Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2015:23

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
05-02-2016
Zaaknummer
Lar 135/2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht, vreemdelingenrecht voorlopige voorziening, bevriezingsmaatregel

inbewaringstelling en verwijdering animeermeisjes met verblijfsvergunning en twv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Landsverordening administratieve rechtspraak

Uitspraak : 26 november 2015

Zaaknummer : Lar 135/2015

Uitspraaknr. :

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

BESLISSING

Op het verzoek tot schorsing en/of het treffen van een voorlopige voorziening van:

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

Thans allen gedetineerd in Huis van Bewaring te Point Blanche te Sint Maarten,

verzoeksters, gemachtigde: mr. J.G. Bloem

in een geding tegen:

de MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN, verweerder, gemachtigde: mr. A.O. Muller

1 Aanduiding bestreden beschikking

De beschikkingen van verweerder van 17 november 2015 inhoudende onder meer een bevel tot verwijdering van verzoeksters uit Sint Maarten, een maatregel tot inbewaringstelling van verzoeksters ter fine van de verwijdering en intrekking van hun verblijfsvergunning.

2 Procesverloop

Namens verzoeksters is op 17 november 2015 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier een verzoekschrift (met producties) als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) ingediend.

Mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 20 november 2015. Verzoeksters waren aangevoerd vanuit het hotel Travel Inn te Simpson Bay. Mr. Bloem heeft op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Mr. Muller heeft, aan de hand van nadere producties en een pleitnota, ter zitting overgelegd, het verweer nader toegelicht.

Beslissing is vervolgens bepaald op 4 december 2015.

Op 21 november 2015 hebben gemachtigden e-mailberichten aan het Gerecht gezonden, op grond waarvan beslissing nader is bepaald op heden.

3 Beoordeling

3.1

De volgende feiten staan vast.

- Verzoekster sub I, geboren …. te Dominicaanse Republiek, verzoekster sub II, geboren …. te Dominicaanse Republiek, verzoekster sub III, geboren …. te Dominicaanse Republiek, verzoekster sub IV, geboren …. te Dominicaanse Republiek, verzoekster sub V geboren …. te Dominicaanse Republiek, verzoekster sub VI geboren …. te Colombia, verzoekster sub VII geboren … te Dominicaanse Republiek en verzoekster sub VIII geboren …. te Dominicaanse Republiek, zijn vreemdelingen. Aan ieder van hen is een vergunning tot tijdelijk verblijf (vttv) verleend met als doel: arbeid in loondienst als ‘animeermeisje’ bij Casa Blanca (St. Maarten) N.V. (hierna: Casa Blanca). Voorts is aan Casa Blanca als werkgever ten behoeve van alle verzoeksters een tewerkstellingsvergunning verleend. Verzoeksters werken sindsdien bij Casa Blanca als ‘animeermeisjes’ in welke hoedanigheid zij feitelijk prostitutie bedrijven.

- Op 16 november 2015 heeft een strafvorderlijke doorzoeking plaatsgevonden in Casa Blanca, waarbij de uitbaters/bedrijfsleiders zijn aangehouden als verdachten van, kort gezegd, mensenhandel. Bij deze gelegenheid zijn verzoeksters aangetroffen in Casa Blanca en vervolgens door het Openbaar Ministerie aan de Immigratie en Grensbewaking Dienst (hierna: IGD) overgedragen. Verzoeksters werden met bewaking ondergebracht in hotel Travel Inn.

- Op 17 november 2015 om 10:42 uur ontving het Gerecht een e-mailbericht van de gemachtigde van verzoeksters, waarin hij onder meer het volgende schrijft:

‘(….) De verdediging verzoekt het Gerecht tot slot, middels het ook kopiëren van de vicevoorzitter mr. K. Mans, om, indien de Minister van Justitie niet onverwijld bevestigt dat de animeermeisjes (14 personen) niet verwijderd/uitgezet zullen worden, te bevelen dat hangende de behandeling van een aanstonds in te dienen administratief verzoekschrift, niet tot verwijdering/uitzetting van betreffende personen zal worden overgegaan. Het Gerecht heeft meerdere keren in het verleden bevolen dat de verwijdering/uitzetting onder gegeven omstandigheden geschorst dient te worden, tot de behandeling van voornoemde administratieve procedures. Kortom: het verzoek aan mr. K. Mans is in overeenstemming met de bestaande praktijk.(…)’

