentie [….] FM op Sint Maarten.

2.2. [

A] heeft bij Ministeriele Beschikking d.d. 8 maart 2001 machtiging gekregen voor (kortweg) het exploiteren van een FM radiostation.

2.3.

Gedurende de periode november 2012 tot en met maart 2013 heeft [A] storingen ondervonden waardoor een gedeelte van het gebied dat normaliter met het radiosignaal bereikt had moeten worden niet dan wel niet voldoende werd bediend.

2.4.

Na klachten van [A] heeft BTP onderzoeken laten uitvoeren. De bevindingen die uit de rapporten blijken, waaronder die van een extern bureau, komen neer op het volgende:

  • -

    het door [A] uitgezonden signaal “are below the minimum required signal level in the above-mentioned areas” (te weten: Defiance Hill, St. James Estate en in de Defiance area),

  • -

    aanbevolen wordt dat [A] haar uitzendkracht (transmit power) vergroot om een betere dekking in voormelde gebieden te bewerkstelligen,

  • -

    aanbevolen wordt dat [A] haar zendmast aanpast/op een andere locatie installeert zodat de zendmast de gebieden beter kan bereiken,

  • -

    relocatie van [A] (hetgeen weer andere nadelen kan opleveren).

2.5. [

A] heeft geen eigen onderzoek laten doen door een externe deskundige.

2.6.

Uit metingen van BTP blijkt dat op de volgende data door [A] geen signaal werd uitgezonden:

4 juni 2013,

5 juni 2013,

6 juni 2013,

10 juni 2013,

17 juni 2013,

24 juni 2013,

25 juni 2013,

26 juni 2013,

27 juni 2013,

28 juni 2013,

2 juli 2013,

3 juli 2013

4 juli 2013,

5 juli 2013,

8 juli 2013,

9 juli 2013.

2.7.

Vanaf 17 januari 2014 tot 8 maart 2014 zendt [A] evenmin een signaal uit. Blijkens haar brief d.d. 21 januari 2014 aan BTP wordt dit als volgt toegelicht:

“This is to inform you that […] FM is off air since Friday 17th January 2014 at 09.45.

Shutdown by U.T.S., the landlord of the St. Peters Hill co-location transmitter site.

As you are aware, the procedures / protocol for such action were not adhered to by U.T.S.

This situation, amongst others, is a direct result of the deliberate jamming on our 99.9M broadcast signal from November 2012 to March 2013 which BT&P is aware of.”

2.8.

Bij brief van BTP d.d. 25 augustus 2014 wordt onder andere het volgende aan [A] bericht dat is vastgesteld dat in de periode 8 augustus 2014 tot 25 augustus 2014 door [A] geen signaal wordt uitgezonden.

2.9.

Bij brief van 24 november 2014 heeft [A] gedaagden aansprakelijk gehouden voor de door haar ondervonden schade als gevolg van de storingen in haar signaal in de periode november 2012 tot en met maart 2013.

2.10.

Bij beschikking van 3 juni 2015 heeft de verantwoordelijke Minister overwogen dat [A] al 269 dagen niet heeft uitgezonden. Dat is een overtreding van vergunningsvoorschrift 26 lid d. De zendmachtiging wordt aldus ingetrokken.

3 Het geschil

3.1.

Na eiswijziging vordert [A] dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, primair gedaagden hoofdelijk zal veroordelen om aan haar te betalen USD 1.020.795,65 aan schadevergoeding, USD 10.000,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente over beide bedragen en de proceskosten met wettelijke rente. Subsidiair vordert [A] dat voor recht zal worden verklaard dat gedaagden onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de ontstane schade, met veroordeling van gedaagden om deze schade te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de wet, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling tot betaling van een voorschot van USD 25.000,00 plus de proceskosten met de wettelijke rente daarover.

3.2.

Gedaagden concluderen ieder voor zich tot afwijzing van de vorderingen van [A], met veroordeling van [A] in de proceskosten.

3.3.

Op de argumenten van partijen zal het Gerecht hierna ingaan, voor zover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Bij verzoekschrift wordt het standpunt ingenomen dat primair sprake is van een toerekenbare tekortkoming door gedaagden en subsidiair van onrechtmatige daad. Bij repliek wordt als enige rechtsgrond onrechtmatige (overheids)daad genoemd.

