Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAM:2015:15

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
EJ 2015-184
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht: voorwaardelijke ontbinding toegewezen met vergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: EJ 2015-184

Datum: 18 november 2015

Beschikkingnr.

BESCHIKKING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

[de werkgever]

gevestigd te Sint Maarten,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.O. Kortenoever en mr. J.P. Westra,

tegen:

[de werknemer]

wonende in Sint Maarten,

verweerder,

gemachtigde: mr. G. Hatzmann.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als ‘[de werkgever]’ en ‘[de werknemer]’, tenzij anders is vermeld.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Namens verzoekster is op 4 september 2015 ter griffie een verzoekschrift (met producties) ingediend.

1.2.

Verweerder heeft een verweerschrift met producties ingediend. Beide partijen hebben producties nagezonden.

1.3.

De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Voor [de werkgever] zijn verschenen [AB en BC], bijgestaan door mr. Westra. Verweerder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Hatzmann. Er is gepleit aan de hand van ingebrachte pleitnota’s. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.4.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Met ingang van 3 oktober 2005 is [de werknemer], geboren op …. 1977, in dienst getreden van [de werkgever]. Hij vervult de functies van “Head of the Production Department” en “Head Water Production”. Zijn salaris bedraagt Nafl. 8.828,00 bruto per maand, exclusief emolumenten.

2.2.

Op 14 augustus 2015 is [de werknemer] door [AB en BC] ondervraagd omdat er verdenkingen tegen hem zijn gerezen naar aanleiding van klachten van een aannemer. Deze verdenkingen zien op betrokkenheid van illegale transacties waardoor [de werkgever] is geschaad. Van deze ondervraging is door [AB en BC] een document opgemaakt, getiteld “Statement Mr. [de werknemer]” d.d. 19 augustus 2015. Dit statement is door [AB en BC] ondertekend.

2.3.

Bij brief van 17 augustus 2015 van [de werkgever] is aan [de werknemer] medegedeeld dat hij is geschorst met behoud van loon wegens voormelde verdenkingen.

2.4.

Bij “Notification Letter” d.d. 20 augustus 2015 is [de werknemer] op staande voet ontslagen. In deze brief wordt onder andere het volgende geschreven:

“Further to the investigation that was finalized yesterday late afternoon (August 19th, 2015) and presented to the Management of [DE WERKGEVER], please be informed as follows.

On Friday August 14, 2015 you were heard about the investigation and you admitted the unlawful act. You stated during this hearing that you would return the amount of US $ 4,150.00 on Monday August 17, 2015 to [DE WERKGEVER]. However, you did not bring the money to [DE WERKGEVER].

Since the moment of your suspension with pay pending further research, [DE WERKGEVER] questioned Mr. [werknemer B], had several meetings, gathered legal advice and finalized its investigation. Given the severity of the facts and after ample consideration, [DE WERKGEVER] is left no choice than to dismiss you instantly (for which it also has taken your personal circumstances into account, including but not limited to, your age [38 years] and your employment history [10 years]).

As such you are herewith instantly dismissed as of today August 20th, 2015. The reasons for the dismissal with immediate effect are shortly stated as follows:

  1. Theft and/or embezzlement of engines containing scrap metal and air coolers containing copper, as a result of which you have become unworthy of [DE WERKGEVER]’s trust;

  2. gross negligence of your duties; not adhering to proper business operational conduct, internal company procedures;

  3. not able to perform the duties you contractually agreed to perform.”

2.5.

Bij brief van 26 augustus 2015 is ook de heer [werknemer B] op staande voet ontslagen door [de werkgever]. Ook ten aanzien van hem heeft [de werkgever] een voorwaardelijke ontbindingsprocedure aanhangig gemaakt waarin het Gerecht heden eveneens uitspraak doet.

2.6. [

de werkgever] heeft geen aangifte bij de politie gedaan tegen [de werknemer].

3 Het verzoek

3.1 [

de werkgever] verzoekt bij beschikking de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze niet reeds met het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig tot een einde is gekomen, met onmiddellijke ingang te ontbinden, primair op grond van een dringende reden en subsidiair wegens veranderde omstandigheden zonder toekenning van enige vergoeding, met veroordeling van [de werknemer] in de proceskosten.