- Aansluitend heeft het Gerecht telefonisch navraag gedaan bij het Openbaar Ministerie en bij de IGD, in welke gesprekken werd bevestigd dat verzoeksters zich op het vliegveld bevonden en reeds waren ingecheckt met het oog op hun verwijdering. Het Gerecht heeft vervolgens mondeling een voorlopige voorziening gegeven in de vorm van een ‘bevriezingsmaatregel’, welke per e-mailbericht van 17 november 2015 van 11:17 uur aan de gemachtigde van verzoeksters (cc verzonden aan de IGD) als volgt door het Gerecht is bevestigd:

‘(…) Uit uw bericht, voor zover dat tot mij is gericht, leid ik af dat u een voorlopige voorziening wenst ex artikel 85 van de Lar. Een daartoe strekkend verzoekschrift, waaruit ik kan afleiden wie de betreffende vreemdelingen zijn en dat u voor hen optreedt, zie ik graag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk morgenmiddag voor 16:00 uur tegemoet. Navraag leerde dat er op dit moment reeds verwijderingshandelingen gaande zijn. Ik heb zojuist reeds doen overbrengen mijn mondeling bevel de verwijderingshandelingen te staken voor zover het personen betreft die gisteren in Casa Blanca zijn aangetroffen. Dit is niet meer dan een tijdelijke bevriezingsmaatregel in afwachting van uw verzoekschrift die geldt tot er op het door u in te dienen verzoekschrift zal zijn beslist, indien en voor zover dat verzoekschrift morgen uiterlijk om 16:00 u hier ter Griffie is ontvangen. De inhoudelijke beoordeling ten aanzien van enige voorlopige voorziening zal eerst aan de hand van het te ontvangen en te behandelen verzoekschrift worden verricht. (…)’

- Bij de bestreden beschikkingen van 17 november 2015, voorzien van tijdstippen variërend van 16:40 uur tot 18:00 uur, werden aan verzoeksters met het oog op hun verwijdering een maatregel van bewaring ingevolge artikel 19, tweede lid van de Landsverordening toelating en uitzetting (LTU) opgelegd. Eveneens op 17 november 2015 heeft verweerder bij afzonderlijke beschikkingen de aan verzoeksters verleende vttv’s ingetrokken. Deze beschikkingen waren ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet aan verzoeksters uitgereikt. De ten behoeve van verzoeksters verleende twv’s waren ten tijde van de mondelinge behandeling niet ingetrokken.

- Bij beroepschrift van 17 november 2015 hebben verzoekers bij dit Gerecht beroep ingesteld tegen de beschikkingen van 17 november 2015. Op dit beroep is nog niet beslist.

-Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is zijdens verweerder toegezegd dat de status quo tot deze uitspraak zou worden gehandhaafd, dat wil zeggen dat verzoeksters in Travel Inn zouden blijven en niet worden verwijderd. Daags erna ontving het Gerecht van de gemachtigde van verzoekster bericht dat verzoeksters naar detentiecentrum Pointe Blanche waren overgebracht, hetgeen zijdens verweerder is bevestigd, waarna de uitspraakdatum is vervroegd.

3.2

In de bestreden verwijdering/bewaringsbeschikkingen heeft verweerder onder meer overwogen dat de maatregel van bewaring wordt gevorderd door het belang van de openbare orde en het belang van de publieke rust, omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat verzoeksters zich aan de verwijdering zullen onttrekken, namelijk dat zij geen geldige verblijfstitel op Sint Maarten hebben. Voorts is overwogen dat voor terugkeer noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. In de bestreden intrekkingsbeschikkingen is (telkens) overwogen:

‘(…) Betrokkene voldoet niet aan de vergunningsvoorwaarden. Betrokkene is vooraf gehoord. De vergunning wordt ingetrokken omdat er vermoeden bestaat dat de seksexploitant van Casa Blanca zich bezig houdt met criminele activiteiten. Voorts dat er in strijd wordt gehandeld met het prostitutiebeleid omdat de tewerkstellingsvergunning van deze werknemers is ingetrokken.(…)’

Voorts is in deze beschikkingen als rechtsgevolg onder meer vermeld:

‘(…) De afwijzing van de aanvraag heeft van rechtswege het gevolg dat betrokkene na bekendmaking van de beschikking niet langer rechtmatig op Sint Maarten verblijft. Betrokkene dient Sint Maarten uit eigen beweging binnen 6 weken te verlaten. Bij gebreke hiervan kan betrokkene worden verwijderd conform artikel 19 LTU. (…)’

3.3

Verzoeksters hebben het Gerecht verzocht over te gaan tot het treffen van een voorlopige voorziening bestaande dat:

“a. Het beroep van verzoekers gegrond te verklaren en de aangevochten intrekkings- en verwijderingsbeschikkingen te vernietigen, dan wel de uitvoering daarvan te schorsen tot de uitspraak in de bodem administratieve zaak;

b. Met veroordeling van de minister van justitie in de kosten van deze procedure.”

