Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:109

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
100.00492/15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verkrachting scholier door schooldirecteur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] aan [adres],

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2016. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.H.M. Ibrahim.

De officier van justitie, mr. D.M. Noordzij, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de feiten 1 tot en met 4 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek voorarrest. Ten aanzien van de inbeslaggenomen zaken stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de op de beslaglijst aangekruiste zaken terug kunnen worden gegeven aan verdachte en dat de overige zaken verbeurd dienen te worden verklaard.

De raadsvrouw heeft het woord gevoerd overeenkomstig haar pleitnota, die aan het Gerecht is overgelegd en aan het (uitgewerkte) proces-verbaal van de terechtzitting zal worden gehecht.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, met inachtneming van de gevorderde en toegewezen wijzigingen, tenlastegelegd:

1.

dat hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met 30 juni 2004, althans 1 juni 2005 tot en met 30 juni 2005 in Sint Maarten/Saint Martin,

ontucht heeft gepleegd met zijn pupil en/of een aan zijn zorg/opleiding/waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, genaamd [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1989 (15 en/of 16 jaar),

bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en/of zijn penis in de anus [slachtoffer 1] heeft gebracht en/of vervolgens met zijn penis in die anus van die [slachtoffer 1] heeft bewogen;

2.

dat hij in of omstreeks de periode van 6 november 2013 tot en met 1 januari 2015 in Sint Maarten/Saint Martin,

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2001, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2],

immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] ontkleed en/of zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of vervolgens zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] bewogen en/of die [slachtoffer 2] op zijn penis laten zuigen en/of vervolgens

zijn penis in de anus van die [slachtoffer 2] gebracht en/of vervolgens zijn penis in/tegen de anus van die [slachtoffer 2] bewogen, althans zijn penis in de nabijheid van de anus van die [slachtoffer 2] gebracht,

bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer 2] naar een afgelegen huis zonder stromend water en elektra heeft gebracht en/of vervolgens die [slachtoffer 2] een of meermalen heeft vastgehouden en/of vast gepakt en/of op zijn buik op een bed heeft gelegd en/of een klap heeft gegeven en/of tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat indien hij zijn ouders vertelt wat tussen hen is gebeurd er iets slechts met die [slachtoffer 2] zou gebeuren

en/of door intimidatie en/of ontstane machtongelijkheid en/of door (uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend en/of fysiek) overwicht een dusdanige druk op die [slachtoffer 2] heeft uitgeoefend,

waardoor die [slachtoffer 2] in een afhankelijke positie werd gebracht en verminderd in staat was om weerstand te bieden.

3.

dat hij op of omstreeks 28 juni 2015 in Sint Maarten,

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1999 (15 jaar), heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het knuffelen en/of optillen van die [slachtoffer 3],

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit als schooldirecteur van de lagere school waarop die [slachtoffer 3] zat in de avond uren in zijn auto mee te nemen en/of vervolgens een desperado, althans een alcohol bevattende drank, voor die [slachtoffer 3] te kopen, en/of vervolgens rond te rijden met die [slachtoffer 3] en/of vervolgens die [slachtoffer 3] in de nachtelijke uren thuis af te zetten

en/of door intimidatie en/of ontstane machtongelijkheid en/of door (uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend en/of fysiek) overwicht een dusdanige druk op die [slachtoffer 3] heeft uitgeoefend,

waardoor die [slachtoffer 3] in een afhankelijke positie werd gebracht en verminderd in staat was om weerstand te bieden.

4.

dat hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 18 september 2015 in Sint Maarten,

één afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van seksuele gedraging, te weten een kleurenfoto waarop de billen, scrotum en (besneden) penis van een pré-puberale jongen te zien is, bij welke vorenbedoelde afbeelding een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, opzettelijk heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoon gesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst daartoe de toegang heeft verschaft.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Vrijspraak

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij ontucht heeft gepleegd met zijn pupil en/of aan zijn zorg/opleiding/waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. Niet is gebleken dat de minderjarige een pupil van verdachte was en evenmin is komen vast te staan dat de minderjarige in de tenlastegelegde periode aan verdachtes zorg/opleiding/waakzaamheid was toevertrouwd, zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken. Dat de minderjarige enkele jaren voor het gebeurde schoolgaand was naar een vestiging van de MAC – een andere vestiging dan die waar verdachte directeur was – maakt dit niet anders.