4.2.

Een van de vereisten om tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad te oordelen is dat er een causaal verband moet bestaan tussen de daad en de schade. Blijkens de processtukken van [A] bestaat de daad uit het niet tijdig reageren op haar klachten betreffende de storingen in de periode november 2012 tot en met maart 2013 die zij ondervond in voormelde gebieden en het oplossen daarvan. Als gevolg daarvan is “[A] in grote financiële problemen gebracht” (alinea 16 repliek), waardoor [A] niet meer kon uitzenden in 2014 en haar vergunning is ingetrokken in 2015.

4.3.

Blijkens haar eigen stellingen gaat [A] er aldus vanuit dat er sprake is van een conditio sine qua non verband tussen de storingen in 2012/2013 en het niet meer kunnen uitzenden in 2014. Beide gedaagden betwisten dat sprake is van een dergelijk csqn verband. Zo voeren zij aan dat er geen sprake was van een opzettelijke storing en er andere redenen waren dat [A] niet uitzond, zoals problemen met haar “huisbaas” UTS, de kracht van haar uitzendinstallatie, de relocatie van deze installatie, maar ook dat de problemen beperkt waren tot een begrensd gebied gedurende een relatief korte periode zodat zij niet begrijpen hoe dit tot gevolg kan hebben dat [A] haar bedrijfsvoering diende te staken.

4.4.

Het Gerecht overweegt dat de stelplicht en de bewijslast betreffende dit csqn verband op [A] liggen. Het Gerecht dient te beoordelen of [A] aan deze stelplicht heeft voldaan, gelet op de argumenten die gedaagden hiertegenover stellen. Het Gerecht is van oordeel dat [A] aan deze stelplicht niet heeft voldaan en overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken van [A] volgt dat door de storing van haar signaal in voormeld tijdvak en beperkt gebied op Sint Maarten zij genoodzaakt was in 2014 haar uitzendingen te staken. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is deze stelling door het Gerecht niet goed te volgen. Uit deze stelling zèlf immers volgt namelijk dat op het overige gedeelte van het Nederlandse gedeelte van Sint Maarten de uitzendingen van [A] dus wèl goed werden ontvangen en dat daarna (na maart 2013) het signaal van voldoende kwaliteit was. Zelfs al zouden de uitzendingen gedurende dat tijdvak en in dat beperkte gebied zodanig kwalitatief onvoldoende zijn dan is nog niet te begrijpen, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, hoe een dergelijke onvoldoende ontvangst gedurende 5 maanden leidt tot beëindiging van de bedrijfsvoering in 2014. Voorts begrijpt het Gerecht niet, omdat ter zake evenmin enige toelichting wordt gegeven door [A], om welke reden gedurende langere periodes in 2013 en 2014 door haar niet wordt uitgezonden.

4.5.

Ter onderbouwing van het causale verband tussen de gestelde schade en voormelde storingen had van [A] verwacht mogen worden dat zij inzicht zou hebben gegeven in haar omzetontwikkeling voor, tijdens en na de storingsperiode. Daaruit zou dan immers prima facie kunnen worden afgeleid of en in hoeverre de storing gevolgen had voor [A]’s omzet en dus of zij hierdoor schade heeft ondervonden. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt geheel terwijl dit eenvoudig had gekund; de verkoopfacturen over die periodes hadden kunnen worden overgelegd voorzien van een inzichtelijke (grafische) samenvatting.

4.6.

Dit betekent dat het Gerecht oordeelt dat door [A] niet is voldaan aan haar stelplicht betreffende het causale verband. Zij heeft onvoldoende onderbouwd dat de door haar gestelde schade is veroorzaakt door voormelde storingen, althans het niet tijdig reageren door gedaagden hierop. Dat betekent dat het Gerecht niet toekomt aan nader onderzoek in de vorm van een bewijsopdracht of deskundigenonderzoek naar dit causale verband. De vorderingen van [A] worden dus afgewezen.

4.7.

Als in het ongelijk gestelde partij dient [A] in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van het Land begroot op begroot op nihil aan verschotten en op Nafl 12.200,00 aan salaris gemachtigde,

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van BTP begroot op nihil aan verschotten en op Nafl 12.200,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.