Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2016:100

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
EJ 2017/81
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet op meerdere gronden nietig. Kennelijk onredelijke opzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3627
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 21 juni 2016

Zaaknummer: EJ 2017/81

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Beschikking

inzake

[de werknemer],

wonende te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. N. de la Rosa

tegen

de naamloze vennootschap [de werkgever],

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.G. Snow.

Eiseres wordt hierna aangeduid als “de werknemer”. Gedaagde wordt aangeduid als “de werkgever”. Een en ander tenzij hierna anders wordt vermeld.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift d.d. 18 april 2017,

  2. brief van 23 mei 2017 met producties van mr. Snow,

  3. pleitnota van mr. Kockx namens mr. De la Rosa,

  4. pleitnota mr. Snow.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017 in aanwezigheid van partijen waarbij de werkgever werd vertegenwoordigd door haar directeur [A]. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Met ingang van 28 januari 2015 is werknemer bij werkgever in dienst getreden in de functie van “Waittress” op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haar arbeidsduur is zes dagen per week voor acht uur per dag. Het salaris bedraagt NAf. 2.115,75 bruto per maand.

2.2.

De werkgever bericht schriftelijk (gedateerd 19 december 2016, maar volgens werknemer door haar ontvangen op 30 december 2016) het volgende:

“NOTIFICATION TO ALL PERSONNEL

All Employees,

The undersigned, management of [de werkgever] would like to inform you that commencing January 1st 2017, there will be a change of management at the abovementioned company.

The new management will be consisting of Mr. ………. and his wife.

You are required to give them your full cooperation in whatever they decide. You have to keep in mind that new management will implement new rules and regulations in the workplace. They have full authority to implement any rule they find necessary, to guarantee a smooth running of the company’s operations.”

2.3.

Bij brief van 5 januari 2017 aan de werkgever bericht de advocaat van de werknemer onder andere het volgende:

“Client was however completely surprised after reporting for duty on January 2nd, 2016 and being denied entry to the workplace. After intervention by the police department, client was invited for a meeting in the office with the new manager and explained that there no longer was a vacancy for “Waittress” and that instead she would be transferred to the position of “Cleaner”, “Cook” and “Baker”.

Client objected to the proposed change in function and requested that she be allowed to resume her tasks; however the new manager insisted that client agree to the change in function without any further motivation and/or explanation for the reason for the change”

“Client reserves all rights and remedies and shall take immediate legal action against your company if no response is received by January 10th, 2017 and if your company refuses to allow client to resume her regular duties upon her return to work. (…)”

2.4.

Bij brief d.d. 11 januari 2017 wordt de werknemer door de werkgever op staande voet ontslagen:

“Dear Ms. [werknemer],

You were officially notified by the owners and previous management by means of a letter dated 19 December 2016 that commencing January 1st 2017 there would be a change of management at [de werkgever].

Due to the fact that your employment at the above mentioned company was not terminated, it was expected from you that you would report for work on Tuesday, January 3rd 2017.

However, you never reported for work. Consequently, you are in default of your employment contract and it is considered and determined that you have voluntarily walked out of the job and that you are no longer employed by the above mentioned company.

The undersigned, (…) would like to inform you that commencing today, January 11th 2017 your employment has ended and that you are not entitled to any pay out from the current management.

You are required to contact the previous management of the above mentioned company for any payout which you are entitled to. (…)”

2.5.

Door haar huisarts en door de SZV-arts is de werknemer arbeidsongeschikt verklaard gedurende de periode 2 tot en met 10 januari 2017.

3 De vorderingen en het verweer

3.1.

De werknemer vraagt het Gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, de volgende beslissingen te nemen:

  1. “Verzoekster gratis admissie te verlenen;

  2. Voor recht te verklaren dat verweerster de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft beëindigd en aldus schadeplichtig is;

  3. Verweerster te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding naar billijkheid in verband met het kennelijk onredelijk ontslag ten bedrag van Naf. 10.000,-, althans een door U E.A. in goede justitie te bepalen vergoeding aan de hand van de omstandigheden van het geval, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  4. Voor recht te verklaren dat verweerster de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd en aldus schadeplichtig is;

  5. Verweerster te veroordelen tot betaling van een bedrag van Naf. 11.555,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017 tot de dag van algehele betaling;

  6. Verweerster te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, begroot op US $ 200.00.

  7. Verweerster te veroordelen in de kosten van het geding.”

3.2.

De werkgever concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de werknemer, kosten rechtens.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover althans deze relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

4.1.

Blijkens haar vorderingen berust de werknemer in het ontslag op staande voet, in zoverre dat zij daarvan geen nietigverklaring vordert. Zij wil door het Gerecht vastgesteld zien dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet onregelmatig is opgezegd en dat om deze reden door de werkgever het loon over de opzegperiode (en blijkens het verzoekschrift: ook over de periode die nodig zou zijn geweest om ontslagtoestemming te verkrijgen van de Secretaris-Generaal voor Arbeidszaken) plus de cessantia aan haar is verschuldigd. Verder is zij van oordeel dat er sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging omdat, door de aan haar opgedrongen functiewijziging, de werkgever niet als goed werkgever heeft gehandeld.

4.2.

De argumenten van de werknemer worden door de werkgever gemotiveerd weersproken.

4.3.

Het Gerecht stelt voorop dat het eerst moet onderzoeken of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De werkgever stelt immers dat dit het geval is. Als de werkgever op dit punt gelijk krijgt dienen alle vorderingen van de werknemer te worden afgewezen.

4.4.

