Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:107

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
100.00153/15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vuurwapenbezit voormalig parlementarier

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

Naam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren op : [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats],

Wonende te : [adres] te [woonplaats]

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2016. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.R. Bommel.

De officier van justitie mr. M.R. van Nes heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest en tevens een werkstraf voor de duur van 80 uren.

De raadsvrouw heeft bij pleidooi aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

Feit 1.

hij op of omstreeks 11 juni 2012 te Philipsburg, in elk geval in Sint Maarten, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar opzettelijk genoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: “I will fucking kill you, I kill you, I fucking shoot you, if I had my gun I fucking kill you”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

(artikel 298 Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (oud) artikel 2:255 Wetboek van Strafrecht)

Feit 2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 november 2012 tot en met 23 november 2012 te Philipsburg, in elk geval in Sint Maarten, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar (telkens) opzettelijk genoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd:

“I have a gun om me” en/of “I have to carry this to protect myself. If anybody mess with me I will deal with him”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of ((nagenoeg) tegelijkertijd) zijn, verdachtes, shirt omhoog gedaan en/of aan die [slachtoffer 2] een pistool en/of een holster getoond,

en/of
“You not fucking good, you is a fucking dirty mother Skunt. I told you don’t fucking go to the newspaper, you and Shadow man is not fucking good, and I am not going to support you, you going in my black book”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

(artikel 298 Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (oud) artikel 2:255 Wetboek van Strafrecht)

Feit 3.

hij op of omstreeks 26 maart 2015, althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 maart 2015, in Sint Maarten een vuurwapen, in de zin van de Vuurwapenverordening (1930), te weten een pistool (merk Beretta, model P X 4 Storm, kaliber 9 PARA (9 millimeter parabellum) (wapennummer [wapennummer 1])) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening (1930), te weten 137, in elk geval een of meer, patronen kaliber 9 mm Luger, voorhanden heeft gehad;

artikel 3 jo 11 Vuurwapenverordening (1930)

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het Gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit ten aanzien van de feiten 1 en 2 in verband met – kort gezegd – de schending van de redelijke termijn.

Naar het oordeel van het Gerecht start de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Evrm op het moment dat de verdachte redelijkerwijs mocht verwachten dat vervolging tegen hem zou worden ingesteld. Dat moment is in casu niet de datum van aangifte maar de datum van inverzekeringstelling van verdachte, zijnde 26 maart 2015. Van een schending van de redelijke termijn is derhalve geen sprake. Het verweer wordt verworpen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

A. Vrijspraak

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Het Gerecht overweegt ten aanzien van feit 1 dat er veel getuigen zijn gehoord die verschillend hebben verklaard, zowel belastend als ontlastend. Op basis van de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 1], [getuige 1] en [getuige 2] en [getuige 3] is buiten

redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte – zoals tenlastegelegd – op 11 juni 2012 tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd “if I had my gun that time I fucking kill you” of woorden van gelijke aard en strekking. Die uitlating, die zonder meer als bedreigend kan worden aangemerkt, had betrekking op een eerder incident tussen verdachte en aangever [slachtoffer 1] op 22 maart 2012. Het Gerecht is echter van oordeel dat deze bedreigende uitlating op 11 juni 2012 een beschrijving is geweest van de woede die verdachte voelde tijdens dat incident op 22 maart 2012 en dat verdachte op 11 juni 2012 niet het opzet heeft gehad verdachte (op dat moment of naar de toekomst) te bedreigen.

Het Gerecht overweegt ten aanzien van feit 2 dat er door de gehoorde getuigen verschillende verklaringen zijn afgelegd, zowel belastende als ontlastende. Ondersteuning voor de aangifte kan weliswaar worden gevonden in de verklaring van [getuige 4] dat verdachte zijn shirt omhoog trok en iets liet zien en dat verdachte heeft gezegd “If anybody mess with me I will deal with him”, maar diezelfde getuige heeft ook verklaard dat alles gebeurde in een “joking atmosphere”. Er zijn ook getuigen die hebben verklaard niets te hebben gehoord of gezien. Gelet hierop kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte het opzet heeft gehad om aangever te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven. De tweede tenlastegelegde opmerkingen eindigend met “… you going in my blackbook” is weliswaar als intimiderend aan te merken maar ontbeert het vereiste dreigende karakter zodat ook voor dat deel geen bewezenverklaring kan volgen.