Uit het verzoekschrift, zoals ter zitting toegelicht, volgt voorts dat de invrijheidsstelling van verzoeksters wordt verzocht.

Aan dit verzoek leggen verzoeksters - kort gezegd - ten grondslag dat de maatregel van bewaring disproportioneel is genomen, aangezien deze toegepast wordt als het echt onvermijdbaar is. Bovendien zijn verzoeksters uit het hotel Travel Inn overgebracht naar de reguliere detentiecellen bij het Huis van Bewaring te Point Blanche. Voorts is de bestreden beschikking genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel. zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel, alsmede het beginsel strekkende tot voorkoming van machtsmisbruik.

3.4

Verweerder verweert zich tegen het onderhavige verzoek en stelt - in essentie - dat gezien de feitelijke sluiting van Casa Blanca, verzoeksters niet in staat zijn te voldoen aan de vergunningsvoorwaarde.

3.5

Het Gerecht overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 85 van de Lar kan, op verzoek van de indiener van een beroep- of bezwaarschrift, het Gerecht de beschikking geheel of gedeeltelijk schorsen of ter zake een voorlopige voorziening treffen, als de uitvoering van de beschikking voor de belanghebbende onevenredig nadeel met zich mee zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen belang. Er is aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, indien het beroep of bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

Ingevolge artikel 14 van de Landsverordening Toelating en uitzetting (LTU) kan de vergunning tot tijdelijk verblijf en tot verblijf door of namens verweerder bij een met redenen omklede beslissing worden ingetrokken onder meer met het oog op de goede zeden; indien dit in het algemeen belang wenselijk is of indien betrokkene niet voldoet aan één of meer van de aan zijn vergunning tot verblijf verbonden voorwaarden. De beslissing tot intrekking houdt tevens in de aanzegging Sint Maarten te verlaten binnen een daarbij te bepalen redelijke termijn binnen welke betrokkene orde op zaken zal kunnen stellen.

Ingevolge artikel 15 van de LTU kunnen uitgezet kunnen worden: personen die na het verlies van hun toelating van rechtswege, of na intrekking van hun vergunning tot verblijf, niet binnen een te stellen termijn Sint Maarten hebben verlaten of personen, voor wie ingevolge deze landsverordening toelating is vereist en wier verblijf met het oog op de zedelijkheid, de openbare orde of de publieke rust of veiligheid niet wenselijk wordt geacht. De uitzetting geschiedt krachtens een met redenen omkleed bevelschrift van de procureur-generaal, houdende het bevel Sint Maarten binnen een daarbij te bepalen termijn te verlaten met verbod daarin terug te keren. Bij de bepaling van die genoemde termijn wordt aan betrokkene, indien nodig, voldoende tijd gelaten om orde op zaken te stellen.

Ingevolge artikel 16 van de LTU kan in geval van uitzetting ter verzekering van het vertrek inbewaringstelling van de betrokkene worden bevolen, indien deze gevaar oplevert voor de openbare orde, de publieke rust of veiligheid of de goede zeden, dan wel indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene zal trachten zich aan zijn vertrek te onttrekken.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a en b van de LTU kan de Minister van Justitie uit Sint Maarten verwijderen personen die in strijd met de wettelijke bepalingen nopens toelating en uitzetting het land zijn binnengekomen of personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen. Indien naar het oordeel van verweerder betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde, de publieke rust of veiligheid of de goede zeden, dan wel indien naar zijn oordeel gegronde vrees bestaat dat betrokkene zal trachten zich aan zijn verwijdering te onttrekken, kan hij op bevel van verweerder ter verzekering van zijn verwijdering in bewaring worden gesteld. De verwijdering en de inbewaringstelling geschieden krachtens een met redenen omkleed bevelschrift, dat aan betrokkene in persoon wordt uitgereikt.