4B. Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt de beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

4C. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

2.

dat hij in of omstreeks oktober 2014 in Sint Maarten, door geweld of andere feitelijkheden en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2001, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] ontkleed en zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en die [slachtoffer 2] op zijn penis laten zuigen en zijn penis tegen de anus van die [slachtoffer 2] bewogen zijn penis tegen de anus van die [slachtoffer 2] bewogen, althans zijn penis in de nabijheid van de anus van die [slachtoffer 2] gebracht,

bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte die [slachtoffer 2] naar een afgelegen huis zonder stromend water en elektra heeft gebracht envervolgens die [slachtoffer 2] heeft vastgehouden en vast gepakt en op zijn buik op een bed heeft gelegd en een klap heeft gegeven en tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat indien hij zijn ouders vertelt wat tussen hen is gebeurd er iets slechts met die [slachtoffer 2] zou gebeuren

3.

dat hij op 28 juni 2015 in Sint Maarten, door een andere feitelijkheid [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1999 (15 jaar), heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het optillen van die [slachtoffer 3],

en bestaande die andere feitelijkheid uit als schooldirecteur van de lagere school waarop die [slachtoffer 3] zat in de avond uren in zijn auto mee te nemen en vervolgens een desperado voor die [slachtoffer 3] te kopen, en vervolgens rond te rijden met die [slachtoffer 3] en vervolgens die [slachtoffer 3] in de nachtelijke uren thuis af te zetten

4.

dat hij in in de periode van 1 januari 2015 tot en met 18 september 2015 in Sint Maarten,

één afbeelding van seksuele gedraging, te weten een kleurenfoto waarop de billen, scrotum en (besneden) penis van een pré-puberale jongen te zien is, bij welke vorenbedoelde afbeelding een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, opzettelijk heeft verspreid en in bezit heeft gehad.

4D. Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 2

Het verweer van de raadsvrouw dat de verklaringen van het slachtoffer niet voldoende betrouwbaar zijn, verwerpt het Gerecht. Het Gerecht ziet, gelet op de zich in het dossier bevindende stukken en het onderzoek ter terechtzitting, geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer te twijfelen.

De omstandigheid dat het slachtoffer steeds gedetailleerder verklaart, doet niets af aan de betrouwbaarheid van de verklaring. Integendeel, het Gerecht is van oordeel dat dit de geloofwaardigheid versterkt. Het gaat om een ernstig zedendelict en het Gerecht acht het begrijpelijk dat de minderjarige in eerste instantie met enige gêne en terughoudendheid over het gebeuren heeft verklaard en dat na horten en stoten een verklaring is afgelegd. Het slachtoffer heeft het kennelijk moeilijk gevonden om erover te praten. De moeder van het slachtoffer heeft verklaard dat het slachtoffer vrij geheimzinnig doet over wat er is gebeurd en dat hij zich schaamt voor hetgeen is voorgevallen. De minderjarige heeft verklaard dat hij bang is voor verdachte. Voorts blijkt uit het dossier dat hij geëmotioneerd raakt als verbalisanten vragen of hij nog iets wil vertellen over wat er gebeurd is.

Uiteindelijk heeft het slachtoffer een gedetailleerde verklaring afgelegd, zonder tegenstrijdigheden. Redenen waarom het slachtoffer belang zou hebben bij het afleggen van een onjuiste verklaring zijn niet gebleken. Gegeven de consistentie en de mate van gedetailleerdheid van de verklaringen van het slachtoffer acht het Gerecht deze betrouwbaar.