B. Bewezenverklaring

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

hij op of omstreeks 26 maart 2015, althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 maart 2015, in Sint Maarten een vuurwapen, in de zin van de Vuurwapenverordening (1930), te weten een pistool (merk Beretta, model P X 4 Storm, kaliber 9 PARA (9 millimeter parabellum) (wapennummer [wapennummer 1])) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening (1930), te weten 137, in elk geval een of meer, patronen kaliber 9 mm Luger, voorhanden heeft gehad;

Het Gerecht overweegt in het bijzonder het volgende:

Verdachte had voor het kalenderjaar 2012 een wapenvergunning verkregen en was derhalve dat jaar gerechtigd een pistool (en munitie) te dragen en voorhanden te hebben. In

die wapenvergunning stond expliciet vermeld dat deze zou vervallen aan het eind van het kalenderjaar. Verdachte heeft aangevoerd dat hij voor het eind van het jaar per brief om verlenging van de wapenvergunning heeft gevraagd en deze brief in het parlement in persoon aan de Minister van Justitie heeft overhandigd. Hiervan is evenwel niet gebleken. Verdachte heeft kennelijk geen kopie van deze brief gemaakt en in het dossier heeft het Gerecht evenmin bewijsstukken aangetroffen die de stelling van verdachte kunnen staven. Het Gerecht is om die reden van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte tijdig een verzoek tot verlenging van de vergunning heeft ingediend. Dat er in het dossier wel bewijsstukken zijn van verlengingsverzoeken uit 2014 doet daaraan niet af. Overigens, zelfs indien vast was komen te staan dat verdachte tijdig om verlenging van de vergunning had gevraagd, dan nog had hij er niet op mogen vertrouwen dat in afwachting van de verlengingsprocedure de wapenvergunning zou blijven gelden en hij gerechtigd zou blijven het pistool (en munitie) te dragen en voorhanden te hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Voor zover in de telastlegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het onder 3 bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de (navolgende) wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

 Uit de bijlagen van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van de Landsrecherche Sint Maarten, opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van politie, gesloten op 14 april 2015, voor zover inhoudende:

1. Een proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt door [verbalisant 1], [verbalisant 2], beiden inspecteurs van politie, en [verbalisant 3] voornoemd, gesloten op 26 maart 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 6.3):

Op 26 maart 2015 werd de man van wie de aanhouding buiten heterdaad werd verzocht, genaamd: [verdachte], op last van de officier van justitie bij zijn woning aangehouden. Bij de aanhouding werd aan de verdachte door ons verzocht dat indien hij in het bezit was van een vuurwapen, dit vrijwillig af te geven. Verdachte overhandigde aan ons een zwartkleurig vuistvuurwapen van

het merk Beretta PX4 sub compact met een volle patroonhouder. Deze werden door ons inbeslaggenomen.

2. Als schriftelijk bescheid, een machtiging ingevolge artikel 3 van de Wapen-verordening, afgegeven door de Minister van Justitie van Sint Maarten op 17 augustus 2012, onder meer inhoudende:

- dat [verdachte] machtiging wordt verleend om op de openbare weg of enige voor het publiek toegankelijke plaats op het eiland Sint Maarten gedurende het kalenderjaar 2012 bij zich te hebben een pistool merk Berretta, nummer [wapennummer 1], caliber 9 mm., nadere omschrijving: pistol 9 mm. Luger met 10 patronen

- dat de machtiging uitsluitend geldig is voor het hierin aangeduide wapen en vervalt aan het einde van het kalenderjaar, waarvoor zij is verleend.