3.6

Het Gerecht hecht aan de volgende overweging voorafgaand aan de inhoudelijke bespreking van het verzoekschrift. De gemachtigde van verzoeksters voert tevens de verdediging van de uitbaters/bedrijfsleiders van Casa Blanca in de strafrechtelijke procedure. Voor zover dit aanleiding zou geven voor vragen omtrent het belang van verzoeksters bij het treffen van de gevraagde voorzieningen overweegt het Gerecht het navolgende. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is, na de eerste termijn van de gemachtigden, de zaal ontruimd en heeft het Gerecht slechts in aanwezigheid van de griffier, die de door verzoeksters gesproken taal, het Spaans, (voldoende) machtig is, gesproken met verzoeksters. Zij gaven uitdrukkelijk te kennen dat zij hun verblijf en werk in Sint Maarten wensen voort te zetten, met uitzondering van een van hen, die kenbaar maakte naar haar familie te willen terugkeren. Vervolgens is het verzoek, voor zover door laatstgenoemde vreemdelinge gedaan, ingetrokken. Het Gerecht gaat, gelet op vorenstaande, uit van spoedeisend belang van verzoeksters bij gevraagde voorziening.

3.7

Inhoudelijk overweegt en oordeelt het Gerecht voorshands als volgt. Uitgangspunt in een rechtstaat is dat personen, die rechtmatig in het land verblijven, in beginsel niet op vreemdelingenrechtelijke titel van hun vrijheid kunnen worden beroofd of tegen hun wil uit het land kunnen worden verwijderd. Dat betekent dat, indien aanleiding daartoe aanleiding en grond bestaat, eerst met inachtneming van de daartoe geldende procedurele voorschriften het rechtmatige verblijf dient te worden beëindigd, bijvoorbeeld door intrekking van de verblijfsvergunning, alvorens tot uitzetting kan worden overgegaan. Niet andersom.

3.8

Vast staat dat verzoeksters ten tijde van de inval in Casa Blanca allen in het bezit waren van een geldige vttv met als doel: arbeid in loondienst, en dat ten behoeve van hen tevens twv’s waren verstrekt. Verzoeksters zijn aldus van hun vrijheid beroofd en - zonder voorafgaande beschikking daartoe - in vreemdelingenbewaring gesteld terwijl zij rechtmatig alhier verbleven en werkten. Eerst de dag erna, na de door het Gerecht verhinderde uitzettingspoging, zijn de vttv’s ingetrokken en de verwijderingsbeschikkingen opgesteld. Voorts staat vast dat de ten behoeve van verzoeksters verstrekte twv’s nog altijd geldig zijn en dat de exploitatievergunning van hun werkgever, Casa Blanca, evenzeer. Voorts is het overige van belang. Verzoeksters maakten deel uit van een groep personen die werkten in Casa Blanca. De bedrijfsleiders/uitbaters zijn bevinden zich in strafvorderlijke voorlopige hechtenis. Van de 14 aangetroffen ‘animeermeisjes’, allen vreemdelingen voor wie gelijke vttv’s en twvs’s waren uitgereikt wilde een deel, anders dan verzoeksters, meewerken aan het strafrechtelijk onderzoek. Vast staat dat deze groep ondergebracht in een safe house. Gesteld noch gebleken is dat deze personen zijn overgedragen aan de Immigratie- en Grensbewakingsdienst (IGD) en/of dat voor deze personen de uitzetting wordt voorbereid of de vttv’s zijn ingetrokken.

3.9

Reeds gelet op het feit dat de vrijheidsontneming van verzoeksters is aangevangen gedurende hun rechtmatige verblijf hier te lande zal naar verwachting de vreemdelingenbewaring in de bodemprocedure als in strijd met de wet opgelegd worden opgeheven. Dat maakt dat het verzoek om schorsing van de bewaring dient te worden toegewezen bij wijze van voorlopige voorziening als hierna te bepalen.

3.10

Voorts ligt de vraag voor of verweerder hangende de bodemprocedures al dan niet handelingen gericht op het gedwongen vertrek van verzoeksters mag verrichten. Daartoe dient een inschatting te worden gemaakt van de rechtmatigheid van onder meer de intrekking van de vttv’s.

3.11

Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het bepaalde in artikel 14 van de LTU dient een intrekkingsbeschikking met redenen te worden omkleed. Voorts is in het beleid van verweerder (Richtlijnen van de Minister van Justitie van Sint Maarten met betrekking tot de toepassing van de LTU en het Toelatingsbesluit van mei 2012, zie 3.19.1) uitdrukkelijk verwoord dat voordat tot intrekking wordt overgegaan, de betrokkene dient te worden gehoord en dat betrokkene na verzending van de intrekkingsbeschikking maximaal zes weken de tijd krijgt om uit eigen beweging het land te verlaten.