De volgende vraag die het Gerecht heeft te beantwoorden, is of deze betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende steun vindt in ander bewijs.

Op grond van het bepaalde in artikel 385, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter echter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (vgl. Hoge Raad 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094 en Hoge Raad 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2440). De vraag of aan dat bewijsmininum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het ten laste gelegde opleveren.

Het Gerecht is van oordeel dat de verklaring van het slachtoffer in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal en overweegt daartoe het volgende.

Het slachtoffer heeft in zijn verklaring tegenover de politie gezegd dat in de woning, waar het is gebeurd, een luchtbed ligt. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 29 maart 2016 heeft het slachtoffer de woning aan [locatie 1] aangewezen als de woning waar de verkrachting heeft plaatsgevonden. Deze woning behoort (mede) toe aan verdachte. In de woning, gelegen aan [locatie 1], heeft de politie tijdens een doorzoeking een blauw luchtbed aangetroffen. Verdachte heeft ontkend dat het slachtoffer ooit in de woning is geweest. Het aantreffen van dit luchtbed levert objectief bewijs op, dat de verklaring van het slachtoffer ondersteunt.

In het dossier bevindt zich voorts een aangifte van de moeder van het slachtoffer, waarin zij verklaart wat zij van het slachtoffer heeft gehoord over hetgeen tussen de verdachte en het slachtoffer is voorgevallen. De moeder van het slachtoffer heeft verklaard dat het gedrag van het slachtoffer is veranderd. Het slachtoffer was altijd een aardige jongen. Hij heeft nu veel woede in zich, hij maakt ruzie met de docenten op school, het lijkt of hij alle docenten haat en hij wil niet meer naar school. De moeder van het slachtoffer is bang dat hij zichzelf iets zal aandoen. Het Gerecht is van oordeel dat de verklaring van de moeder van het slachtoffer over de verandering in zijn gedrag en de gemoedstoestand van het slachtoffer tevens als steunbewijs kan dienen.

In het dossier bevindt zich voorts de weergave van een chatgesprek dat verdachte heeft gevoerd met een derde, waarin hij verklaart dat hij geprobeerd heeft om een dertienjarige jongen anaal te penetreren, maar dat het niet paste. Dit is een rechtstreekse ondersteuning van de verklaring van het slachtoffer.

Het aantreffen van het luchtbed, de verklaring van de moeder van het slachtoffer en genoemd chatgesprek maken dat het bewijs steunt op meer dan alleen de verklaring van het slachtoffer.

Ten aanzien van feit 3

Artikel 2:201 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt:

"Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie."

Het Gerecht dient te beoordelen of er hier sprake is geweest van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, als bedoeld in artikel 2:201 Sr. Van belang daarbij is met name de beantwoording van de vraag of de handelingen van verdachte aan te merken zijn als ontuchtig en of verdachte het slachtoffer door geweld, bedreiging met geweld of (andere) feitelijkheden heeft gedwongen tot het ondergaan van die ontuchtige handelingen.

Er is sprake van een ontuchtige handeling indien het gaat om een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm. Verdachte heeft erkend dat hij het slachtoffer heeft opgetild. Een dergelijke gedraging is op zichzelf niet een ontuchtige handeling in de zin van artikel 2:201 Sr. De omstandigheden van het geval en niet de aard van de gedraging zijn soms van doorslaggevend belang voor de beantwoording van de vraag of een gedraging als ontuchtig moet worden aangemerkt.

Het Gerecht is van oordeel dat uit de processtukken is gebleken van een seksuele intentie bij verdachte. Dit volgt met name uit de langdurige Facebook-communicatie tussen verdachte en het slachtoffer. De berichten die verdachte stuurt aan het minderjarige slachtoffer hebben zonder meer een sterke seksuele lading. Gelet hierop is het Gerecht van oordeel dat sprake is geweest van een ontuchtige handeling in de zin van artikel 2:201 Sr.