3.2. [

de werknemer] verzoekt primair om het verzoek van [de werkgever] af te wijzen en subsidiair voor zover het Gerecht de ontbinding mocht toewijzen, aan hem een vergoeding toe te kennen, vast te stellen op grond van de kantonrechtersformule waarbij C = 1,5, kosten rechtens.

3.3.

Partijen voeren de nodige argumenten aan. Hierop gaat het Gerecht in voor zover dat nodig is voor de beslissing in deze zaak.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

Aan de orde is de vraag of er, voor het geval het gegeven ontslag op staande voet geen stand houdt in de bodemprocedure, aanleiding bestaat om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Het Gerecht overweegt als volgt.

4.2.

Kort en krachtig weergegeven gaat het om het volgende. [de werknemer] is door [de werkgever] als projectleider aangewezen om een aantal oude generatoren van haar bedrijfsterrein af te voeren. Het verwijt van [de werkgever] is dat [de werknemer] niet de voorgeschreven procedures heeft gevolgd, onderdelen (coolers) van deze generatoren heeft verkocht, de opbrengst in eigen zak heeft gestoken en daarmee [de werkgever] heeft benadeeld. [werknemer B] heeft hem daarbij hand- en spandiensten verleend. [de werknemer] ontkent in deze procedure categorisch dat hij dit heeft gedaan.

Het onderzoek door [de werkgever]

4.3.

Vaststaat dat na terugkomst van vakantie [de werknemer] werd geconfronteerd met nieuwsberichten in de online pers en dat hij zich bij [de werkgever] meldde om hierover te praten. [de werkgever] heeft toen [de werknemer], in de personen van [AB en BC], een interview afgenomen over de aantijgingen. [de werknemer] heeft niet van te voren een schriftelijke oproeping gekregen waarin is vermeld dat er verdenkingen tegen hem waren gerezen. [de werknemer] heeft zich niet mentaal kunnen voorbereiden op dit interview. Toen het interview begon wist hij niet, althans had hij onvoldoende tijd zich te realiseren dat zijn baan op het spel kon staan. Hij heeft niet van te voren de gelegenheid om eigen aantekeningen of bedrijfsdocumenten te raadplegen. Evenmin heeft hij zich voor advies tot een jurist of zelfs maar een vriend of zijn echtgenote kunnen wenden. De onderhandse verklaringen van andere getuigen heeft hij niet meegekregen om thuis te kunnen bestuderen en er een reactie op te kunnen geven. Het interview is niet door [de werkgever] opgenomen. Er is dus geen transcriptie gemaakt. De weergave van het interview door [AB en BC] is niet aan [de werknemer] voorgelezen en hem is niet gevraagd deze verklaring voor gezien of akkoord te ondertekenen. Hem is niet de gelegenheid geboden, voordat het onderzoek werd afgerond, om schriftelijke opmerkingen te maken die meegenomen hadden kunnen worden in de eindconclusie. Uit de weergave van het interview volgt overigens dat [de werknemer] “visibly upset” was hetgeen een extra reden is om hem respijt te geven alvorens de ondervraging zou beginnen. Gedurende het interview overigens was hij “still visibly upset” en toch bleef [de werkgever] hem ondervragen. Blijkens de schorsingsbrief heeft er nader onderzoek plaatsgevonden maar dat onderzoek heeft niet bestaan uit het nogmaals horen van [de werknemer] om hem de gelegenheid te geven te reageren op de voorlopige onderzoeksbevindingen. Waaruit het onderzoek wel heeft bestaan wordt door [de werkgever] niet uitgelegd, behoudens in algemene termen als vermeld in de ontslagbrief hiervoor. [de werknemer] is slechts één keer gehoord door [de werkgever] over [de werkgever] gebeurtenissen van ongeveer een half jaar daarvoor en luttele dagen na het verhoor is hij op staande voet ontslagen.

Ontbinding

4.4.