3.12

Op basis van hetgeen over en weer is aangevoerd en toegelicht bij gelegenheid van de mondelinge behandeling staat vast dat de intrekkingsbeschikkingen nog niet aan verzoeksters waren uitgereikt, anders dan bij verweer in onderhavige procedure; dat verzoeksters, in tegenstelling tot hetgeen in die beschikkingen is vermeld, niet zijn gehoord op het voornemen tot intrekken en dat de zes weken voor vrijwillig vertrek nog niet zijn verstreken. Gelet op deze procedurele gebreken en onzorgvuldigheden acht het Gerecht thans onvoldoende rechtmatige basis voor verwijdering gegeven. Reeds daarom dient het verzoek in zoverre te worden toegewezen.

3.13

Daartoe is voorts nog het volgende van belang. De vermelding in de intrekkingsbeschikkingen dat de twv’s zijn ingetrokken blijkt feitelijk onjuist, hetgeen blijk geeft van een onzorgvuldige voorbereiding. De intrekkingen zijn gemotiveerd met de overweging dat niet langer aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan, zonder specificatie van de betreffende voorwaarde en zonder vermelding van feiten of omstandigheden waarop verweerder deze conclusie baseert. In zoverre ontberen de intrekkingsbeschikkingen de vereiste kenbare en draagkrachtige motivering en kan deze beslissing naar verwachting ook om die reden geen stand houden bij de te verrichten rechterlijke toets in de bodemprocedure.

3.14

In het verweerschrift en in de ter zitting door de gemachtigde van verweerder gegeven toelichting is de intrekkingsgrond als volgt uitgelegd. Door de feitelijke sluiting van Casa Blanca is er geen sprake meer van een situatie waarin de arbeid in loondienst, waarvoor de vttv’s waren verleend, kan worden verricht. De gemachtigde van verzoeksters heeft onweersproken gewezen op het feit dat de exploitatievergunning van Casa Blanca niet is ingetrokken, net zo min als de ten behoeve van verzoeksters verleende twv’s, en voorts met recht aangevoerd dat met de aanhouding en voorlopige hechtenis van de bedrijfsleiding van Casa Blanca de arbeidsovereenkomsten tussen verzoeksters en hun werkgever niet ten einde is gekomen. De gemachtigde van verzoeksters heeft voorts - op zichzelf eveneens onweersproken - betoogd dat de bedrijfsvoering tijdelijk kan worden overgedragen aan andere personen. Daarmee kan van onmogelijkheid om de arbeid in loondienst, waarvoor de vttv’s waren verleend, niet worden gesproken. In zoverre zou ook deze aanvullende, achteraf gegeven motivering naar verwachting geen stand in die zin dat deze de intrekking op zichzelf niet kan dragen.

3.15

Voor zover voor verweerder redengevend voor de intrekkingen is geweest dat de verdenking van strafrechtelijke feiten ten aanzien van de uitbaters/bedrijfsvoerders bij Casa Blanca, uitstraalt op de vttv’s van verzoeksters in die zin dat werken bij Casa Blanca conform het verblijfsdoel van verzoeksters in dit geval (thans) in strijd met het algemeen belang (goede zeden/openbare orde/ publieke rust/veiligheid) wordt geacht, overweegt het Gerecht het volgende. De gemachtigde van verzoekster heeft aangevoerd - samengevat - dat het verlenen van twv’s aan werkgevers van personen die vanuit het buitenland worden geworven om hier te lande onder de vlag van ‘animeermeisje’ prostitutie te bedrijven in loondienst feitelijk betekent dat de overheid willens en wetens bij strafrecht verboden gedragingen (mensenhandel) sanctioneert en mogelijk maakt. Kort en goed vat het Gerecht dit betoog aldus op dat voor zover er dus door Casa Blanca in strijd met de wet is gehandeld, dat dit bij aanvang van vergunningverleningen reeds kenbaar was bij de overheid (en in het beleid van verweerder en de minister van VSA is verdisconteerd) en dat de verrichte strafvorderlijke aanhoudingen daarin geen principiële verandering hebben kunnen brengen. Het Gerecht overweegt dat het voorliggende beoordelingskader van een voorlopige voorziening zich niet leent voor een uitvoerige beoordeling van de rechtmatigheid van de praktijk van verlening van de bedoelde vttv’s aan ‘animeermeisjes’ uit het buitenland en, in hetzelfde kader, verlening van twv’s voor ‘animeermeisjes’ aan stripclubs en bordelen, maar volgt verzoeksters in zoverre dat naar verwachting in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de motivering ‘dat er vermoeden bestaat dat de seksexploitant van Casa Blanca zich bezig houdt met criminele activiteiten’ de intrekking van de verblijfsvergunningen op zichzelf niet zonder meer kan dragen.