Ten aanzien van feit 4

Op de inbeslaggenomen Blackberry van verdachte is een afbeelding aangetroffen waarop de billen, het scrotum en een penis is te zien. Deze afbeelding heeft verdachte doorgestuurd aan ene [naam persoon 1]. Verdachte heeft bekend dat hij deze afbeelding op zijn telefoon had staan en dat hij deze heeft doorgestuurd. Blijkens de verklaring van een kinderarts dr. P.J. Offringa van 26 november 2015 zijn de billen, het scrotum en de penis van een pre-puberale jongen. Deze afbeelding kan dan ook gekwalificeerd worden als kinderporno. Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat het feit bewezen kan worden verklaard.

Het verweer van de raadsvrouw dat de doorzoeking onrechtmatig is geweest wordt verworpen. De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 17 september 2015 bepaald dat wordt overgegaan tot doorzoeking ter inbeslagname onder meer in het kantoor aan de [locatie 2]. De betreffende afbeelding is aangetroffen op de Blackberry van verdachte, die tijdens de doorzoeking in het kantoor in beslag is genomen. Het Gerecht is van oordeel dat op grond van het vorenstaande de doorzoeking rechtmatig is geschied.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Verkrachting.

Ten aanzien van feit 3:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Ten aanzien van feit 4:

Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in het bezit hebben en verspreiden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. De feiten zijn derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft schuldig gemaakt aan verkrachting en aanranding van jonge jongens. Daarnaast heeft hij kinderporno in bezit gehad en verspreid.

Uit het dossier komt het beeld naar voren van een man die gedurende vele jaren een reeks van minderjarige slachtoffers heeft gemaakt. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de ongelijkwaardige positie die tussen hem en het slachtoffer bestond en hij heeft zich enkel laten leiden door zijn lustgevoelens. Door zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van deze jongens, die zich nog seksueel moeten ontwikkelen en dat in vrijheid moeten kunnen doen, telkens in ernstige mate geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksuele delicten, zeker in het geval van jonge kinderen, zo niet blijvend dan toch langdurig nadeel kunnen ondervinden van wat hun is aangedaan. Het gegeven dat verdachte schooldirecteur was, maakt een en ander des te ernstiger. Het Gerecht rekent verdachte de feiten zwaar aan.

Het Gerecht heeft bij het bepalen van de straf ten voordele van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Het Gerecht is alles afwegende van oordeel dat de door verdachte gepleegde feiten zodanig ernstig zijn dat een gevangenisstraf van na te melden duur noodzakelijk en geboden is.

8 Beslag

8.1

Verbeurdverklaring

De na te noemen in beslag genomen voorwerpen, waarvan is gebleken dat ze aan verdachte toebehoren en dat het feit met behulp daarvan is begaan of voorbereid zullen verbeurd worden verklaard. Deze voorwerpen zijn op de beslaglijst geel gearceerd (Kantoor CL.03, CL.17, CL.19, Woning CL.07, CL.10, CL.12, CL.13, CL.15).

8.2

Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De teruggave zal worden gelast van de na te noemen in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte, althans de vrouw van verdachte, nu deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

Sub a:

De voorwerpen die aan verdachte dienen te worden teruggegeven zijn op de beslaglijst aangekruist (Kantoor CL.01, CL.02, CL.04, CL.18, CL.20, CL.21, Woning CL.05, CL.08, CL.11, CL.14, CL.16).

Sub b:

De voorwerpen die aan de vrouw van verdachte dienen te worden teruggegeven zijn de voorwerpen genoemd onder Woning CL.06 en CL.09.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 248 (oud), 1:67, 1:68, 1:136, 2:196, 2:201, van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals in rubriek 4C omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat de bewezen verklaarde feiten de in rubriek 5 genoemde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd de in rubriek 8.1 genoemde voorwerpen;

gelast de teruggave aan verdachte de in rubriek 8.2 sub a genoemde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de rechthebbende de in rubriek 8.2 sub b genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. D. Gruijters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. de Wit, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 20 oktober 2016.