Dat alles neemt echter niet weg dat, blijkens de weergave van het verhoor van [de werknemer], hij heeft toegegeven een voorschot op de koopprijs van USD 4.150,00 te hebben ontvangen. Ter zitting is dit door [de werknemer] erkend en ook in het verweerschrift staat dit onder 3.2.2. [de werknemer] stelt echter dit bedrag aan Bedrijf Z te hebben teruggegeven, na overleg met de heer [C], omdat contante betalingen binnen [de werkgever] niet zijn toegestaan. Hij heeft toen [D] van Bedrijf Z geïnstrueerd, om na ontvangst van de verkoopfactuur, rechtstreeks aan [de werkgever] te betalen, en dus net via hem. Daarvan heeft hij ook de afdeling Internal Audit van [de werkgever] in kennis gesteld. [de werkgever] betwist dit.

4.5.

Verder staat vast dat alle overtollige koelers met daarin het ijzer en met name het koper, dat waardevol is, van het terrein van [de werkgever] zijn verdwenen en dat dit onder verantwoordelijkheid van [de werknemer] als projectleider is [de werkgever]gebeurd. Er is discussie tussen partijen over de hoeveelheid maar duidelijk is dat in elk geval één vrachtwagen met koelers op 28 maart 2015 het bedrijfsterrein van [de werkgever] heeft verlaten zonder dat er voor deze koelers is betaald of zelfs maar een verkoopfactuur is uitgemaakt.

4.6. [

de werknemer] stelt dat tegen hem een hetze wordt gevoerd. Het Gerecht stelt echter vast dat hij geen aannemelijke verklaring kan geven omtrent de van het terrein van [de werkgever] verdwenen koelers en de betaling daarvan en evenmin omtrent de administratieve afwikkeling van een en ander. Gelet op zijn ervaring, opleidingsniveau en zijn managementpositie binnen [de werkgever] had dat van hem zonder meer mogen worden verwacht. Duidelijk is dan ook dat een voortzetting van het dienstverband niet meer tot de mogelijkheden behoort.

4.7.

Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het Gerecht zal dit niet wegens een dringende reden doen omdat het onderzoek van [de werkgever] rammelt, niet kan worden uitgesloten dat bij grondig onderzoek in een bodemprocedure blijkt dat [de werknemer] handelde met medeweten van hoger management en omdat het Gerecht niet heeft kunnen vaststellen dat [de werknemer] duidelijke richtlijnen heeft meegekregen. In dit verband is van belang dat de verkoop van dit soort materialen alsmede de externe commerciële contacten die hij hierdoor moest onderhouden niet behoren tot zijn dagelijkse werkzaamheden. Tot slot geldt dat sprake is van een langdurig en voor het overige onberispelijk dienstverband.

4.8.

Het Gerecht zal de arbeidsovereenkomst dan ook ontbinden op grond van veranderde omstandigheden waarbij de correctiefactor op 1 wordt gesteld. Partijen dienen in de bodemprocedure uit te zoeken of de dringende reden komt vast te staan. Dit betekent dat aan [de werkgever] een intrekkingstermijn moet worden gegeven.

4.9.

Gelet op de aard van deze procedure dienen partijen de proceskosten voor eigen rekening te houden.

5 De beslissing

Het Gerecht:

geeft aan [de werkgever] een termijn tot vrijdag 27 november 2015 om 13.00 uur om door middel van een ter griffie te deponeren brief het verzoek in te trekken,

indien het verzoek niet wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst, indien deze nog blijkt te bestaan, wegens veranderde omstandigheden met ingang van 28 november 2015 en kent aan [de werknemer] een vergoeding toe van afgerond Nafl 57.500,00 bruto,

bepaalt dat [de werkgever] deze vergoeding aan [de werknemer], op door hem te bepalen wijze, dient uit te betalen binnen 14 dagen nadat door de rechter bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is bepaald dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven,

en, ongeacht of het verzoek al dan niet is ingetrokken, bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening dienen te houden,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven op 18 november 2015 door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, in tegenwoordigheid van de griffier.