3.16

Voorts is het volgende van belang. Het Gerecht verstaat de uitdrukkelijke verwijzing door de gemachtigde van verzoeksters naar de gang van zaken rondom hun collega’s die, anders dan zij, wel wensten mee te werken aan en/of verklaringen wensten af te leggen in het strafzaken tegen de uitbaters van Casa Blanca, hun werkgever, als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Overwogen wordt het volgende. Vast staat dat deze collega’s zijn ondergebracht in een safe house en het Gerecht begrijpt dat zij lopende het strafrechtelijke onderzoek aldaar zullen verblijven en niet zullen worden verwijderd. De vraag rijst of er in vreemdelingenrechtelijke zin een rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid is te vinden. Het vreemdelingenrecht hier te lande kent geen regeling als thans geldend naar Nederlands recht, de zogenoemde Verblijfsregeling Mensenhandel (neergelegd in hoofdstuk B8, paragraaf 3 van de Vreemdelingencirculaire: B8/3 Vc, voorheen bekend als B9-regeling). Deze verblijfsregeling houdt in het kort in dat het slachtoffer of de getuige van mensenhandel aangifte kan doen van mensenhandel bij de politie (of als slachtoffer op andere wijze medewerking kan verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek van politie en het Openbaar Ministerie) waarna de IND aan het slachtoffer of de getuige-aangever een tijdelijke verblijfsvergunning verleent voor de duur van het opsporings- en vervolgingsonderzoek. Nu het recht van Sint Maarten een dergelijke regeling niet kent, moet het ervoor worden gehouden dat de collega’s van verzoeksters nog steeds hier te lande verblijven op basis van de eerder aan hen verleende vttv’s, die gelijk zijn aan de vttv’s (met als verblijfsdoel dus: arbeid in loondienst bij Casa Blanca) die aan verzoeksters waren verleend maar zijn ingetrokken. Daarmee komt de redenering van verweerder, dat in het geval van verzoeksters niet langer aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan wegens de feitelijke sluiting van Casa Blanca en/of handelen in strijd met de wet of openbare orde, verder op losse schroeven te staan, nu dit evenzeer zou moeten gelden voor hun collega’s die kennelijk wel hun verblijf in Sint Maarten op basis van dezelfde vttv mogen voortzetten.

3.17

Slotsom van bovenstaande is dat de intrekkingen van de aan verzoeksters verleende vttv’s naar verwachting wegens procedurele gebreken en het ontbreken van een kenbare en draagkrachtige motivering als in strijd met het recht genomen zullen worden beoordeeld in een bodemprocedure, en dat de intrekkingsbeschikkingen geen stand zullen houden. Gelet op deze inschatting voorshands en op het op zichzelf door verweerder ter mondelinge behandeling erkende zwaarwegende belang van verzoeksters om hier te lande te kunnen blijven wonen en werken (en dus om de uitkomst van de bodemprocedure hier te lande in vrijheid te mogen afwachten) zal het Gerecht de aan verzoeksters opgelegde maatregel van bewaring schorsen en verweerder opdragen zich van verwijderingshandelingen te onthouden als hierna te bepalen.

3.18

Er is aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. Met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht worden de proceskosten bepaald op NAf 1.400,-- zijnde 1 punt van NAf 700,-- voor het beroepschrift en een punt van NAf 700,-- voor de mondelinge behandeling.

4 De beslissing

Het Gerecht:

4.1

schorst de bewaring van verzoeksters met ingang van heden en verbiedt verweerder verzoeksters uit Sint Maarten te verwijderen totdat op het beroep van verzoeksters tegen de beschikkingen van verweerder van 17 november 2015, betreffende de bewaring en de intrekkingen van de aan de verzoeksters verleende vttv’s zal zijn beslist en

4.2

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure en bepaalt dat het land Sint Maarten aan verzoeksters zal betalen een bedrag van NAf 1.400,-- voor salaris gemachtigde.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Mans, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 26 november 2015.

Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.