Het Gerecht oordeelt dat uit de ontslagbrief d.d. 11 januari 2017 blijkt dat de werknemer is ontslagen omdat zij op 3 januari 2017 niet op het werk is verschenen. Ter zitting is gebleken dat het gaat om 2 januari 2017. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de werknemer op 2 januari 2017 wel bij de werkplek is verschenen maar niet op de werkplek. Volgens de werknemer mocht zij van het nieuwe management niet naar binnen. Volgens de werkgever wilde de werknemer (en andere werknemers) niet naar binnen maar gingen zij op straat demonstreren tegen de werkgever. Daarna is de werknemer naar het woonhuis van directeur [A] gegaan. Daar heeft een onderhoud met hem plaatsgevonden en vervolgens ging zij weer terug naar de werkplek waar (en daar lopen de meningen over uiteen) zij stelt niet toegelaten te zijn. Daarna heeft zij zich bij haar huisarts gemeld die haar arbeidsongeschikt heeft verklaard.

4.5.

Het Gerecht oordeelt het ontslag op staande voet om drie redenen nietig is. In de eerste plaats omdat duidelijk is dat de werknemer zich naar de werkplek heeft begeven en daarmee haar wil heeft geuit te willen werken, temeer nu zij op eigen initiatief daarna direct naar haar directeur is gegaan om uitleg te vragen toen het werken niet ging (waarom is onderwerp van partijdebat) en daarna is zij weer terug naar de werkplek gegaan (en wat er zich toen heeft afgespeeld is ook onderwerp van discussie tussen partijen). Deze omstandigheden leveren geen werkweigering op. In de tweede plaats omdat het Gerecht het ontslag op staande voet, nu uit het dossier niet blijkt van schriftelijke waarschuwingen betreffende werkverzuim, als te vergaand aanmerkt. De werkgever had moeten volstaan met een waarschuwing, indien het werkverzuim al zou komen vast te staan. Tot slot geldt dat de ontslagbrief dateert van 11 januari 2017 en de dringende reden zich op 2 januari 2017 zich zou hebben voorgedaan. Dat is geen onverwijlde mededeling in de zin van de wet, temeer nu de werkgever niet heeft gesteld dat hij er niet eerder in kon slagen om de werknemer van het ontslag op staande voet in kennis te stellen en evenmin van enig onderzoek of beraad met een adviseur is gebleken.

4.6.

Door de werkgever wordt aangevoerd dat de werknemer zich niet beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van de werkzaamheden. Daarover overweegt het Gerecht dat uit de brief namens de werkgever d.d. 5 januari 2017 volgt dat de werknemer wel degelijk bereid is de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. Die bereidheid was dus bij de werkgever bekend toen hij besloot om de werknemer op 11 januari 2017 op staande voet te ontslaan. Het Gerecht overweegt dat van de werknemer onder deze omstandigheden niet behoeft te worden verlangd dat zij nog een brief stuurt waarin zij zich ter beschikking houdt.

4.7.

Het Gerecht kan de gevorderde verklaring voor recht (dat de werkgever de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd en dus schadeplichtig is) toewijzen. Aan de werknemer wordt toegewezen het loon over de opzegtermijn van één maand (artikel 7A:1615i BW). Er is geen rechtsgrond om de tijd die het kost om ontslagtoestemming te verkrijgen mee te tellen. Het loon over de maand januari 2017, dat niet door de werkgever is betaald, moet ook worden toegewezen. Dit komt dus feitelijk neer op loon over de maanden januari en februari 2017. De wettelijke rente hierover gaat in vanaf respectievelijk 1 februari 2017 en 1 maart 2017 nu dit de vervaldata van de loonbetalingsverplichting zijn. De cessantia wordt eveneens toegewezen nu aan de werknemer geen verwijt kan worden gemaakt van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar is inbegrepen in de hierna toe te wijzen schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging.

4.8.

Door de werknemer wordt een schadevergoeding naar billijkheid gevorderd als bedoeld in artikel 7A: 1615t BW. Het Gerecht overweegt hierover dat, nu het ontslag op staande voet nietig is geoordeeld, er sprake van is dat de opzegging is geschied wegens een valse reden. Gelet hierop behoeft het Gerecht niet in te gaan op de discussie tussen partijen over de functiewijziging. De gevorderde verklaring voor recht kan dus worden toegewezen. De werknemer motiveert het door haar gevorderde bedrag door erop te wijzen dat zij verwacht drie tot vier maanden werkzoekend te zijn. Het Gerecht zal terzake een bedrag aan schadevergoeding naar billijkheid van drie maanden toewijzen, inclusief cessantia. De wettelijke rente hierover is verschuldigd vanaf 11 januari 2017.

4.9.

Tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten is geen verweer gevoerd zodat het Gerecht deze zal toewijzen, gelet op het overgelegde bewijs, namelijk de brief van de advocaat van de werknemer d.d. 5 januari 2017.

4.10.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij dient de werkgever in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

verleent aan de werknemer gratis admissie,

verklaart voor recht dat de werkgever de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd en dus schadeplichtig is,

veroordeelt de werkgever tot betaling aan de werknemer van de maandsalarissen januari en februari 2017 van NAf. 2.115,75 bruto per maand, met de wettelijke rente daarover vanaf respectievelijk 1 februari en 1 maart 2017 tot aan de dag van algehele voldoening,

verklaart voor recht dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft beëindigd en aldus schadeplichtig is,

veroordeelt de werkgever tot betaling aan de werknemer van drie maandsalarissen van NAf 2.115,75 bruto per maand, met de wettelijke rente daarover vanaf 11 januari 2017 tot de dag van algehele voldoening,

veroordeelt de werkgever tot betaling aan de werknemer van de buitengerechtelijke incassokosten van USD 200,00,

veroordeelt de werkgever in de proceskosten, aan de zijde van de werknemer begroot op NAf. 286,50 aan oproepingskosten, nihil aan griffierechten en NAf 1.000,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.