 Uit de bijlage van het op ambtseed opgemaakte aanvullend proces-verbaal van de Landsrecherche Sint Maarten, opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van politie, gesloten op 28 oktober 2013 (het Gerecht begrijpt: 2015), voor zover inhoudende:

3. Een proces-verbaal van technisch onderzoek, opgemaakt door [verbalisant 4], inspecteur van politie, tevens technisch rechercheur, gesloten op 27 oktober 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Tijdens mijn onderzoek heb ik het volgende gezien en/of bevonden:

Identificatie ad 1

Het voor onderzoek aangeboden pistool is van het merk BERETTA, model P X 4 Storm en van het kaliber 9 PARA (9 millimeter parabellum). Het wapen was voorzien van het wapennummer [wapennummer 1]. Bij het wapen werden twee bijbehorende patroonhouders en dertien (13) scherpe patronen van het kaliber 9 mm Luger, voorzien van centraal vuurontsteking voor onderzoek aangeboden. Beide patroonhouders boden ligplaats voor dertien (13) patronen. De zesentwintig (26) patronen waren allemaal voorzien van de bodemstempel: “WIN 9 MM LUGER” (hollowpoint).

Conclusie ad 1

Ik heb vastgelegd dat het voor onderzoek aangeboden pistool een vuurwapen is, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930. De voor onderzoek aangeboden zesentwintig (26) scherpe patronen zijn munitie in de zin van deze verordening. Deze type munitie is geschikt voor het gebruik in het onderzochte wapen.

Identificatie ad 2

Het betrof een kartonnen doos met opschrift “WINCHESTER”, inhoudende honderd (100) scherpe patronen van het kaliber “9 MM LUGER”, voorzien van centraal vuurontsteking voor onderzoek aangeboden.

De honderd (100) scherpe patronen waren voorzien van de bodemstempel “WIN 9 MM LUGER” (rondkop).

Conclusie ad 2

Ik heb vastgelegd dat de voor onderzoek aangeboden honderd (100) scherpe patronen munitie zijn in de zin van de Vuurwapenverordening 1930. Deze type munitie zijn geschikt voor het gebruik in het onderzochte wapen ad 1.

Identificatie ad 3

Het betrof een kartonnen doos met opschrift “WINCHESTER SUPREME”, inhoudende elf (11) scherpe patronen van het kaliber “9 MM LUGER”, voorzien van centraal vuurontsteking voor onderzoek aangeboden.

De elf (11) scherpe patronen waren voorzien van de bodemstempel “WIN 9 MM LUGER” (hollowpoint).

Conclusie ad 3

Ik heb vastgelegd dat de voor onderzoek aangeboden elf (11) scherpe patronen munitie zijn in de zin van de Vuurwapenverordening 1930. Deze type munitie zijn geschikt voor het gebruik in het onderzochte wapen ad 1.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 24 augustus 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 26 maart 2015 het in de tenlastelegging genoemde vuurwapen en de munitie voorhanden heb gehad. De vergunning die ik voor dat wapen had gold voor het jaar 2012.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van het bij artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening 1930 gesteld verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Vuurwapenverordening 1930.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

7 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn/haar strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Illegaal vuurwapenbezit is een ernstig misdrijf dat krachtig dient te worden bestreden. Daarom wordt voor dit soort feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. In deze zaak is sprake van een verdachte die, door het verlopen van de wapenvergunning, na 2012 beschikte over een vuurwapen en munitie die hij niet langer had mogen hebben. Verdachte was in 2012 parlementariër en had in die hoedanigheid de machtiging verkregen. Verdachte had juist als parlementariër beter moeten weten en het wapen en de munitie na 2012 bij de politie moeten inleveren.

Het Gerecht acht oplegging van een gevangenisstraf op zijn plaats teneinde de ernst van het feit te benadrukken. Gelet op de persoon van verdachte en de omstandigheden van het geval, ziet het Gerecht aanleiding – anders dan de officier van justitie heeft gevorderd – de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren. Oplegging van een taakstraf acht het Gerecht – mede gelet op de gegeven vrijspraken – niet aangewezen.

9 Inbeslaggenomen voorwerp(en)

A. Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten het pistool van het merk BERETTA, model P X 4 Storm en van het kaliber 9 PARA (9 millimeter parabellum en de 137 scherpe patronen, worden onttrokken aan het verkeer omdat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet .

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn mede gegrond op de navolgende artikelen:

Artt. 1:19, 1:20, 1:21, 1:74, 1:75, 1:136 van het Wetboek van Strafrecht

Artt. 3, 11 van de Vuurwapenverordening 1930

11 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit zoals in rubriek 4B bewezen geacht heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand;

beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

onttrekt aan het verkeer de in rubriek 9A genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. D. Gruijters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 24 augustus 2016, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. A.C. Wormgoor.